Deze maand

Johannes van der Sluis

Bij de tramhalte voor de kathedraal van Sevilla staat een dwerg. Rode pantalon en een T-shirt met daarop verticaal in koeienletters EXPO. Even verderop, bij de Calle Sierpes (Slangenstraat), gaat een enthousiast clubje jonge priesters op de foto met het borstbeeld van Cervantes. Ik ben naar Sevilla gevlogen, ja, net als Don Quichot op zoek naar avonturen, en waar je favoriete voetbalteam heenvliegt om wederom te verliezen, winnen dolende ridders, die ‘bij iedere stap het onmogelijke aangaan’, altijd. Don Quichot zit in mijn linnen tasje, een molensteen. Hoe licht de inhoud! Om maar te zeggen, het houdt me op de been. Cervantes begon eraan in de gevangenis van Sevilla. Over gevangenissen geproken, bij aankomst in mijn B&B: kamer zonder daglicht. ’s Nachts scharrelden hongerige gasten in de keuken. De eigenaar schreef dat een kamer aan de voorkant beschikbaar was, maar gezien de grootschalige wegwerkzaamheden zou het daar een enorm lawaai zijn. Ik gokte erop, zonder daglicht noch frisse lucht zou het avontuur sowieso vroegtijdig verwelken. Walter Benjamin meende dat een boze fee over zijn wieg iets had uitgesproken waardoor hij overal door lawaai zou worden achtervolgd. De werklui bleken rond drieën aan een siësta te beginnen die niet eindigde tot de volgende ochtend. Rond zessen: aangename, zuidelijke geluiden. Kinderen in een speeltuintje.

Ah, de Calle Sierpes, met mijn eerste vriendinnetje – we studeerden nog – er in een zomer doorheen gelopen. Haar lach stoorde me, het gebabbel. Niet trots op. Het is de zigeunerin Carmen, niet op haar mondje gevallen, die er haar mantilla op haar schouders laat zakken voor de officier die haar in het gevang dreigt te zetten. In het vliegtuig Mérimées novelle herlezen. Misschien het meest treffende verhaal over femicide? Het motto van Palladas voorspelt al weinig goeds: ‘Iedere vrouw is als gal, maar toch zijn er twee mooie momenten met haar; het ene in bed, het andere bij haar dood.’ Over Carmen schrijft Mérimée: ‘Het was een vreemde en wilde schoonheid, een gezicht dat eerst verbazing wekte, maar dat je niet kon vergeten.’ Een kort, rood rokje, schaterlachend, werkzaam in de sigarenfabriek van Sevilla, die in de negentiende eeuw een goed deel van de Europese sigarenproductie verzorgde. Het gebouw huisvest heden de universiteit. Carmen zet daar de boel op stelten en tijdens de strooptochten neemt ze geen blad voor de mond, al klinkt het liefkozend (‘Uilskuiken van een kanarie!’) In de verbeelding van haar officier, inmiddels rover, is ze de verpersoonlijking van de duivel.

The Ramones schreven ‘Loudmouth’: ‘You better shut it up / I’m gonna beat you up.’ Zo ook in Carmen. De fatale redenering: als ik haar niet mag hebben, mag niemand haar hebben. ‘Alles bood ik haar aan, als ze nog maar van me wilde houden,’ horen we in het tragische hoogtepunt. Nee, ze houdt niet meer van hem. Twee steken. Ze wist al dat het haar dood zou betekenen. ‘Met mijn mes groef ik een graf voor haar en legde haar erin,’ besluit Mérimée. Een zin van een gruwelijke schoonheid. Zakelijk, kort en bondig verteld; Larbaud merkte op dat de inwerking en uitbreiding later door de lezer zelf plaatsvindt.

De volgende, zonnige ochtend voor de voormalige sigarenfabriek. Een groepje studentes zit achter het hek op een bankje. Lachsalvo’s. Spanje – weliswaar een koploper qua desinformatie – schijnt femicide efficiënt aan te pakken. Deze maand: de ware studie vindt buiten de universiteitsmuren plaats. Houd elkaar niet gevangen, houd van elkaar. – JvdS