Wat lever je me nou hier een rotstreek

Donderdagochtenden in het archief van Hollands Maandblad

Aron Groot

Elk schip dat in de eerste eeuwen voor Christus de haven van Alexandrië binnenvoer, moest alle papyrusrollen die aan boord waren onmiddellijk afgeven. Pas als kopiisten van de Bibliotheek van Alexandrië de inhoud hadden overgeschreven, kreeg het schip de boekrollen terug. Dat wil zeggen: het schip kreeg de kopieën – de bibliotheek hield de originelen.

‘Het Literatuurmuseum wil dit natuurlijk graag hebben. Ze krijgen het ook wel – op den duur.’ Aldien Poll leidt mij rond door het archief van Hollands Maandblad, het literair-politieke tijdschrift dat in 1959 opgericht werd door haar vader, K.L. (Bert) Poll (1927-1990). Rondleiden is misschien wat sterk uitgedrukt, want het archief staat in een hoek van haar werkkamer en beslaat een tweetal kasten. De multomappen vol jaarverslagen en correspondentie verschillen van elkaar in kleur en formaat – geen één is hetzelfde. Op een exemplaar van de firma Ahrend heeft iemand boven die merknaam ‘Hannah’ geschreven. Aldien wijst mij het bureau waar ik elke donderdagochtend aan kan werken. Als ik honger krijg, moet ik vooral iets uit haar koelkast pakken. Ze zal mij zelf trouwens ook weleens een kop koffie komen brengen.

Het enorme archief van Alexandrië is in zijn geheel verloren gegaan. Door verschillende branden, maar vooral door verwaarlozing. Papyrus is vergankelijk materiaal, eens in de paar decennia moest alles worden gekopieerd. Nadat Rome in de eerste eeuwen na Christus minder afhankelijk werd van Egyptisch graan, begon de Alexandrijnse economie te stagneren. Dan verandert een archivaris al snel van cultuurdrager in kostenpost. Het wegbezuinigen van deze ambtenaren betekende het verlies van duizenden toneelteksten, wetboeken en ge­dichten.

Op de eerste donderdagochtend waan ik mezelf aan boord van zo’n schip dat de haven van Alexandrië nadert. Doet Aldien er wel verstandig aan haar privécollectie aan het Literatuurmuseum over te dragen? Een paar honderd kilometer ten zuiden van Alexandrië, stroomopwaarts langs de Nijl, bleek het klimaat droog genoeg om papyrus min of meer intact te bewaren. Teksten die de laatste archivarissen van Alexandrië niet meer konden redden, overleefden daar moeiteloos – in particuliere bibliotheken en zelfs op vuilnishopen. Toen cultuur verdacht gemaakt werd, bleken privécollecties toekomstbestendiger dan het staatsarchief. Wat gebeurt er met de correspondentie van K.L. Poll als het Literatuurmuseum onder Yeşilgöz IV of Eerdmans II de deuren moet sluiten, als de laatste Nederlandse archivaris gediagnosticeerd is als hulpbehoevende hoarder?

Mijmerend sla ik de multomap ‘Correspondentie N t/m S’ open. Mijn oog valt op de inkomende correspondentie van de legendarische uitgever Geert van Oorschot (1909-1987). Al zijn brieven zijn handgeschreven – op het gouden verpakkingspapier (meer of minder vergankelijk dan papyrus?) van het chique sigarenmerk Balmoral. Gedateerd op 8 maart 1967, twee maanden na de verrassende verkiezingswinst van nieuwkomer D’66:

Beste Poll,

Ik feliciteer je met je uitstekende stuk over D’66 in het Hollands Maandblad. Je bent de eerste die helder duidelijk maakt waar die heren vandaan komen en waar ze thuishoren. Na de kabinetsformatie komt er een brochure van De Kadt [Jacques de Kadt, zijn werk verscheen bij Uitgeverij Van Oorschot, AG] over “een en ander”. Ik hoop dat je daar wat aandacht aan kunt besteden in het A.H. [Algemeen Handelsblad, AG]

Met hartelijke groet,

G.A. van Oorschot

K.L. Poll was misschien wel de grootste spin in het culturele web van het naoorlogse Nederland – zeg maar de gouden jaren. Oprichter en enige redacteur van het Hollands Maandblad, en tegelijkertijd chef kunst van het Algemeen Handelsblad. Nadat die krant in 1970 met de Nieuwe Rotterdamse Courant gefuseerd was, bedacht Poll voor het kersverse NRC Handelsblad het Cultureel Supplement, de toonaangevende donderdagbijlage waarvan hij, vanzelfsprekend, ook weer de chef was. Van Oorschot wist in wie hij zijn gouden papier investeerde.

Maar op 24 oktober 1977 verschijnt er ineens een getypte brief, en wel op het keurige bedrijfspapier van uitgeverij Van Oorschot. ‘Beste Poll, wat lever je me nou hier een rotstreek. Dat is toch buiten elk journalistiek fatsoen.’ Op dat moment komt er een schoonmaakster binnen die hoor- en zichtbaar van mijn aanwezigheid schrikt. Snel berg ik ‘Correspondentie N t/m S’ op om haar haar gang te laten gaan. Beneden vraagt Aldien of ik al weet waarover ik wil schrijven. Voordat ik antwoord kan geven, reikt ze me haar reservesleutel aan. Ze gaat een paar weken naar Frankrijk om kastanjes te rapen. De donderdag daarop heb ik het rijk alleen.

Beste Poll,

Wat lever je me nou hier een rotstreek. Dat is toch buiten elk journalistiek fatsoen. Je vraagt mij de drukproef te mogen zien van Du Perron, opdat je, wanneer het eerste deel verschenen is, spoedig in de N.R.C hierover kan schrijven. Je wilde, zoals je zei, de tijd hebben om je in een en ander goed te kunnen verdiepen.

Ik stuur zelden voor verschijning van een boek drukproeven aan een recensent maar ik maakte voor jou en de krant die je vertegenwoordigt een uitzondering. Jij hebt dit niet gewaardeerd en uit ordinaire zucht om de eerste te zijn publiceer je een bespreking over een boek dat nog niet verschenen is.

Je had je daarvan op de hoogte dienen te stellen. Je weet wat van dit onoorbare gedrag de gevolgen zijn: alle bladen hebben de pest in dat jij eerder een exemplaar van het zogenaamde verschenen boek hebt ontvangen dan zij.

In de tweede plaats worden we gek van de telefoontjes van boekhandelaren die reklameren dat zij de door hen bestelde exemplaren van de Brieveneditie nog niet ontvangen hebben. Er staat immers in de N.R.C. dat dit boek verschenen is. Je begrijpt dat ik flink de pest in heb en dat ik mij in de toekomst wel zal wachten je, op welk gebied dan ook, nog enige faciliteiten of voorkeur te verlenen. Deze streken moet je anderen maar flikken.

G.A. van Oorschot

Het is de enige brief in de multomap waarbij (een doorslag van) het antwoord van K.L. Poll óók is opgenomen.

Beste Van Oorschot,

Wat zullen we nu hebben! Vier weken geleden heb ik je opgebeld om te vragen of je proeven voor me had van het eerste deel van Du Perron’s brieven. Ik heb je toen gevraagd wanneer het boek zou verschijnen. “In de week na 15 oktober”, heb je me toen verteld. Omdat ik je een beetje ken, heb ik daarna nog eens voor alle zekerheid gevraagd: “Als mijn stuk dus verschijnt in het boekennummer van 21 oktober, dan weet je zeker dat het boek bij de boekhandel ligt?” “Dat boek is dan bij de boekhandel”, antwoordde je met je gebruikelijke zelfverzekerdheid.

Nu blijkt dat je voor de vijfhonderdduizendste keer weer eens te optimistisch bent geweest over de verschijningsdatum van je eigen boeken, en nu krijg ik de schuld. Je moet je in het kleinste holletje van je huis urenlang langzaam en pijnlijk zitten doodschamen voor dat schandalige, zij het ook wel weer roerende, klotebriefje dat je me nu op m’n dak stuurt.

Wat je je blijkbaar niet kunt indenken is, dat ik het precies even vervelend vind als jij dat die bespreking te vroeg in de krant heeft gestaan. Vervelend tegenover de lezers die voor niets naar de boekwinkel gaan, vervelend tegenover de boekhandelaars die nee moeten verkopen, en natuurlijk ook vervelend tegenover die stomme uitgever die mij zo verkeerd heeft voorgelicht.

Wat die faciliteiten en voorkeur betreft: ik ben nu dubbel blij dat ik geen enkele persoonlijke verplichting tegenover je heb. Wel verwacht ik dat je als behoorlijke uitgever gewoon proeven en bespreekexemplaren van je boeken zult sturen als wij daarom vragen, in de eerste plaats dat eerste deel van Du Perron als dat nu eindelijk nog eens een keer mocht uitkomen. Die toezending van proeven en boeken is geen gunst, maar gewoon je werk, net als het mijn werk is om besprekingen te schrijven waarin staat wat ik vind, ook als dat oordeel jou om wat voor redenen dan ook niet zou aanstaan.

Bert Poll

Natuurlijk doet Aldien er verstandig aan haar privé-archief te zijner tijd aan het Literatuurmuseum over te dragen, al is het maar omdat het daar gedigitaliseerd kan worden – het internet is de meest toekomstbestendige schriftdrager aller tijden. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het Literatuurmuseum bovendien aangemerkt als ‘instelling met een langlopend subsidieperspectief’ en Eerdmans II blijft (voorlopig) een angstvisioen.

Maar toch. Er zal bij die overdracht iets wezenlijks verloren gaan. De privécollectie zal als het ware oplossen in het grotere archief. In multomap ‘N t/m S’ reageert K.L. Poll nooit op het gelijm en geslijm van Van Oorschot – tot het moment waarop hij zich genoodzaakt voelt hem op zijn plek te zetten. In een groter, veelzijdiger archief zou dit verhaal waarschijnlijk worden weersproken: Poll slijmde wellicht net zo bij Van Oorschot als hij bij hem. En misschien schreef Van Oorschot zijn boodschappenlijstjes ook gewoon op Balmoral-papier. Wetenschappelijk verantwoord, maar het – per definitie – subjectieve narratief verdwijnt.

De Bibliotheek van Alexandrië en het Literatuurmuseum streven beide naar volledigheid. Borges beschreef in zijn beroemde kortverhaal ‘De bibliotheek van Babel’ hoe deze volledigheid eruit zou zien. Alle denkbare boeken op oneindige planken, alles verwijst naar alles, maar een verhaal is er onmogelijk in te ontwaren. In het Literatuurmuseum wordt het archief van K.L. Poll deel van de literatuurgeschiedenis, maar verliest het zijn eigen geschiedenis.

Als Aldien terug is uit Frankrijk vertel ik haar voorzichtig wat ik van plan ben. ‘Een soort beschouwing over dit archief, ook hoe het hier zo grappig staat en zo.’

Aldien kijkt me enigszins bedenkelijk aan. ‘Als het maar niet te cynisch wordt.’