Hollands Maandblad beurzen 2024/2025

Hollands Maandbladbeurs;
categorie proza
Derko Laan

Hollands Maandbladbeurs;
categorie poëzie
Patrizia Vespa

Hollands Maandbladbeurs;
categorie essay
Koen Schouwenburg

[Klik op naam winnaar voor juryrapport]

Eerdere winnaars

De winnaars van de Hollands Maandblad Beurzen worden jaarlijks op voordracht van de redactieraad van Hollands Maandblad, na consultatie van de redacteur, aangewezen door het bestuur van de Stichting Hollands Maandblad. De Hollands Maandblad Beurzen worden mogelijk gemaakt door het Hendrik Muller Fonds.

De Hollands Maandblad Beurzen worden uitgereikt aan jonge, eeuwig jonge dan wel debuterende auteurs die de afgelopen jaargang in Hollands Maandblad hebben gepubliceerd en de bijzondere aandacht van de redactieraad hebben getrokken met hun werk. De Hollands Maandblad Beurzen (€ 750,-) kunnen de categorieën poëzie, proza, essayistiek, tekeningen alsook combinaties daarvan betreffen.

Het doel van de Hollands Maandblad Beurzen is om het schrijver- en kunstenaarschap van de laureaten te stimuleren, en om bij te dragen aan een duurzame literaire band tussen hen en Hollands Maandblad.

Op 17 januari 2026 reikte Hollands Maandblad de beurzen uit tijdens een evenement van de Balie.

Derko Laan (1990) – Soms lees je iets en denk je: wow, kan dit? Mag dit? Alsof je je opnieuw de geestesvrijheid herinnert die literatuur brengt, waarom je ooit zo van lezen hield, waarom je het ooit aandurfde zelf te gaan schrijven. Het mooie van het verhaal van de auteur die dit jaar de prozabeurs wint, is dat meerdere redactieraadleden de zweepslag van dit werk voelden vanaf de eerste zin. Los van elkaar zeiden we: ‘Eén verhaal springt eruit’ – we wilden elkaar niet beïnvloeden en wachtten rustig de bespreking af, en ja, we bedoelden hetzelfde.

Elk verhaal is een eigen antwoord op de vraag: wat is een verhaal? Wie bij een kort verhaal denkt aan een kleiner gegeven dan een roman, een verloop op kortere afstand, een camerastand die dichtbij blijft, een klein en alledaags onderwerp, fijnzinnig geschilderd, heeft het niet over deze beurswinnaar. Hier worden brave regels getart. Waar een miniatuurschilderij met fijne pentekening wordt verwacht, treffen we een groot doek met primaire kleuren en grove, trefzekere streken.

Laten we beginnen bij de eerste zinnen. Haal adem.

‘Op de dag dat Joe, de verstandelijk gehandicapte albino van Joodse afkomst, met een zigeunerkamp in het begin van de jaren veertig van Joegoslavië naar de Slowaakse Republiek trok, om zijn vader op te sporen – zijn moeder was immers overleden aan buiktyfus in een schuilkelder, en zijn vader had hem voor de geboorte verlaten – had hij nog geen enkele vrees voor het gevaar dat hem wellicht op straat kon overkomen. Joe, die eigenlijk Joseph heette, Joseph Allegro om volledig te zijn, had niet het vermogen om lang verdrietig te zijn om zijn moeder. Hij was zelfs nog nooit echt verdrietig geweest. Soms schrok hij ergens van, maar hij vergat telkens snel weer waarvan hij schrok. Geestelijk was hij zo’n acht jaar oud, terwijl hij lichamelijk al tweeëndertig was.’

Het is geen begin dat mooi wil zijn, het is een begin dat alles durft. Dat niet showt maar vertelt, en god wat is dat lekker. Meteen vallen we in een immense vertelwereld. ‘Hij zat op de achterkant van de huifkar en keek naar het verleden terwijl hij naar de toekomst reed.’ Joe reist met zijn familie door de bossen en wouden van Polen op de vlucht voor de Duitsers en de vernietigingskampen. Hij is de heilige dwaas, als de idioot van Dostojevski die met haakse blik op de werkelijkheid kijkt. ‘De mensen met wie hij reisde waren lieve zigeuners en al viel hij op door zijn afwijkende uiterlijk, er waren geen problemen.’ We reizen met hem door het grootste kwaad uit de geschiedenis, verteld door de ogen van het meest argeloze personage. ‘Joe gedroeg zich alsof de lucht nog blauw was en het gras nog groen en de mensen nog gezond.’

Steeds zijn het grove streken met kleine tederheden. Empatisch en grotesk tegelijk. En opnieuw, zo leren we wat er allemaal kan, schuift het perspectief van Joe naar een grotere verteller. Ik citeer: ‘Wanneer het kampvuurtje bijna doofde, lag de rest te slapen en keek vader naar Joe. Op die momenten leek Joe net een prehistorisch fabeldier, zijn witte huid flakkerend door het vuur…’ Wat heerlijk, geen realisme. We zijn hier in grote tijden, met een figuur die boven de tijd staat. We zijn in de bossen en het wilde Europa en we zijn er niet. Het is Joe, het zal Hitler zelf zijn die hij zo ontmoet, en het is Hitler niet.

Er staat: ‘Tot halverwege Slovenië was God met hen geweest.’ En dan, in het Wezerwald, gaat het mis. Ze worden gevonden en afgevoerd. Alleen Joe niet, Joe is nu alleen. We lezen: ‘De volgende dag leek het alsof hij de familie was vergeten, de dag scheen hem toe als de eerste van zijn leven… De wandeling deed hem goed en de schaduw was prettig, het werd herfst.’ Seizoenen verglijden hier net zo makkelijk in een enkele zin.

Joe ontmoet de Führer, ze vinden elkaar, ze schilderen samen.

Dit verhaal is een waagstuk. Het had mis kunnen gaan. Te groot, te grotesk. Hitler als personage. Je zou het willen afraden. En toch, het gaat niet mis. Deze schrijver, die ook als beeldend kunstenaar werkt, is te invoelend, te betrokken, te onthecht, te meesterlijk. Hij weet wat hij doet en wij weten dat niet, wij willen dat ook niet. Duizelig blijven we achter. Het speelt met ons, met verwachtingen, het treitert, het is teder, het is wreed. Misschien worden we niet geraakt in de gebruikelijke zin, maar eerder vervreemd, verwonderd en uit balans gebracht.

Het antwoord op de vraag: wat is een verhaal? Dit kan allemaal. Dit kan Derko Laan. Wij als redactieraad willen dan ook onze bewondering uitspreken en hem met deze beurs aanmoedigen tot meer en meer.

Patrizia Vespa (1972) – Het is niet goed om mensen pijn te doen, behalve als die mensen poëzielezers zijn en het gekozen wapen een gedicht. Poëzielezers, dat weet iedereen, zijn gesteld op de waarheid, en de waarheid, dat weten de meesten ook, is nu eenmaal niet gemaakt van rozenwater en babyzeep; ze schuurt, bijt, achtervolgt. Een goed gedicht kan niet anders dan daar uiting aan geven.

In de poëzie waarover het hier gaat gebeurt dat met verve. Met indringende beelden roept die een wereld op die duidelijk de onze is maar waarin tegelijk van alle kanten onbestemd gevaar dreigt. (Het een spreekt het ander overigens allerminst tegen.) Nu eens is die alomtegenwoordige dreiging een dier met een specifieke tred dat ’s avonds door de stad dwaalt, dan weer is de kamer een schaduw of is het onbekend vanuit welke hoek / ze gaten in ons maakten, maar hoe het gevaar zich ook manifesteert: het is overal. Waakzaamheid is geboden. Of poëzie.

Een veelzeggend citaat, uit het gedicht met de wonderlijke titel ‘Het vond’: “Ik was een goed kind voor mijn vader, een jong dat alles stuksloeg / Het is al ochtend als ik hem naar zijn eigen aarde terugbreng. (…) Hij slaat zijn armen en benen om mij heen.”

Dat de dood een prominente rol speelt in dit werk is in dit licht niet verbazingwekkend – opmerkelijker is de manier waarop dat gebeurt. De clichés die vaak met zo’n overbekend onderwerp gepaard gaan worden virtuoos vermeden. Geen holle metaforen, geen zware abstracties, het sterven krijgt hier een actieve, vaak lijfelijke rol – het eerder genoemde dier met een specifieke tred is er ongetwijfeld een manifestatie van. De dichter vraagt zich af hoe het sterven eruitziet, of het zich kan vergissen, of het een kleur heeft; goede vragen die, dat kan niet anders, weinig geruststellende antwoorden opleveren, als antwoorden al mogelijk zijn.

Toch is deze poëzie nergens deprimerend, verre van zelfs. Er is iets inherent troostends aan de originaliteit van de beelden en de precisie van de formuleringen waarmee een bleke realiteit wordt opgeroepen. Hier wordt niet verzacht of verdonkeremaand, hier wordt helderheid verschaft. Je probeerde opgewekte gedichten te schrijven, heet het in het gedicht ‘Finaal’. We mogen ons gelukkig prijzen dat dat niet lukt.

Of lukt het misschien toch? De daad van het schrijven op zich (en die van het lezen) is er onvermijdelijk een van levenslust. En zoals een mens van sombere muziek meer opknapt dan van vrolijke, zo werkt dat ook met deze poëzie.

Ze sloten me op omdat ik ze had laten schrikken, staat er in een van de sterke gedichten die het afgelopen jaar in Hollands Maandblad verschenen. Nu is het zeker waar dat deze dichter ons arme lezers met regelmaat doet schrikken, maar opsluiting lijkt me geen juiste straf. Rechtvaardiger is het om aan Patrizia Vespa de Hollands Maandblad-beurs voor poëzie toe te kennen.

Koen Schouwenburg (1986) – De winnaar van de Hollands Maandblad-beurs voor essayistiek rijdt graag op zijn racefiets langs de Groningse akkers en weilanden. ‘In de weidsheid van dat landschap zonder bomen kan ik mezelf ontvluchten,’ schrijft hij in zijn recentste in Hollands Maandblad verschenen essay. ‘Ik ben er nog wel,’ schrijft hij, ‘ik voel de pijn in mijn benen en mijn hart rap kloppen in mijn borst. En dat is het. Al die gevoelens en gedachten waar ik zittend of liggend vaak geen raad mee weet, zijn naar de achtergrond gedrongen. Mijn neuroses en mijn innerlijke rusteloosheid verdwijnen tijdelijk en een paar uur ben ik kalm en tevreden.’

In ditzelfde stuk schrijft deze essayist zelfs, en het voelt als vloeken in de kerk om dit te citeren tijdens deze literaire bijeenkomst: ‘Een rondje op de fiets in de eindeloze leegte van de provincie Groningen terwijl de zon schijnt en het nauwelijks waait, verkies ik tegenwoordig boven een goed boek.’

Dat deze compleet verliteratuurde auteur dit schrijft, zegt veel. Want er bestaan weinig essayisten bij wie je voelt dat de literatuur niet alleen een grote liefde is maar ook een absolute noodzaak, een onontbeerlijke weerstand tegen de wanhoop. En die combinatie, een grote liefde voor literatuur en een grote mentale afhankelijkheid van literatuur, maakt deze auteur zo aantrekkelijk om te lezen. Als je nu literaire essays uit de jaren vijftig terugleest, voel je in de toon van die stukken een zelfde ernst als in de essays van deze auteur. Een zelfde bevlogenheid voor literatuur, die in de huidige tijd zeldzaam is geworden.

Connie Palmen, Camus, Wessel te Gussinklo, Proust, David Foster Wallace, Virginia Woolf, Jeroen Brouwers – het zijn maar enkele van de vele auteurs die deze essayist bewondert. Hij interpreteert hun werk, laat zien wat hij er goed aan vindt en spoort de lezer met zijn enthousiasme aan om al die boeken zelf ook te gaan lezen.

Groningen en het Noord-Nederlandse landschap spelen in zijn werk een grote rol. Die noordelijkheid bepaalt mede zijn aantrekkelijkheid als essayist. Heerlijk is het om te lezen over zijn afkeer van de Randstad en zijn voorkeur voor de weidsheid en de rust van Groningen en Friesland. Door die topografische afstand kan hij heel mooi reflecteren op wat er in de Randstad gebeurt. Dat is een absolute meerwaarde. Als deze essayist gewoon net als alle anderen in Amsterdam had gewoond, had hij zich minder onderscheiden. Nu vormt Groningen een boeiend topografisch onderdeel van zijn stukken.

Het fanatisme dat hij aan de dag legt, zijn grenzeloze overgave aan de literatuur en ook dat dunne scheidslijntje dat hij ervaart tussen zichzelf en de wanhoop, doen denken aan het werk van David Foster Wallace en Wessel te Gussinklo, twee van zijn favoriete auteurs. Net als Foster Wallace kan deze auteur niet alleen prachtig schrijven over literatuur maar ook over televisie en sport en wie weet over wat nog meer in de toekomst. En net als Te Gussinklo, over wie hij heeft geschreven in zijn in Hollands Maandblad verschenen essay ‘De meesters van het alsof’, heeft deze auteur een heerlijke, herkenbare beat. Een fijn ritme van de zinnen, een fijne combinatie van het persoonlijke en het literaire, waardoor je als lezer wordt voortgestuwd naar het einde van dit essay, dat we vandaag bekronen.

De redactieraad van Hollands Maandblad kijkt uit naar alle essays en boeken die nog van deze auteur zullen verschijnen. En hopelijk zullen veel van die toekomstige essays in Hollands Maandblad verschijnen.

‘De Randstad, dat is niks voor mij,’ schreef hij in het al genoemde stuk over racefietsen, dat in het Noord-Nederlandnummer van Hollands Maandblad stond. We waarderen het dan ook zeer dat hij hier vandaag toch is verschenen, in deze stad waar, zoals hij schrijft, ‘iedereen van mijn leeftijd fietst met haast in zijn donder op een bakfiets richting een burn-out’.

Het is me een eer om, hier in dit Randstedelijk bastion, de Hollands Maandblad-beurs voor essayistiek uit te reiken aan de Groningse auteur Koen Schouwenburg.