Wij zijn mét jou

Susanna Bloem

De tijd van de wereld is er één die aan ons voorbij stroomt. Hij brengt ons de seizoenen en het ritme van het jaar. Dat is niet de tijd waaraan we gewend zijn, waar we het meestal over hebben. Dat is de kloktijd.

Al duizenden jaren proberen mensen tijd te vangen met klokken. Van Chinese waterklokken via de slingeruurwerken van Christiaan Huygens tot en met de smartwatches van nu. Kloktijd is de tijd van je agenda, de tijd van afspraken, de tijd die je kunt meten. De tijd die letterlijk doortikt. 

In de loop van de negentiende eeuw werd die kloktijd steeds belangrijker. Daarvóór had elke plek min of meer ‘z’n eigen tijd’, was het in Deventer vijf minuten vroeger dan in Amsterdam: de stand van de zon bepaalde onze tijd en die stond in Deventer eerder op haar hoogste punt. De industriële revolutie veranderde dat. We gingen werken in fabrieken, waarin de fluit bepaalde wanneer het werk begon en eindigde. We moesten op tijd zijn en om een dienstregeling te maken voor de trein moesten we één uniforme tijd hebben. 

Met de industrie ontstonden naast natuurgeluiden, zoals het tjilpen van vogels, ook andere geluiden: de fabrieksfluit, maar ook gepuf, geratel van machines. Ik nam eens het geluid van een negentiende-eeuwse graanmolen in Midden-Duitsland op. Een nieuw ritme.

Zo klinkt een samenleving die door de klok wordt geregeerd:

*instarten geluidsfragment graanmolen*

Kloktijd is zoals gezegd een manier om te meten, om tijd te kunnen vangen in formules. In de natuurkunde gebruiken we daarvoor de letter t, en als je begint te meten dan ontstaat er een andere realiteit, één waar je iets mee moet. Die nieuwe realiteit botst met de wereldtijd. De klok is een instrument om te controleren, zowel de natuur om ons heen alsook de natuur van de mensen, de natuur in ons.

Kennen jullie dat gevoel, dat je ’s avonds in slaap wil vallen maar ergens druppelt een kraan of tikt een klok die je uit de slaap houdt? Tik maar eens met je vinger tegen je voorhoofd. Zo intens kan kloktijd voelen. Of dat je te laat bent voor een afspraak en moet stressen en daarvan een knoop in je maag krijgt of steeds sneller gaat ademen. Die kloktijd moet constant wat van jou!

*lange pauze*

Al in de negentiende eeuw zagen artsen en wetenschappers dat mensen daaronder konden lijden. In de jaren dertig van de vorige eeuw ontdekten psychiaters dat mensen ziek kunnen worden van tijd doordat ze op grote schaal écht met patiënten gingen praten, al doende de ervaring van die patiënten centraal stelden, zich daarin gingen inleven en dat voor het eerst als basis van wetenschappelijke kennis omarmden. Zo ontdekten ze de allesbepalende rol van tijdsbeleving in psychisch lijden.

En daar kwamen soms heel indrukwekkende verhalen van patiënten uit. Zo was er een vrouw in Duitsland die last had van een dwangneurose, ze tikte de hele tijd met haar voet. Waarom deed ze dat? Ze probeerde haar innerlijke tijd vooruit te bewegen. Ze had het gevoel dat ze vast zat in de tijd, dat ze niet meekon, ze zich niet kon ontwikkelen als mens in deze maatschappij. Ze voelde zich een eilandje van stilstand in een voortsnellende wereld. Met haar voet probeerde ze zichzelf vooruit te bewegen, méé met de tijd.

Door dit soort voorbeelden leerden wetenschappers en onderzoekers dat de wetenschap de totale mens uit het oog aan het verliezen was, want we hebben het tot nu toe gehad over wereldtijd en kloktijd, maar er is nog een derde vorm: de beleefde tijd. Die tijd zorgt dat je plannen kunt maken, want er is een verschil tussen iets inplannen in je agenda en wat je bij dat plan voelt. In mijn agenda staat voor vandaag: acht uur Carré. Eén simpel zinnetje maar in mijn beleefde tijd ben ik al wekenlang bezig met hoe het voelt om hier met jullie te Zijn. Dat gevoel van toekomst, en wat die toekomst mogelijk maakt, wordt ons gegeven door de levende tijd.

Wat belangrijk is: de wereldtijd gaat aan ons voorbij, dat is het verleden. De kloktijd meet de tijd en de beleefde tijd geeft ons de toekomst, hoop. Die verschillende tijdsbelevingen zijn heel belangrijk bij het doorgronden van een groot maatschappelijk probleem: één op de vier mensen krijgt te maken met psychisch leed bij zichzelf of bij een ander in de directe omgeving. Die problemen hebben voor een groot deel te maken met de manier waarop we met tijd omgaan. We doen ook allemaal dingen die daarop wijzen: we doen aan mindfulness en mediteren, we willen graag een vrij weekend en we zeggen dingen als ‘komt tijd, komt raad’ en ‘de tijd heelt alle wonden’. Die tijd die alle wonden heelt is niet kloktijd! Te veel kloktijd past niet bij ons.

We doen continu heel veel moeite om er even uit te zijn, úít de kloktijd, en in de mensentijd te komen: een vierde tijdsvorm. In de jaren dertig noemden ze dat de ‘innerlijke levensgeschiedenis’. Dat is jouw verhaal, jouw leven, wat jou maakt tot wie je bent, het leven dat je aan het leven bent. Hierin maak je betekenisvolle keuzes als: wie wordt mijn partner? Op welke manier verbind ik mijzelf met anderen en de wereld om me heen? Wat doe ik hier op aarde? Jullie hebben vast ook wel eens dit soort dingen gedacht: wie ben ik? Wat doe ik hier? Waar ga ik naartoe? Dus dit gaat ons allemaal aan. 

In mijn onderzoek werk ik met psychiatrische patiënten (‘patiënt’ in de oorspronkelijke betekenis van het woord: ‘de mens die lijdt’), ervaringsdeskundigen, wetenschappers en met componisten om te proberen de band tussen mensen en kloktijd gezonder te maken, want we hebben gemerkt dat muziek ontzettend helend kan werken. Muziek kan die frictie tussen kloktijd en de andere tijdsbelevingen overbruggen. We hebben namelijk wel woorden waarmee we heel goed over tijd kunnen praten (zoals een minuut of een halfuurtje), maar met muziek kunnen we tijd ook echt vóélen.

Ik werk op de gesloten afdeling psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht en daar schrijf ik muziek samen met patiënten. De patiënten kiezen welke klanken hen verder helpen. Ik zit dan achter een piano, speel klanken, en zij kiezen de klanken die ze nodig hebben in hun ontwikkeling.

*piano begint ‘credo’ te spelen op de achtergrond*

Hoe werkt dit?

Als wij aan patiënten vragen om achteraf terug te kijken op hun genezingsproces, dan beschrijven ze bijna allemaal een route van vastzitten in de tijd naar het krijgen van een toekomstperspectief waar ze zichzelf in kunnen zien, dat wat we hoop noemen. Nu lijkt dit een geleidelijk genezingsproces, maar niets is minder waar, dat proces is grillig, ploegen door de modder. Die ontwikkeling gaat via turning points, levensveranderende momenten, momenten waarop je in je hele Zijn wordt geraakt, waarin je je verbonden voelt als jezelf op een authentieke manier met de ander en de wereld om ons heen. Die behoefte is voor patiënten niet anders dan voor ons: samen muziek beleven, samen spannende ervaringen opdoen, samen ontregeld durven zijn. 

In die intimiteit kunnen onze verschillende tijden – wereldtijd, kloktijd, beleefde tijd en innerlijke levensgeschiedenis – samenvallen, kunnen wij de totale mens zijn die de wetenschap uit het oog is verloren toen kloktijd dominant werd.

Wat wij nu aan het ontdekken zijn, en daarom werk ik met wetenschappers, kunstenaars én patiënten, is dat we die turning points, die kantelmomenten, met kunst en muziek kunnen versnellen. Op zulke momenten staan we even helemaal in het hier en nu, in een tijdloos punt in het bestaan dat ik ‘Tussentijd’ noem.

*stilstaan en kijken*

Bovenstaande tekst kunnen we zien als het lekenpraatje van mijn proefschrift. Toen ik deze voordracht hield, in een enorme voormalige circusarena, kwam ik net uit een intensieve componeerfase op de gesloten afdelingen. Het muzikale materiaal raasde en kolkte in mij, maar was nog geen stuk. Een maand later zou ik het afschrijven in de muziekkamer van mijn kort daarvoor overleden moeder.

Het in paradisum (naar het paradijs), dat nu de werktitel ‘De Getuige’ heeft, begint heel hoog, met crisisklanken, klanken zonder lichaam, en valt van daaruit naar beneden tot het allerlaagste duister, de afgrond. Van daaruit probeert het stuk een nieuw soort menselijkheid te zoeken en omhoog te klimmen. Via noodlottige klanken komt het stuk uit bij een psychische loop (cirkelbeweging), koorzangers draaien om elkaar heen. Op een gegeven moment begint de bas deze te dragen, waarmee het hele stuk van betekenis verandert, de strijkers dragen het koor con molto amore (met veel liefde) naar het deel waar de engelen zingen en het stuk komt weer terug op aarde met een wezenlijke vraag.

In de eerste repeteersessies voor Carré had ik geen adem, één grote woordenbrij kwam eruit. De regisseur moest me herhaaldelijk vragen om even te stoppen en op adem te komen. De medeschrijvers van Universiteit van Nederland moesten alle zeilen bijzetten om mijn razernij te kanaliseren in tekst. Ik zat zélf in een loop.

Patiënten op de afdelingen praten over hun situatie en ervaringen niet in diagnostische DSM-taal, maar in termen van licht en donker, hemel en hel, engelen en demonen; heel religieuze, spirituele taal. (Trauma’s van) voorouders komen voorbij die via hun ervaring het licht zien. Dat kan verwarrend zijn, soms weet ik tijdens het componeren niet wie of wat er tegen me spreekt. Er kwam eens een patiënte bij me in de eerste dagen van haar opname, veel slijm in haar gezicht dat ze wegveegde met doekjes. Ze noemde zichzelf bij een andere naam dan haar eigen en vroeg of ik geloofde in het bovennatuurlijke. Ik zei dat ik inspiratie haalde uit de muziek, zat achter de piano, en vertelde dat we samen een stuk gingen schrijven. Ze vertelde dat ze op haar zeventiende was gestorven en schrok van haar openheid: ‘Het klopt niet, het klopt niet, ik ben er nog,’ zei ze angstig. Waarschijnlijk was ze vaak tegengesproken. Ik dacht alleen: wie of wat is er in jou gestorven op je zeventiende? Mijn hand werd, woordeloos, bewogen naar twee lage tonen op de piano en ze reageert herkennend: ‘Duister.’ Het lukt me om daar een klank tegenover te zetten en ze reageert: ‘O ja, beter.’ Die harmonie is later ‘credo’ geworden. Een credo zegt eigenlijk: ik geloof in jou. Dat geloof heeft voor het eerst publiekelijk geklonken in Carré.

Degene met wie ik dat gesprek heb gevoerd heeft het dieptepunt van de compositie bepaald: het gevoel levend te sterven. En dat geloof dat daartegenover is gezet werd de harmonie waarop alle – ik zeg echt alle! – patiënten die later bij mij zijn geweest begonnen te neuriën of zingen. Van mijn moeder, zangeres, had ik geleerd: leren zingen is leren leven, getuigen van een klein, intiem wonder.

Soms is mijn werk huilbuien begeleiden. Ik had een patiënte die in tranen uitbarstte nadat ze zei: ‘Ik hoor al dagen deze klanken, hoe kan het dat jij dit nu speelt?’ Dat was de klank op de crisisafdeling, het begin van de compositie, waarvan een andere patiënte later aangaf dat ‘de ambulance’, de crisis, zich aandient. De tonen zijn hoog, verminderde kwarten, klank zonder lichaam (met een duidelijke referentie naar de muziek van Psycho). Demonen.

Van de patiënten leer ik dat mijn werk gaat over ‘hemel op aarde’ zichtbaar maken. Die hemel is namelijk mogelijk hier. Sinds Freud vermoeden we dat hemel en hel ook psychische categorieën kunnen zijn. Er was een patiënte die over de klanken van het credo heen zong dat ze ver van de hemel was verwijderd. Dus die lieve schat keek vanaf een afstand naar de toestand waarnaar ze zo verlangde. Gelukkig zag een andere patiënte wel de engelen op de afdelingen. Het muziekstuk laat in het midden of dit de verpleging, de medicijnen of de psychosegevoeligheid is. Van Vereniging Anoiksis leerde ik: als patiënten zeggen dat ze engelen zien, dan moeten we aannemen dat ze er ook gewoon zijn.

Fenomenologie gaat over datgene laten zien wat zich toont, dat wat tevoorschijn komt, daarom neem ik de ervaringen van patiënten voor waar aan. Misschien laten de engelen zich alleen zien aan mensen die hen echt nodig hebben. Supereng natuurlijk, want ik zie ze niet, maar via de experts (want dat is wie patiënten op dat moment zijn) krijg ik de opdracht om die aanwezigheid hoor- en voelbaar te maken in een compositie die ons allemaal de weg wijst waar dit heen dient te gaan. We moeten alleen heel goed samen luisteren. En als we het over god hebben, dan speelt die zich vooral af tussen mensen, in relaties. We weten dat wat helend werkt in therapie niet specifieke handelingen zijn, maar de kwaliteit van de relatie is.

In plaats van fundamenteel onderzoek spreek ik liever over wezenlijk onderzoek. Met de patiënten onderzoeken we op welke manier de mens wordt, dat wat er zich in ons aan het voltrekken is en dat wat er via ons handelen kan ontstaan. De gezamenlijke componeersessies zijn kraakhelder, overstijgen de tijd, na een uur zijn we allemaal doodmoe (en voldaan). Eeuwigheidservaringen komen kennelijk tot stand in heel intieme situaties; als het trauma van een patiënte mijn arm kan bewegen naar waar de muziek moet klinken, dan staan wij diep met elkaar in verbinding – zonder woorden. Blijkbaar resoneert haar pijn met mijn lichaam en voelt dat intuïtief aan waar deze moet zijn. Eeuwigheid dus niet in de zin van een heel lange periode (kloktijd), maar in de zin van extase, groter dan het individu, groter dan jij en ik samen.

De laatste componeersessie op A3 (zorglijn diagnostiek en vroege psychose) was óók hilarisch. Daar zaten we dan, zeven knettergekkies bij elkaar, van wie eentje achter de piano (ikzelf), onder toeziend oog van een lachende zuster. Ik dacht aan het advies van mijn tante, een Roald Dahl-achtige, ooit leerling-verpleegster en geestelijk verzorgster in een streekziekenhuis, nu sigaren rokende dominee die het liefst oranje draagt: ‘Los het op met humor.’ Een explosie van gelach en plezier rondom de piano! Eén van de patiëntes schreef de woorden: ‘Eenzaamheid, angst, duister, hulp, bevrijding, licht aan ’t einde van de tunnel.’ Waarop een ander riep: ‘Interstellar!’ Zij weer: ‘Terug gevangen in emoties van angst, medicatie en regels’, ‘bureaucratie’, ‘hard werken naar het paradijs.’ Weer een ander riep: ‘Beautiful paradise, locked in this ward, locked in my feelings again!’ De volgende reageerde: ‘Pompeï! Tabak!’ De meest wijze van de groep preekte: ‘Mooie mensen, aardige mensen, mooie aarde, aarde sterk maken, wij zijn koningen van de wereld, verschillende mensen maar wel samen.’

De patiënte van de bureaucratie en regels werd tegen haar zin weggeroepen door de verpleging voor een afspraak. Ze werd opstandig en riep: ‘Nee, ik blijf hier componeren!’ Ik kon niet samen met haar in opstand komen tegen de verpleegkundigen, maar stiekem maakte mijn hart wel een sprongetje, want een daad van verzet is een autonome keuze: ik wil hier zijn en dit meemaken. Ik heb haar beloofd te blijven wachten tot ze weer terug was.

De opstandige patiënte heeft uiteindelijk besloten dat de bas het koor omhoog moest dragen, uit de loop. Hierdoor kreeg de duistere diepte een andere betekenis; die diepte, de afgrond, kan dus ook gaan dragen. Een verpleegkundige voegde later eraan toe dat dit vaak gepaard gaat met veel ‘ingehouden woede’. Traumatische ervaringen (in de beleefde tijd) kunnen later een kader gaan vormen voor het leven (in de wereldtijd) en als ze eenmaal in je geschiedenis zijn geïntegreerd, als je ze kunt zien als ervaringen die je maken tot wie je bent, dan kun je ze zelfs ten dienste stellen van het helingsproces van een ander.

Ik denk niet dat het toeval is dat de ik dragende baspartij waar de patiënte zo’n behoefte aan had later zélf ben tegengekomen in de circusarena. Een bassist (met vriendin die in de psychiatrie werkt) daagde me uit om stil te worden. Nadat alles was uitgesproken kwam ik tot een van de kwetsbaarste momenten in mijn loopbaan. Ik stond stil, voor een enorme koker aan mensen, achter me klonk het credo, ‘ik geloof in jou’ speelde de pianist, ik keek het publiek aan, zweeg, en werd een klein meisje op zoek naar haar overleden moeder in het publiek. Alles wat daarvoor nodig was, waren de woorden: ‘Wij zijn met jou.’ De vier musici werden mijn steunpilaren, alleen maar door er te Zijn.

De opstandelingspatiënte besloot dat er geneuried moest worden, dus niet alleen gezongen tekst, en dat het stuk, na de noot die ‘hoopvol onvoorspelbaar’ klinkt, aldus een eerdere patiënte, eindigt met de vraag: ‘Zijn wij hier thuis?’

De voordracht in Carré te Amsterdam vond plaats op 28 oktober 2024 ter ere van het tienjarig bestaan van Universiteit van Nederland. Veel dank voor de draagkracht aan meeschrijvers Tuur Verdonck en Merijn Doggen, regisseur Christiaan Mooij, bandleider en bassist Xander Vrienten, plus band: Willem van der Krabben (slagwerk), Azim Inami (gitaar) met in het bijzonder pianist Timothy Banchet.