Op het vliegveld van Tanger wil ik een bus nemen, maar een taxi kan worden gedeeld. Er ontspint zich een gesprek tussen een medewerker van de busmaatschappij en de taxichauffeur, die lijkt te worden verweten klanten weg te lokken. Inmiddels zit de ander voor in de taxi, maar er meldt zich iemand van de taxistandplaats. De man stapt uit en roept in keurig Engels dat we naar een taxi verderop gaan. Dit herhaalt zich nog enkele keren waarna hij tegen het samengeschoolde taxipersoneel uitvalt. Geïntimideerd prevelen ze verontschuldigingen.
In de juiste taxi ontvouwt zich terwijl ik vergeefs autogordels zoek een levendig gesprek tussen de jonge taxichauffeur en de man: kort grijs haar, grijze polo, met een prettige vlotheid over zich, als een populaire oom. Op een gegeven moment vraagt de man, die Samir heet, waar ik vandaan kom en wat ik kom doen. Een soort weddenschap. Vorige keer, een halfjaar geleden, had ik hier via Bumble een bijzonder leuke, jonge vrouw ontmoet, sindsdien met elkaar in contact gebleven. Een afspraak bleef in de lucht hangen, maar Morrissey schreef ‘Action Is My Middle Name’, dus toen op het wk Nederland tegen Marokko speelde, was het voorstel dat als Marokko zou winnen ik naar Tanger zou komen en vice versa. ‘Deal!’ antwoordde ze. Mijn voorspelling: winst voor Marokko, inclusief juiste uitslag. Aangezien de liefde grillig is, leek het extra reisdoel me een ideaal vangnet: de literatuur, Tanger kent een rijke historie. Liefde en literatuur: mijn hybride oorlogsvoering. Langzamerhand ben ik op het punt gekomen dat als dit niets zou worden zij het zegel van mijn vriendinnen zou zijn zoals Mohammed het zegel van de profeten was geweest.
De liefde blijft achterwege, hij lacht smakelijk: ‘Ik had het er net over, zul je zien dat die man achterin een schrijver is.’ Italiaans strooien hoedje, verder niets bijzonders; zat het ’m in mijn wereldvreemde blik? Samir is journalist en vertelt dat hij de hele dag op het vliegveld van Parijs heeft vastgezeten. Ik denk aan de stoelendans en begrijp dat hij zo’n dag heeft. ‘Ah, je bent hier al eerder geweest,’ zegt hij, ‘dan weet je hoe het gaat.’ Een artikel in Het Parool ging over messy urbanism, dat naar mijn idee in Nederland node wordt gemist. Naast al het andere: werkbezoek, autogordels het raam uit. Om in te burgeren vertel ik dat ik me in het vliegtuig heb vermaakt met een roman van Mohammed Mrabet waarin een meisje wordt betoverd, wat ook voor mij een geschikte aanpak zou zijn, al heeft op vorige reis een waarzegger in Marrakesh een kwade geest (‘littérature et des femmes: pas de chance’) verjaagd door middel van wat neergekrabbelde toverspreuken op papiertjes in een koperen blikje, aangestoken onderwijl hij mijn gezicht in de walmen drukte. Ervoor was mijn portemonnee geplunderd. ‘Het is niet de mens die liefheeft. Het is het hart,’ schrijft Mrabet. Altijd harteloos geweest? Hoe dan ook, vlak daarna ontmoette ik haar.
Samir geeft een dikke pil van de Marokkaanse historicus Laroui naar achteren en zijn kaartje. Medewerker van Le Canard Libéré, een satirisch Marokkaans weekblad, zo lees ik later – de stoelendans: de satiricus die voor de verandering zelf in het ootje wordt genomen. Ook een kaartje voor de taxichauffeur. ‘Een goede jongen!’ roept Samir. Ergens in het centrum roept hij voordat hij het portier dichtklapt: ‘App me vanavond!’ De liefde een mysterie, maar aan het literatuurfront zijn wellicht nog resultaten te boeken, ook deze maand. – JvdS