Vele, vele, vele Franse intellectuelen

door

Onlangs las ik een artikel dat eindigde met de conclusie: ‘De Franse intellectueel is niet meer wat hij geweest is’. Dat deed mij denken aan de teleurgestelde lezer van het beroemde Engelse satirische tijdschrift Punch, die tegen de hoofdredacteur van het blad zei: ‘Sir, Punch is not what it was!’ Waarop deze reageerde met de woorden: ‘It never was.’ Dat geldt in zekere zin ook voor de Franse intellectuelen, maar er is meer aan de hand.

Je kunt je inderdaad met enig recht afvragen of de betekenis van intellectuelen in Frankrijk wel zo groot is als vaak buiten Frankrijk wordt aangenomen. De Engelse historicus Theodore Zeldin, auteur van France; 1848-1945, de omvangrijkste (2025 bladzijden) en meest excentrieke geschiedenis van het moderne Frankrijk, heeft onder de verrassende titel ‘Hypocrisy’ een hoofdstuk aan de Franse intellectuelen gewijd waarin hij onder andere laat zien dat Franse schrijvers veel slechter betaald worden dan hun collega’s in het ‘anti-intellectuele’ Amerika.1 Intellectuele arbeid werd in Frankrijk lange tijd zelfs als gevaarlijk beschouwd, zozeer dat in 1936 in Parijs een medisch proefschrift werd verdedigd over de slechte eetgewoonten van de geletterde mens onder de titel Bijdragen tot de studie van de voeding der intellectuelen, een onderwerp dat Ludwig Feuerbach, de Duitse filosoof van wiens denkbeelden vooral het inzicht ‘Der Mensch ist was er isst’ resteert, plezier zou hebben gedaan. Maar het is waar dat het hier gaat om intellectuelen in de ruime zin van het woord, beoefenaars van de intellectuele beroepen. Als wij het nu over Franse intellectuelen hebben, bedoelen we doorgaans intellectuelen in de meer be­perkte zin van het woord, namelijk die van geëngageerde denkers die bijdragen aan het maatschappelijk debat, meestal vanuit linkse posities. Dit woordgebruik gaat terug tot de Dreyfus-affaire. Het is misschien nuttig deze in de Franse geschiedenis zeer invloedrijke kwestie kort in herinnering te roepen.

Alfred Dreyfus was een joods-Franse officier die in 1894 ten onrechte was beschuldigd van verraad en levenslang werd verbannen naar een strafkolonie op Duivelseiland. Al snel bleek de zaak echter gebaseerd op valse verklaringen en gefabriceerde documenten, maar de militaire top beijverde zich het complot in de doofpot te stoppen. In 1898 barstte het ongenoegen over de zaak open toen Émile Zola in L’Aurore, de krant van de linkse politicus en latere premier Georges Clemenceau, onder de titel ‘J’Accuse…!’een open brief aan de president van de Republiek publiceerde. Daarin beschuldigde hij de politieke en militaire leiding van een samenzwering met het doel de onschuld van Dreyfus geheim te houden. De volgende dagen verschenen in dezelfde krant een reeks korte berichten onder de kop ‘Une protestation’ waarin de ondertekenaars protesteerden tegen de gang van zaken bij de Dreyfus-zaak. Onder de protesterenden waren veel leraren, hoogleraren, publicisten en schrijvers, zoals de toenmalige beroemdheden Anatole France, Marcel Proust, de socioloog Émile Durkheim en de historicus Gabriel Monod. Vandaar dat het protest al snel de naam ‘Le manifeste des intellectuels’ kreeg.

 

lees meer in het nieuwe nummer