Belevingsgericht bouwen

Van woningnood naar ruimte-innovatie

Bas van Dijk

Hoe kijken we over vijftig of honderd jaar terug op onze huidige aanpak van de woningnood en het gebruik van beperkte bouwruimte? Het Rijk heeft een flinke opgave gesteld om tot en met 2030 981.000 woningen te bouwen. Daarmee is een hoge druk op de bouw teweeggebracht. Er wordt aangegeven dat er snel veel woningen bij moeten komen. De tijd die nodig is om af te wegen hoe we omgaan met dit vraagstuk en hoe de schaarse grond verantwoord gebruikt kan worden is beperkt. Als we niet oppassen en op deze bezeten manier blijven bouwen, kan het land straks ondoordacht volgebouwd zijn met monolithische appartementencomplexen en eentonige ‘trendbouw’. Denk aan de seriematige woningbouw in de jarendertigstijl die ontwikkelaars uit de grond stampen.

Er is ons een tweede kans gegeven. Oud-minister De Jonge verwacht door de economische omstandigheden een nieuwbouwdip in 2024-2025. Een kansrijk moment om te reflecteren op de aanpak tot nu toe. Echter, in het nieuws gaat het er alleen over dat de woningbouw snel zal herstellen van deze bouwdip en dat het jaarlijks te behalen aantal woningen positief zal zijn. Aantallen en snelheid blijken de belangrijkste pijlers te zijn in de aanpak van de woningnood. Een aanpak gebaseerd op het behalen van cijfers in plaats van leefbaarheid. 250.000 sociale huurwoningen moeten gebouwd worden, maar hoe verhouden die cijfers zich tot de uitwerking? 2500 monolithische blokken van honderd appartementen per stuk zullen een positief resultaat geven op de cijfers. Wat is de leefbaarheid van zo’n blok en de invloed op de bewoners, maar ook op de wijk? Het behalen van een cijfer is iets zwart-wits, wat voor effect het cijfer uitoefent op de locatie en het gebruik is een geheel nieuwe crisis. Kijkt u maar naar de mislukte naoorlogse uitbreidingswijken. Cijfers zijn hier behaald maar de leefbaarheid ontbreekt. Hoe gaan wij over vijftig à zestig jaar terugkijken op onze huidige woningnoodbouw?

Onze commerciële aanpak sneeuwt het mogelijke innovatieve potentieel van deze crisis onder. Zonder ons af te vragen hoe de moeilijkheden ten goede kunnen worden benut, beginnen we als een bezetene te bouwen. Sommige gemeentes geven zelfs aan meer dan het benodigde aantal woningen te gaan bouwen. Wat is de bouwbehoefte voor onze beperkte grond over honderd jaar? Hebben we dan nog steeds zoveel woningen nodig of levert een vergrijzing leegstand op, wat leidt tot sloop zodat zorginstellingen gebouwd kunnen worden? De huidige aanpak biedt niet het toekomstbestendige perspectief om hergebruikt te kunnen worden voor veranderende behoeften.

Dit beperkt denken over beperkte ruimte maakt van een kansrijke woningnooduitdaging een onbenutte woningnoodcrisis. Hoe we deze woningnood aanpakken beïnvloedt het landschapsbeeld en daardoor het dagelijks leven van mensen. Anonieme en ‘onmenselijke’ bouwmassa’s kunnen de ervaring van een gebied en het welzijn van gebruikers negatief beïnvloeden. De bouw moet streven naar vernieuwing die de menselijke ervaring respecteert. Er is een toekomstbestendige omslag nodig in de aanpak. Er moeten gebouwen komen die herbruikbaar zijn over honderd jaar en de open, kleinschalige kwaliteit van een horizontale invulling geven, op het grondverbruik van een verticale invulling. Het is tijd voor gebouwen die de openbare ruimte van de wijk omhoog trekken op verschillende niveaus en niet alleen functioneel zijn, maar ook rekening houden met het effect op de mens en de belevingswereld.

Net als tijdens de naoorlogse wederopbouw is Nederland momenteel gefocust op een kortetermijnaanpak die niet vooruitkijkt naar de toekomstige veranderende behoeftes van de bevolking. Marie Plug vertelt in 1945 Woningnood: volksvijand nummer 1 (2015) dat de naoorlogse woningbouw een voortdurend schipperen was tussen kwaliteit en kwantiteit, waarbij de kwantiteit het noodgedwongen vaak won. De woningnood werd door ministers uitgeroepen tot ‘volksvijand nummer 1’ en moest met een verhoging van het woningbouwtempo zo snel mogelijk worden verslagen. De hoeksteen in deze aanpak was de bouw van eengezinswoningen. ‘Gezinsherstel brengt volksherstel’ was het uitgangspunt. Afwijkende typologieën zoals eenpersoonshuishoudens waren geen noodzaak en kwamen daardoor in de beleidsnota’s niet voor.

De functionele monotone blokken gaven een antwoord op de problemen van toen, maar hoe toekomstbestendig is deze functionele bouw gebleken? Uit de studie De sloop van naoorlogse wijken in historisch perspectief blijkt dat jaarlijks 7.000 woningen worden gesloopt, waarvan het grootste deel uit deze wederopbouwtijd stamt. De sterke overheidssturing op industrialisatie van de bouw en functionaliteit heeft geleid tot een schaarste aan woonvariatie en het leven in gigantische anonieme blokken zonder sociale controle – en cohesie. Door deze kortetermijnaanpak hebben we momenteel een tekort aan verschillende woontypologieën die ruimte bieden voor eenpersoonswoningen, gescheiden gezinnen, ouderen en starters.

Het laat zien dat een aanpak gefocust op aantallen, snelheid en enkel de bouwvraag van dat moment niet tot toekomstbestendige wijken leidt. Dit zijn gemene delers met de huidige aanpak van de woningnood. Ook al kunnen we zeggen dat er een duidelijk kwaliteitsverschil is in de uitvoering en esthetica tussen de naoorlogse woningbouw en de huidige woningbouw, is er wel zeker eenzelfde problematische kern. De drijfveer blijft het snel behalen van een groot aantal woningen. Kwantiteit staat voorop en we houden ons daardoor vertrouwd vast aan seriematige systeembouw in zowel laag- als hoogbouw. Weliswaar in een nieuwe vorm, maar nog altijd een anoniem aanvoelende opstapeling aan appartementen. Een pakhuis voor mensen, zoals Piet Blom het noemde.

Verder denkt de overheid dat de huidige bouwaanpak die gefocust is op verschillende woontypes de toekomstige veranderende behoeftes van de bevolking zal kunnen faciliteren. Hoe breed en ver reikt deze toekomstbestendigheid? Het CBS prognosticeert een verdubbeling van 80-plussers in het jaar 2050. Hiermee zal het percentage 65-plussers stijgen van 19% naar 25%. Zorginstituut Nederland bevestigt dat er nu al een snelgroeiende wachtlijst is van momenteel 22.000 wachtende ouderen voor een verpleeghuis. Aan deze toekomstige nood lijkt nog geen gehoor gegeven te worden. We focussen ons net als in de naoorlogse bouw op de toekomstige gezinnen door woningtypes te bouwen waar nu behoefte aan is. Waar zijn onze ouderen in deze toekomstbestendige aanpak? Hoe gaan we voor hen over 25 jaar de zorghuisvesting-crisis oplossen?

Onze toekomstbestendige aanpak is gebaseerd op de toekomst van gisteren, waarbij de focus op kwantiteit voornamelijk leidt tot goedkope, snelle laagbouw – de goede voorbeelden daargelaten. Iets wat zich niet altijd leent om later omgebouwd te worden tot zorginstelling wanneer de nood hiervoor hoog zal zijn. Door het percentage hoogbouw op een verbeterde manier op te schalen en dit zoveel mogelijk dicht rond het centrum te doen, kunnen we woningen bouwen die in 2050 hergebruikt kunnen worden als zorginstellingen. Hierdoor hebben meer ouderen de mogelijkheid een grondgebonden woning te verlaten, wat meer woonruimte vrijgeeft voor toekomstige gezinnen. Alleen, hoe zorgen we ervoor dat deze hoogbouw niet tot dezelfde anonieme massale blokken gaat leiden die we allemaal kennen?

Om ervoor te zorgen dat hoogbouw sociaal leefbaar wordt, moeten we ons niet focussen op het bouwen van aantallen, maar op het creëren van een sociale omgeving. De huidige woningnoodaanpak hangt van cijfers aan elkaar, van het aantal te bouwen woningen tot het aantal vierkante meters per woning en de prijzen ervan – alles is numeriek vastgelegd. WoonOnderzoek Nederland van het ministerie van Binnenlandse Zaken geeft eenzelfde kijk op de woningbouw. In het rapport wordt onderzoek gedaan naar onder meer de woonsituatie, woonlasten, verhuizingen en woonwensen van huishoudens in Nederland. De hoofdstukken worden ieder aan de hand van economisch lijkende analyses onderbouwd. Onderwerpen zoals sociaal contact, zicht op de openbare ruimte en het gevoel van eigenheid komen in het onderzoek niet aan bod. Hier kan immers niet mee gerekend worden. Wonen lijkt gezien te worden als een product dat een tiental eisen af moet vinken, een machine om in te leven, zoals Le Corbusier het noemde. Wat is het effect van zo’n pragmatische aanpak op onze steden?

Uit het woononderzoek komt een interessante conclusie naar voren waarin wordt ontdekt dat hoe minder stedelijk de gemeente is, hoe groter de tevredenheid met de woonomgeving en het woonhuis is. Er wordt gesteld dat een mogelijke verklaring hiervoor het hogere percentage aan criminaliteit of de vaak duurdere vierkantemeterprijs van de stad is. Echter, het sociologisch verschil tussen deze twee omgevingen is een aannemelijkere verklaring. Socioloog Louis Wirth vatte in zijn artikel ‘Urbanism as a way of life’ in 1938 al op dat verstedelijking een grote impact heeft op de samenleving en het menselijk gedrag. Hij stelt dat het effect van een hoge verdichting in bouw en bevolking leidt tot een verzwakking in sociale banden, een toename van anonimiteit en een verhoging van het eenzaamheidsgehalte. Bovendien leidt de hoge dichtheid van steden tot minder groen en massalere gebouwen. Dit resulteert in een verminderd gevoel van eigenheid en herkenbaarheid in de stad.

Een verdichtingsaanpak voornamelijk gebaseerd op cijfers houdt geen rekening met het effect van deze cijfers op de samenleving en de sociale structuur van de stad. Hierdoor kunnen we niet garanderen dat het behalen van aantallen een garantie is voor het creëren van een leefbare verdichting. Het woningnoodvraagstuk reikt dus verder dan alleen de vraag om woonruimte. De opschaling van de bouw beïnvloedt de sociale context van de stad en daarmee het dagelijks leven van de mens. Er kan dus worden gesteld dat het massaal opschalen van de bouw niet per definitie het juiste antwoord is en dat er meerdere factoren overwogen moeten worden. Een belevingsgerichte bouw zou voorop moeten staan om zo een aanpak te vinden die niet alleen over aantallen gaat, maar ook rekening houdt met menselijke emoties en de belevingswereld.

Om deze aanpak te realiseren moeten we weten wat de woonwensen zijn die verder reiken dan cijfermatige feiten. In het essay Ingrediënten voor de gezinsvriendelijke stad wordt gesteld dat het bouwen van gezinswoningen niet per se betekent dat er meer grondgebonden woningen gebouwd moeten worden, maar dat we op een slimme manier moeten omgaan met suburbane kwaliteiten in een stedelijke context. Hiervoor zijn wensen zoals de woninggrootte, een toekomstbestendige plattegrond, de beschikbaarheid van een buitenruimte en een ligging aan de straat van belang. Mensen hebben behoefte aan een connectie met de buitenruimte en de straat, voor ouders om zicht te hebben op hun buitenspelende kinderen en voor ouderen om het gevoel van eenzaamheid te verlagen. Bereikbaarheid en eigenheid lijken belangrijke wensen te zijn, wensen die beter aansluiten op de grondgebonden woning met eigen tuin dan op de massale hoogbouwstructuren met missende sociale controle en samenhang. Hoogbouw geeft een te grote afstand tot de openbare omgeving, waardoor bewoners losgetrokken worden van het sociale leven van de wijk. Dit geeft een gevoel van anonimiteit, en voor de ouders ook onveiligheid, die geen zicht meer hebben op hun kinderen. Op basis van aantallen presteert deze hoogbouw erg goed, op basis van sociale leefbaarheid presteert het laag. Hoe kunnen we dan toch die verticale efficiëntie combineren met de kwaliteitswensen van horizontale bebouwing?

De beperkte ruimte vraagt ons om via een gebouw de openbare ruimte van een wijk op verschillende niveaus door te zetten en te verbeteren. In plaats van een gebouw dat de wijk als een muur verdeelt, wordt het een heuvel in de stad waarover het sociale weefsel van de wijken door wordt gezet. Zo ontstaan gebouwen die in ruimere zin samenhang creëren tussen de omgeving en de bewoners, waarbij het contact tussen de twee laagdrempelig blijft. Ouders behouden een gevoel van sociale veiligheid doordat ze op gebouwniveau zicht hebben op de spelende kinderen. Deze verdichtingsvorm gefocust op sociaal contact en veiligheid geeft een aanpak die zich bewust is van zijn sociale impact op de stad. Een aanpak waarbij het samendrukken van horizontale sociale structuren tot gebouwen een positieve invloed kan hebben op de problemen die Wirth in 1938 al in de stad zag.

Om de woontevredenheid in stedelijke gebieden te verhogen moet de woningnoodbouw het laagstedelijk karakter in de stedelijke context introduceren. Door de eigenschappen van een laagstedelijk gebied te ontleden kunnen deze worden omgezet in een ontwerpmethodiek waarbij horizontale kwaliteiten in een verticale uitwerking behouden kunnen blijven. Dit geeft een stedelijke bouwwijze met horizontale leefbaarheid. Zo kan het hogedichtheidskarakter van verticale bouw vermengd met de sociale kwaliteiten van horizontale bouw een gelaagde stad geven van gestapelde leefgebieden.

Socioloog Richard Sennett pleit in Building and Dwelling, Ethics for the City (2018) dat voor een leefbare woonomgeving een open stad nodig is. Hij streeft naar een geleefde stad in plaats van een geplande stad, met zachte grenzen en aandacht voor de menselijke maat en overgangen tussen openbaar en privé. Deze ontwerpaanpak voor een open stad komt overeen met de structuur van onze laagstedelijke gebieden, waarin organisch ontwikkelde dorpen aandacht hebben voor de menselijke maat, de overgang van privé naar openbaar, de openheid van en aansluiting op de omgeving en het hoge groen karakter. Volgens het pleidooi van Sennett beschikken deze gebieden over de juiste elementen om leefbaarheid te verhogen, iets wat bevestigd wordt door de hogere woontevredenheidscijfers. Hiernaast stelt Wouter Veldhuis van Must Stedenbouw dat informele ontmoetingsplekken van belang zijn voor de sociale binding tussen bewoners. Plekken zoals het schoolplein, grasveldjes en speeltuinen. Door de verhoogde druk op verdichting in en rondom steden, verdwijnen steeds meer van deze informele ontmoetingsplekken in de openbare ruimte. De beperkte bouwruimte en hoge nood voor woningen creëren een situatie die geen ruimte heeft voor de aandachtspunten van Sennett en Veldhuis. Door deze ruimtelijke elementen voor leefbare steden toe te passen op gebouwniveau kan met de woningnoodverdichting de ruimtelijke kwaliteit van de stad evenwel worden verbeterd en het leefbare karakter van de laagstedelijke gebieden worden geïntroduceerd.

In het onderzoek ‘Fuggerei of the future’ heeft architectenbureau MVRDV met een vergelijkbare aanpak ’s werelds oudste sociale woningbouwcomplex ontleed in een aantal basiscomponenten. Aan de hand van deze catalogus zijn onderzoeken gedaan naar een nieuwe moderne opbouw van de Fuggerei, waarbij een mensgericht ontwerp blijft behouden. Het onderzoek toont aan dat een succesvolle Fuggerei/wooncomplex moet beschikken over woningen met de voordeur aan de straat en met een eigen buitenplek, autoluwe straten op menselijke schaal, een groene openbare buitenplek en een ontmoetingsplek die het hart van de gemeenschap vormt. Aan de hand hiervan heeft MVRDV verschillende uitwerkingen kunnen maken die de ruimtelijke en sociale kwaliteiten van de Fuggerei introduceren op verschillende locaties.

Om net als MVRDV de kenmerkende kwaliteiten van een horizontale structuur in een verticale vorm te verwerken, moet er worden ingespeeld op de vijf aspecten die door een laagstedelijk gebied versterkt worden, zijnde: eigenheid, de menselijke schaal, sociaal contact, een gevoel van veiligheid en een gemeenschapsgevoel. Net als de Fuggerei kan de ruimtelijke ordening van de laagstedelijk gebieden onderverdeeld worden in een aantal componenten die deze aspecten succesvol versterken. Deze componenten zijn ten eerste informele openbare buitenruimtes die dagelijkse ontmoetingen tussen bewoners versterken zoals speeltuinen, parken, pleinen en looproutes. Ten tweede overgangselementen van privé naar openbaar die het gevoel van eigenheid versterken zoals voortuinen, overtuinen en Delftse stoepen. Ten derde gevarieerd vormgegeven kleinschalige woningbouwtypes die individuele herkenbaarheid en de menselijke maat in de straat introduceren. En ten slotte formele openbare samenkomstplekken zoals kerken, dorpshuizen en cafés die het gemeenschapsgevoel versterken en daarmee de sociale controle.

Een verticale opbouw van deze ruimtelijke componenten gecombineerd met een gevarieerd woonaanbod zou een sociale omgeving als gebouw kunnen creëren die de straten, openbare buitenruimtes en individueel herkenbare woonhuizen op verschillende niveaus terugbrengt. Het laagstedelijk landschap wordt hierbij als verdiepingen omhoog gevouwen en verbonden met de omliggende stedelijke wijken, zodat het één geheel wordt, en het niet duidelijk is waar het woongebouw begint en de openbare ruimte van de wijk eindigt. Een gebouw van verschillende niveaus waarbij straten op hoogte worden aangebracht en daken gebruikt worden als pleinen, parken en speeltuinen. Op deze manier kunnen op de voetafdruk van een woontoren de horizontale woonwensen van de bevolking worden gerealiseerd, zoals de ligging aan de straat en een eigen buitenruimte. Daarnaast verhelpt het de problemen die Louis Wirth ziet in de moderne stad door sociale banden van bewoners te versterken met informele ontmoetingsplekken, het anonieme karakter van hoogbouw te minimaliseren, het eenzaamheidsgehalte terug te dringen door een versterkte connectie tussen de openbare buitenruimte en de woning, en door massale gebouwen kleinschalig te laten voelen.

Het omhoog vouwen van het stedelijke landschap als sociaal-georiënteerd verticaal gebouw klinkt als een utopisch concept dat aan alle kanten botst met de urgentie van het snel bouwen van betaalbare woningen. Tijd en budget voor grootschalig locatiegebonden maatwerk dat afwijkt van de huidige bouw is er momenteel niet. Maar hoe stevig wijkt dit concept daadwerkelijk af van de economische bouwaanpak?

Om nieuwe leefconcepten tijdens de woningnoodbouw te realiseren moet dit toepasbaar gemaakt worden binnen een geïndustrialiseerde uitwerking. Het ministerie van Binnenlandse Zaken schrijft in de Nationale Woon- en Bouwagenda dat de beschikbaarheid voor passende woningen onder druk staat. De nood voor betaalbare en kwalitatieve woningen is een toenemend probleem. Er is niet genoeg aanbod dat aansluit op de verschillende levensfases en woonbehoeftes van de bevolking. Deze nieuwbouwopgave, in combinatie met de verduurzamingsopgave, legt een grote druk op de bouw. Het bouwtempo moet omhoog zodat niet nog meer mensen in de knel raken. Het op grote schaal toepassen van nieuwe leefconcepten is een tijdrovend proces waarvoor men nu niet de luxe heeft. De overheid stelt dat de stappen die gezet moeten worden om de woonvoorraad snel te kunnen verbeteren digitalisering, standaardisatie en industrialisatie betreffen.

Volgens het onderzoek ‘Versnelling en opschaling van geïndustrialiseerde nieuwe woningen’ is met name door een tekort aan bouwcapaciteit de industrialisatie van de bouw een belangrijke schakel. Een geïndustrialiseerde uitwerking van woningbouwconcepten kan namelijk een continue bouwstroom leveren die minder gehinderd wordt door personeelstekorten. Deze industrialisatie vraagt om een vastgelegde typologie waarbij een woning wordt gezien als seriematig product in plaats van een projectgebonden bouwwerk. In de lezing ‘Ruimtelijke kwaliteit bij industriële woningbouw’ door architect Thijs Asselbergs en productieleider Douwe Arjen van der Schaaf, stelt Asselbergs dat het nadeel van deze geïndustrialiseerde bouw is dat het van ons vraagt om in een vroeg stadium alles al besloten te hebben. Dit leidt tot een gestandaardiseerd systeem waardoor flexibiliteit in uitvoering verloren gaat. Hij pleit ervoor dat er één architectuurtaal moet komen binnen deze industrialisatie, waarbij uitwisselbaarheid tussen systemen een hoge aanpasbaarheid in verwerking geeft. Zo ontstaat een kwalitatief netwerk van uitwisselbare gestandaardiseerde componenten. Van der Schaaf spreekt hierbij over een menukaart van architectonische elementen die vertaald zijn naar een ontwerpmethodiek. De toepassing hiervan vraagt om een balans tussen geïndustrialiseerde standaardelementen en traditioneel vervaardigde bijzondere passtukken, wat een seriematig maatwerk creëert.

Deze menukaart van seriematig maatwerk is een stap in de kwalitatieve richting van geïndustrialiseerde woningbouw. Dit zou verder kunnen reiken dan enkel gevarieerde kopgevels, dakkapellen, et cetera. Door horizontale en verticale structuren niet als aparte bouwcategorieën te zien, kan architectuur ontstaan die zich vertaalt in een gelaagde ruimtelijke ordening. Een bouwvorm die zich uit als een heuvelachtig stedelijk landschap. De vier componenten van de laagstedelijke gebieden kunnen worden omgezet in geïndustrialiseerde elementen binnen een gestandaardiseerde constructie-raster. Een brede variatie binnen deze elementen leidt ertoe dat ieder element zijn eigen kwaliteiten en bijzonderheden kan introduceren, reikend van gevarieerde ruimtelijke elementen tot woontypologieën voor verschillende levensfases en leeftijden. Met deze uitwisselbaarheid en flexibiliteit kan een gebouw beter afgestemd worden op de unieke sociale context van de locatie en mettertijd soepeler worden aangepast voor een nieuwe functiewens.

De woningnood moet worden gezien als een kans om nieuwe ontmoetingsplekken in stedelijke gebieden te introduceren. De oplossing ligt in een geïndustrialiseerde, flexibele bouwmethode die de kwaliteiten van laagstedelijke gebieden vertaalt naar een verticale structuur. Hierbij zou een ‘menukaart’ van gestandaardiseerde componenten gebruikt kunnen worden om sociale, leefbare en mettertijd aanpasbare woonomgevingen te creëren die de openbare ruimte van de wijk op verschillende niveaus doorzetten en verbeteren. Zo wordt een verticaal laagstedelijke verdichting gecreëerd die de openbare sociale ruimte omhoog vouwt en een heuvel in het stedelijk landschap vormt. Met deze ‘menukaart’ kan het gebouw op lange termijn de mogelijkheid bieden aangepast en hergebruikt te worden voor de veranderende toekomstige behoeftes van de bevolking. Bovendien geeft dit een verdichtingsaanpak die verder kijkt dan het behalen van numerieke doelen en rekening houdt met het effect van deze cijfers op de samenleving en de sociale structuur van de stad. Men richt zich op het creëren van een sociale, leefbare omgeving waarbij menselijke behoeften, sociale interactie en de verbinding tussen bewoners en hun omgeving centraal staan. Daarnaast kan het introduceren van laagstedelijke ruimtelijke kenmerken op gebouwniveau de woontevredenheid verhogen en de sociologische problemen van de moderne stad afzwakken.

Tijd en budget hoeven geen knelpunten te zijn voor dit locatiegebonden maatwerk. Door de laagstedelijke kenmerken te vertalen in een breed geïndustrialiseerd systeem van uitwisselbare, gestandaardiseerde componenten met eigen kwaliteiten en bijzonderheden kan een continue bouwstroom van seriematige ruimtelijke elementen worden gerealiseerd. Door deze verdichtingsvorm van opgestapelde horizontaal sociale structuren in overweging te nemen kan Nederland een woningbouwstrategie ontwikkelen die niet alleen de huidige nood lenigt, maar ook toekomstige generaties dient en de sociale ervaring van de stad ten goede komt.