Deze maand

Johannes van der Sluis

Slingerend door Ronda naar het hotel van Rilke – dit jaar honderd jaar geleden overleden – ontwaar ik parkeergarage Parking Poeta Rilke. Het blijkt de Avenida del Poeta Rilke te zijn. Net of mijn vader, die diens woonplaatsen afging, me door dit heerlijke bergstadje leidt. Sevilla vonden mijn ouders niet geweldig, in Ronda was het goed. Eerder al rijschool Rilke gespot. Ironie, want zoals het radioprogramma wilde: Dichters Rijden Niet.

In het wit gepleisterde Hotel Reina Victoria met groene luiken leidt een vriendelijke hotelemployé me naar de tuin, waar achter een cipres de dichter met boek in de hand over de robuuste bergen uitkijkt. Bij de bar, zo’n typisch cleane van een luxehotel, is als anachronisme achter glas een kamertje ingericht met houten meubilair. De boekenkast en houten klok daadwerkelijk van Rilke? Her en der boeken van en over de poëet. Er hangt ook wat een originele brief lijkt, gedateerd 8 januari 1913, het briefhoofd van Reina Victoria. Eveneens een consumptielijst, aantekeningen bij thee/koffie, mineraalwater en ‘fires’. Niets aan een bad, de was, post, biljart, alcohol, rookwaar of anderszins. Moeilijk voor te stellen dat iemand als Rilke heeft geleefd. In de winter van 1912, in het midden van een crisis, reisde hij vanuit Parijs naar Spanje voor inspiratie. In Toledo zat hij volledig aan de grond: ‘Er is een vervreemding om me heen, een mateloze vervreemding,’ schreef hij aan zijn mecenas, prinses Marie von Thurn und Taxis. Córdoba noch Sevilla hielp en dan reist hij in een opwelling naar Ronda; voilá, de stad van zijn dromen die hij overal had gezocht. Van de bergen zou je volgens hem psalmen kunnen zingen. De dichtader begon weer te vloeien: ‘Vanuit de rivier in de afgrond van de kloof / die de hartverscheurende lichten van de hoogten (en van mij) weerspiegelt / en uit dit alles slechts één ding maakt, Heer, van mij, van gevoel,’ staat op de steen bij het standbeeld.

Ah Ronda, goed voor dichters en kunstenaars! Eenzelfde aantrekkingskracht als Venetië, magisch, een boek dat je wilt blijven herlezen waaruit telkens nieuwe gezichtspunten ontstaan. Orson Welles liet zijn as hierheen brengen bij de ranch van een bevriende stierenvechter naar het motto: ‘Iemand is niet thuis waar hij is geboren, maar de plek die hij kiest om te sterven.’ Ik koop een foto van een lachende Welles – net als ondergetekende met ogen als spleetjes – samen met wat stierenvechters, want na Sevilla was mijn melancholie hier bij aankomst als sneeuw voor de zon verdwenen. Zijn het de bergen, de gezonde lucht, die me weer deden ademen? Het hartelijke mevrouwtje van het pension dat me behandelt als een koning, of de brug, waarop mijn kamer uitkijkt en die ’s avonds goudkleurt en een langgerekte poort richting de eeuwigheid lijkt te vormen? Afreizen is moeilijk, maar gelukkig wacht Cádiz, de oudste stad van Europa, bijgenaamd de zeemeermin. Eerst nog kokoskoekjes kopen van de Ongeschoeide Karmelietessen. Liefde gaat door de maag.

Deze maand: George Coppens verrast met een nieuwe Emmanuel Bove (1898-1945), favoriet van de helaas overleden vertaler Mirjam de Veth. ‘Leve Bove!’ schreef ze me altijd. Een Raskolnikov, Kiki Coumans vertaalt nu. Bij Vleugels: meer Bove. Rilke was liefhebber, dus verder niet vragen, Hollands Maandblad zegt: kopen en lezen. De laatste zin uit een heerlijke roman noir bij Coppens luidt: ‘Een andere hoop had ik niet meer.’ De wereld opgeven, ja, het boek, geesteswereld buiten de tijd en ‘boven de eigen levensruimte’, nooit. – JvdS