Geen feest voor Renate

door

Renate Rubinstein mocht niet op mijn boekenlijst voor het eindexamen van de middelbare school. Zij schreef geen literatuur, vond mijn leraar Nederlands. Het was 1986, het jaar waarin Rubinstein de Jan Greshoffprijs van de Jan Campertstichting kreeg voor Nee heb je, het boek over haar leven met multiple sclerose, en niet lang nadat Maarten Biesheuvel haar een van de meest vooraanstaande schrijvers van Nederland noemde. Uiteindelijk kreeg ik mijn zin, maar op voorwaarde dat ik haar werk zou ‘compenseren’ met dat van W.F. Hermans. Resultaat: op mijn lijst stond 5 maal Rubinstein en 5 maal Hermans.

Vervolgens meende mijn leraar dat ik niet onder de Weinreb-affaire uit kon, die verbond immers de twee schrijvers. En zo werd ik op mijn zeventiende in de verdediging gedrukt, want het was voor de leraar duidelijk dat Rubinstein de plank had misgeslagen in de tumultueuze kwestie over de Pools-joodse econoom Friedrich Weinreb, die in 1942 joodse Nederlanders tegen betaling een plaats had aangeboden op ‘emigratielijsten’ die hen zouden behoeden voor transport naar de kampen. De lijsten bleken merendeels verzonnen en in 1948 werd Weinreb veroordeeld wegens hulp aan de vijand en oplichting. Toen hij eind jaren zestig eerherstel zocht, koos Rubinstein zijn kant. Zij raakte ervan overtuigd dat de veroordeling onterecht was geweest, waarna een bloederige polemiek met Hermans volgde.

In het heetst van de strijd tussen mij en de onredelijke leraar, heb ik haar een brief geschreven. Ik heb die brief nooit verzonden uit angst dat ze er een stukje over zou schrijven en dat ik mijn mondeling dan wel helemaal kon schudden. Laf en dom tegelijk, maar dat is gemakkelijk praten achteraf.


Toen Renate Rubinstein in 1990 stierf, studeerde ik in Frankrijk. Nederland was vreselijk ver weg en haar dood heb ik niet echt meegekregen. In 1993 verscheen Mijn beter ik, het boek waarin ze haar jarenlange verhouding met Simon Carmiggelt beschrijft (het mocht pas verschijnen na het overlijden van diens echtgenote Tiny). Ik was inmiddels 23, en toen ik korte tijd later op zolder de nooit verzonden brief terugvond, viel bij mij het kwartje. Ik besloot dat ik na mijn studie wilde promoveren op Renate Rubinstein.

Sinds mijn vijftiende had ik werkelijk alles verzameld wat er over haar was geschreven, dus ik had een mooie ondergrond om een wetenschappelijk onderzoek op te planten. Dacht ik. Maar toen ik in 1994 de erven schreef om toegang te krijgen tot de privé-correspondentie, werd het verzoek afgewezen. Hans Goedkoop, destijds journalist voor HP/de Tijd en de VPRO-televisie, had een grote subsidie gekregen van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten om de biografie van Renate te schrijven. Nu moest ik wachten tot hij klaar was. Dat kon nooit meer heel lang duren, zei Maurits Rubinstein, neef en erfgenaam.