Ria’s minnaars waren er weer. Ik rook hen meteen. En niet alleen hun nasleep, die me al zo vaak had misleid. De mannen kondigden zich nooit van tevoren aan en vertrokken klokslag middernacht weer, maar soms als ik na het stappen de half geverfde hal binnenkwam, stond er een bierflesje op het dressoir en walmden ze me tegemoet. Ze roken scherp, naar plichtsbesef en eerbaarheid. Ik sloop dan de trap op en gluurde door de kier van Ria’s deur, maar werd steevast teleurgesteld: daar lag ze in haar eentje te snurken. De lakens wild om haar heen, haar slip en bh over haar bureaustoel gedrapeerd, geen spoor van de heren. ’s Ochtends zei ik niets en zei zij niets, maar ze droeg een half dromerige schaamte met zich mee die ik meteen herkende.
En dit keer had ik ze te pakken.
Ik moest plassen, dus ik duwde de lakens van mijn benen en wankelde de donkere overloop op. Daar loerde die vertrouwde geur, anders – sterker – dan normaal, ik was echter te slaapdronken voor meer dan een blik op Ria’s dichte deur. Stommelstommel naar beneden, toilet bezet, dus stommelstommel naar de badkamer, die ik ’s nachts vermeed omdat Ria me zou horen doortrekken en waar nu een jongeman met gekruiste benen tegen de stortbak zat en een bierflesje tussen zijn vingers ronddraaide.
Ik leunde tegen de deurpost en knipperde met mijn ogen. De zijne waren roodomrand en hij zei geen gedag, mimede het slechts met zijn schouders. Te moe – afgewerkt – om zoiets voor de hand liggends te zeggen als dat het niet gaf dat ik hem stoorde, hij zat hier maar dronken te zijn.
‘Zo,’ zei ik, omdat hij dat vast niet verwachtte. ‘Jullie bestaan. Ik twijfelde al.’ Ria was zo duidelijk verliefd op me dat ze me ook slechts jaloers had kunnen willen maken. Ik ben niet lesbisch, maar het was interessant om dé persoon voor iemand te zijn. De besefpersoon.
Hij hief zijn flesje. ‘Even pauze.’
‘En ik ben vergeten m’n tanden te poetsen.’ Voor hem wilde ik geen toiletgaand wezen zijn.
Weer zijn flesje, nu ter uitnodiging mijn eigen badkamer te betreden.
Ik stapte dichter bij de spiegel, zijn kruin stak boven de rand uit. De tandenborstel pakte ik niet, want ik realiseerde me dat ik ook geen vibrerend, tandpastakwijlend wezen wilde zijn. In plaats daarvan pakte ik Ria’s mondwater, waar ze bij zwoer. Ik hield het met gekrulde tenen binnen, spuugde en draaide me om.
Ik had de minnaars al eerder kunnen snappen. Op een zekere nacht, misschien de eerste, vluchtte Ria voor hen. Ze liep haast nonchalant over mijn drempel, niet geheimzinnig of gehaast, en sneed door het maanlicht dat door mijn luxaflex piepte. Mijn bed kraakte terwijl ze er op de knieën op klom en daar pas pauzeerde ze, pas op dat moment vroeg ze zwijgend om mijn toestemming. Toen zag ik haar zoals zij mij, een prachtig en ongrijpbaar wezen. Al haar puistenlittekentjes en rode vlekjes vielen weg onder glimmend zilver en ze glimlachte schuchter. In de verte hoorde ik het gelach en gebonk van de heren die nu zichzelf moesten vermaken. Ik kon Ria wegduwen en haar kamer binnenstormen, maar bleef hier, voor haar.
Ik had moeten vragen waarom ze hen had verlaten, maar kwam overeind. Leunend over de dekenplooien vroeg ik of het ging. Ze knikte en zei dat ik kon slapen, dat was oké. Ik ging liggen en bleef liggen terwijl het bed wiegde. Ze kroop dichterbij. Haar gewicht hing boven me, haar adem kuste mijn wangen en mijn voorhoofd, en ze vertelde me, zwijgend, dat ze liever bij mij was dan bij de joelende kerels daar verderop, maar ach en wee, buiten deze gestolen momentjes om was ik onbereikbaar, dus vlak voor twaalven keerde ze terug. Ze liet mijn deur openstaan. Haar hoge stem vermengde zich naadloos met die van de minnaars; ieder ander zou hebben gedacht dat ze daar hoorde. Ik ben niet lesbisch, maar dit soort herkenningen zijn grensoverschrijdend. De volgende ochtend deed ze alsof er niets was gebeurd en alle andere nachten bleef ik alleen.
Nu zat voor me een van de wezens aan wie ze die nacht was ontsnapt. Hij leunde met kromme rug, zo verkrampt dat ik me hem niet in een rechte houding kon voorstellen. Op de middelbare had ik dat soort jongens vaker gezien, altijd lichtelijk gebogen als wandelende boemerangs. Bij hen stond het nonchalant, bij deze jongen kwetsbaar. De V-hals van zijn shirt ontblootte zijn sleutelbeenderen. Ria wist hoe die voelden, ze had hem vaak bij de kaken gegrepen en vol enthousiasme gezoend. Ze had haar buik tegen de zijne gedrukt, wist hoe hij voelde en hij wist hoe zij voelde. Alleen ik wist niets.
‘Hoe is het,’ vroeg ik, ‘met een ander?’
Eindelijk keek hij echt naar mij. Ik droeg een T-shirt en een HEMA-slip en had mijn piekerige haar en make-uprestjes in de spiegel gezien. Daar moest hij van houden. Ik moest aantrekkelijk zijn in mijn natuurlijke, nonchalante, doorleefde staat. Even afgetobd als hij, maar van een rijk studentenleven. Vol zweet en lachlijnen. Besmeurde make-up, die ergens voor was opgedaan. Juist als normaal en slobberig persoon, zodat het écht was, moest ik hem aantrekken, moest hij iets tussen ons voelen en ineens weten dat hij voor me wilde gaan – niet per se als romantische partner, maar voor mij als persoon. Hij wilde met mij in bed liggen, absoluut, maar om de intimiteit. Samen in stille, onbezorgde uren liggen. Hij hoopte er niet op dat hij me naakt zou zien, maar als het moment daar was, zou hij met respectvolle verwondering naar me staren en ik zou mijn eigen lichaam aanschouwen en het ineens snappen. Ik zou het waard zijn.
Nu, hier, in mijn badkamer, schokschouderde hij.
‘Wat,’ zei ik. ‘Zo erg?’
‘Ik weet niet beter.’
‘Heb je een keuze?’
Hij schudde zijn hoofd. En begon te huilen.
Ik zat lang bij hem. Wreef over die bochelrug. Ik voelde de ribbels van zijn wervels, zijn snikken en zijn lichaamswarmte. Voelde bij mezelf de pulserende tintelingen die mij veel vaker gegund zouden moeten zijn dan Ria, die alleen interesse had in mannen als ze mij in mijn koude bed jaloers kon maken. Hij verdiende beter, besloot ik. Maar dit snikkende ding bestond alleen voor haar. Om zijn pols schreed een wijzertje steeds dichter bij de twaalf. Het wezen onder mijn vingers werd nog niet doorschijnend, maar hij was bijna op. Klokslag twaalf uur, altijd.
‘Hoe is het?’ vroeg ik weer. ‘Is het fijn? Voor jou, voor haar? Zie je het genot in haar gekrulde tenen en gesloten ogen, kreunt ze? Bewondert ze jouw lichaam en bloost ze als jij het hare kust en streelt?’
Hij knikte. Natuurlijk. De minnaars leefden hiervoor, wisten precies hoe het moest.
‘En hoe is dat? Om zoiets te kunnen?’
Hij was wederom op zijn bierflesje gefixeerd. Ria of niemand, zo was het. Een trouwe minnaar, die niet meer wilde.
‘Het is al goed.’ Mijn armen gleden verder, ik omhelsde hem. Dat accepteerde hij wel. Dit was niet intiem maar troostend. Van vreemdeling tot vreemdeling: hé, ik herken dat jij mens bent.
Zijn lichaam hing tegen het mijne, tevreden zuchtend. Ik wreef, troostend maar bijna intiem. Als ik deze hand verder schoof, zou hij dan schrikken? Mij tegenhouden? Volledig ontspannen en zijn eigen handen eindelijk in mijn zijen leggen, of om mijn bovenarmen, tegen mijn wangen? Hoe is het om te worden gestreeld door een lonkende aanraking waarnaar je zo hebt verlangd en die nu, eindelijk, gaat komen – elke centimeter dat de vingers dichterbij komen als vonken?
Ik moest het weten, en kroop in hem.
Ria’s kamer was vol, zweterig en donker. De minnaars steunden Ria als kussens, hun lichamen deukten weg onder het hare. Ze lagen er allemaal knus en vredig, behalve Ria. Haar oogwit flikkerde en een halffrons van verwonderde herkenning kneedde haar voorhoofd. Met mijn sterke nieuwe lichaam dook ik in de kluwen lijven. Ze waren warm en zacht en Ria was het middelpunt. Haar bleke hand strekte zich naar me uit. Kom ook. Kom hier. Ik gehoorzaamde. De minnaars trokken zich terug, hand in hand op de andere helft van het bed. Beter wetend. Vol ontzag. Ria vlijde zich tegen me aan, pakte mijn handen en dirigeerde ze. Zuchtte haar genot tegen mijn lippen, zoals ze ooit durfde maar niet kon. Ik ben niet lesbisch, maar het was fijn om te worden begeerd.
De volgende ochtend zat Ria zonder ontbijt aan de gezamenlijke tafel. Rechte rug, wallen, een opengekrabd puistje. Ze keek blozend op op het moment dat ik binnenkwam.
‘Hé,’ zei ze. Half giechelend. Zeker wetend maar bang om het hardop te erkennen. ‘Vannacht was fijn.’
Ze schraapte de stoel naar achteren. Kleine stapjes nam ze, haar hand al uitgestoken. Haar palm plakte tegen mijn vingers. Ze glimlachte half, zoog op haar lippen en boog zich naar me toe. Haar adem stonk. Haar haar blonk vet.
‘Niet zo!’ zei ik.
Ze schokte naar achteren, klampte zich nog steviger aan mijn vuist vast. Die was er nog, die mocht ze hebben. Haar ogen waren groot, haar mond hing iets open.
Ik grijnsde, want ik herkende die droeve blik. De vingers die naar de mijne tastten, waren bekend, ik wist hoe ze voelden, hoe de knokkels kromden en de toppen zweetvlekjes achterlieten op mijn huid. Ze staarde naar me en voor het eerst staarde ik terug. Haar schouders zakten omlaag tot ze gekromd voor me stond. Haar sleutelbeenderen waren zichtbaar onder de V-hals. Haar adem rook naar goedkoop bier. Zoals de mijne gisteren, toen ze me eindelijk mocht hebben.
Ik ontspande mijn handen. Streelde de hare. ‘Niet nu,’ zei ik troostend. ‘Vannacht.’
Als de minnaars zouden komen.