Samenspraak

door J.M.A. Biesheuvel

‘Ik ben toch zo blij, zo gelukkig, zo gelukzalig!’ Zo begon een man in Wells een gesprek, we zaten in het zonnetje bij het havenkantoor in Wells. ‘Ik ben gelukkig getrouwd,’ zei hij. ‘Ik heb een heleboel geld, ik geef veel weg, mijn vrouw was vroeger een filmsterretje. En een knieën, en een knieën! Ik timmer en schilder graag. Kom je van ver? Ben je een buitenlander? Je zweet helemaal. Neem een patat van mij en drink bier, ik betaal. We hebben thuis een zwart-wit hondje, 3 hofhonden, een ezel, een geit en 22 zwerfpoezen. Maar ik dank God (als die tenminste bestaat) voor mijn vrouwtje, kinderen hebben we niet, mijn vrouw, waarachtig nog aan toe is een engel, ze is zo goed voor iedereen en voor de dieren. Ik vergeet God en de Dood haast, omdat ik de hele dag mijn vrouw aanbid!’

‘Van Big Bang is geen sprake’, zei ik op mijn beurt. ‘God heeft nooit bestaan en het heelal in grenzeloos, eindeloos, oneindig groot, Maria, Jozef, het Kindeke. De 3 Koningen, allemaal niemals dagewesen.’

‘Ja!’ riep de man, ‘Ik heb veel gelezen: Candide, de hele Trollope, Nabokov, Heine, Goethe, Tsjechov, Toergenjev, Elsschot in vertaling: daar is geen God en het heelal is grenzeloos. Mijn idee! Oh Noortje, Noortje, mijn lieve, lieve mooie vrouwtje. En wat zitten we hier gezellig samen. Goed, ik ben Engelsman en jij komt uit Nederland, geloof ik.’

‘Ik ken mijn vrouw trouwens al 58 jaar,’ zei ik, ‘en ik ben ook dolgelukkig met haar. Maar ook wel veel dieren hebben we. Zie je daar trouwens die pleziermotorboot “David” in het ruim van de kustvaarder daar in de diepte? Het was vroeger mijn plezierboot. Zie je die glimmende aluminium asbak bij het roer? Die heb ik zelf aangebracht. Ik begrijp bij de oorzaakloze oorzaak van het heelal niet hoe die boot hier in deze uithoek is verzeild geraakt. Uitgerekend nu hier op deze plek.’

‘Was je ook rijk?’ vroeg de man.

‘Ik was vroeger schatrijk,’ zei ik, ‘maar ik heb alles weggegeven.’

‘Daar heb je geen kwaad aan gedaan,’ zei de man. ‘Ik heb net een boek gelezen van Burton, uit 1520, 1800 pagina’s dik! En er komen zulke malle passages in voor. Het boek heet Oh Folly, Folly; Melancholy. In 1512 waren er mensen die zo droevig waren dat putabant suos billos vitrium esse: ze waren zo droevig dat ze meenden dat hun billen van glas waren, en als er iemand met een hamer of een stok aankwam, renden ze angstig weg. Ze waren bang dat iemand hun de billen zou gaan breken, doen rinkelen. Ze durfden niet eens te gaan zitten. Een ander meende weer een gerstekorrel te zijn en bleef binnen als hij buiten een kip zag. “Maar je bent toch groot en sterk?” “Ja, maar weet die kip dat?”’

 

lees meer in het nieuwe nummer