Deze maand

Johannes van der Sluis

Op een middag in Sevilla had ik een meisje zien lopen in een T-shirt met op de achterkant ‘God is so much bigger…’, daaronder onder andere ‘than your pain’. De rest waar God boven uittorent? Helaas niet kunnen lezen. Is God dus ook groter dan de pijn van anderen? Vóór El Corte Inglés, een warenhuis, op weg naar het treinstation van Sevilla, staat een man met een donkerbruine paardendeken – oranje, witte en lichtbruine strepen – over zijn hoofd en wikkelt zichzelf er herhaaldelijk in. Korte bruine Spaanse broek, een lichtblauw matje op de grond. Onduidelijk of hij een act opvoert of dat er sprake is van onbegrepen gedrag (voorheen: verwardheid). Er blijkt enkel een busverbinding naar Ronda te zijn: weer terug verplaatsen naar de andere kant van de stad. God is so much bigger… en in het busstation staat boven de deur naar de heerlijke restauratie: REIZEN IS MIJN BESTE THERAPIE. Ik zet me er aan de laatste correcties van mijn roman. Eerder had ik mijn uitgever, Jurgen, al laten weten dat hij me nog ging vermoorden. In de bus: wederom correcties. Betekenisvolle details.

In Ronda aangekomen ontwaar ik rijschool Rilke (in het Nederlands allitereert het ook nog eens lekker). In Leeuwarden zou je ook rijschool Slauerhoff aan kunnen treffen – in theorie. Op de Plaza del Socorro staat de kiosk ONCE. Daarin zit een man met zonnebril, hij verkoopt loten. Het hokje is versierd met braille-stippen. Ach, was ik maar blind voor al mijn fouten! De kamer en het aangrenzende terras van het pension kijken uit op de iconische brug. Elk jaar met Pasen gooien ze er een bokje in een zak vanaf: de zondebok. Even denk ik aan de man voor het warenhuis in Sevilla. Ik mail tot laat met mijn uitgever, de volgende ochtend schrijft hij: ‘Hier worden we gek van.’ Ik wil hem antwoorden dat hij me in een metaforische zak van een hoge brug moet werpen, en ik denk aan die lieve Gerard van Emmerik, voorzitter van de redactieraad, die op het laatst ook nog zoveel correcties had van zijn formidabele, tedere roman Jij blijft. Wellicht is de roman an sich op te vatten als één grote correctie, althans een poging.

De volgende ochtend naar mijn favoriete plek, achter de witgepleisterde stierenvechtarena: Paseo de Orson Welles, een laantje met uitzicht op de robuuste bergen. Hier en daar stijgen rookpluimpjes op, alsof er rookoffers plaatsvinden. Een saxofonist met een speakerinstallatie, bevestigd door een gele en roze stang aan een karretje, daarop een kleedje met gele en oranje bloemen. Roze cap, geel T-shirt onder een blauwgeruite fleece, legerbroek en sportieve blauwe schoenen. Naast de geluidsinstallatie: een stoeltje en een hoger karretje met dito kleedje en saxofoondoos. Details? Hij is warm aan het blazen. Even verderop het parkje, een variëteit aan boomsoorten, fonteintjes, oude mannen met pet en wandelstok op een bankje. Betegelde vloer, oude lantaarns aan weerszijden. Een bankje in de zon. Sigaartje. Een groep toeristen: het mag. De saxofonist is inmiddels aan het swingen op ‘Killing Me Softly’, af en toe zijn toeter gericht tot de bergen, en leunend tegen het paradijs schrijf ik mijn uitgever: ‘Het gek worden moet je aan mij overlaten.’

Deze maand iedereen ongelukkig? Na correctiefases van eerdere boeken ingestort – net als Hans Fallada. Nu enkel siësta, getokkel vanaf de brug. Laten wij de Keulenaren, uit de stad van mijn vader, nazeggen: ‘Et hätt noch immer jot jejange.’ Let op de namen van spelers én trainers: puur geluk. – JvdS