Deze maand

Dit was nu wat men noemt een interessante maand, vooral omdat de werkelijkheid nog onbegrijpelijker leek dan normaal al het geval is. Het was immers tamelijk raadselachtig wat wij meemaakten. Was de brexit nu de uitkomst van een botsing tussen een romantisch geloof in de zegeningen van de natiestaat enerzijds en een romantisch geloof in de zegeningen van supranationale integratie anderzijds? Of ging het om een uitwas van het internet-tijdperk waarin men consequentieloos online ‘polls’ invult (‘Moet Nederland altijd winnen? – Klik JA)? Betrof het een middelvinger naar de grote coalitie van het Britse establishment (van de conservatieve premier tot negentig procent van de Labour-parlementariërs, van Goldman Sachs tot alle vakbonden), in de verwachting dat men net als na een scheldpartij op twitter excuses kan aanbieding en er niet echt iets gebeurt? Of ging het om een weerslag van de maatschappelijke scheuring in de hele westerse wereld (70 procent van universitair geschoolden was tegen de brexit, 70 procent van de geschoolde arbeiders voor)? Had de EU een gok genomen door de Britten bij de recente heronderhandeling slechts een schamel resultaat te gunnen, vanuit de bluf dat niemand dapper of dwaas genoeg is uit de boot te stappen? Of draaide alles toch om migratie, dan wel de Europese regelgeving waardoor Oost-Europeanen zich ongehinderd in Engeland kunnen vestigen, maar inwoners van Gemenebestlanden niet?

Het was waarschijnlijk een onontwarbare cocktail van dit alles en nog veel meer. In elk geval lijkt het simplistisch om de situatie te zien als een schisma tussen populisten die in het verleden blijven hangen en kosmopolieten die de moderne tijd begrijpen, al was het maar omdat de slachtoffers van globalisering ook een eigentijds verschijnsel zijn. Veel positiever is het om de brexit te gebruiken om de vragen onder ogen te zien die de historicus Tony Judt – voorstander van Europese integratie – al in 1998 formuleerde. Bijvoorbeeld de vraag of in het huidige ‘Europa’ niet op fatale wijze ‘territorialiteit’ en ‘idee’ (van een vredelievende, welvarende, internationale gemeenschap) dooreen lopen. Of de vraag of het ‘Europa van de Geest’ (mensenrechten, vrij verkeer van ideeën en personen, en vanzelfsprekende samenwerking, welvaart en eenheid) nog wel past op het reëel gecreëerde ‘Europa’ van zeer diverse delen met zeer diverse belangen. Dan wel de vraag waar ‘Europa’ begint en eindigt – dit is geen flauwe retoriek: ‘Europa’ is immers een culturele en politieke ‘uitvinding’ die door de eeuwen heen danig is veranderd, en nog steeds verandert. Zo was het concept van een ‘verenigd en vernieuwd’ Europa ooit vooral een ideaal van fascistische partijen en bleef na de oorlog dan ook lange tijd danig besmet.

Duidelijk lijkt wel dat de idee van een ‘Europese lotsbestemming’ nogal onhoudbaar is en vooral doet denken aan de woorden van de Franse president Mitterrand: elke poging Europa verder te voeren, kan alleen slagen ten koste van alles wat is bereikt. Toch kan de brexit iets aardigs doen opbloeien: bij­voorbeeld het Europese gevoel voor paradoxen. Zoals de paradox dat Europa zeker meer is dan louter een aardrijkskundig begrip, maar zeker ook minder dan een antwoord op al de vraagstukken waarmee Europeanen worstelen. – BB