Ik kan alles uitleggen

door Thomas Heerma van Voss

Er was niets veranderd. Dezelfde versleten stoelen in de ontvangsthal, hetzelfde vale bordje dat roken verbiedt. Ik legde mijn hand op de scanner, het poortje ging open en ik mocht de productiehal in. De twee bewakers achter het glas knikten me toe. Goedemorgen, mompelde de dunste. Hij opende een luik, reikte me een werkpak aan. Hé, was jij hier niet net al?

U moet weten, edelachtbare, even had ik toen de neiging om de situatie uit te leggen, maar ik lachte hem toe, schudde mijn hoofd en liep de kou en de vleesgeur tegemoet.

In de kleedruimte stopte ik mijn kleren in een kluis en trok ik mijn werkpak aan. Ik had een jas gekregen met wijde armen, de broek was uitgelubberd door de talloze lichamen die het voor mij hadden gedragen.

Een tijdje keek ik naar mezelf in de centrale spiegel. De standaardkleding, bijna doorzichtig van de vele wasbeurten, het belachelijke haarnetje op mijn hoofd. Ik vroeg me af wat anderen zouden zien. Of ze zouden zien dat ik veranderd was, of ze überhaupt door zouden hebben dat ik het was.

Ik liep de productiehal in, een bedompte ruimte zonder ramen. Een paar oud-collega’s groetten me nonchalant, alsof ik alleen een blokje om had gemaakt en niet drie maanden daarvoor ontslag had genomen. Ik stapte haastig verder, langs de koelcellen en containers met kruiden en smaakversterkers, langs de eeuwig dreunende machines.

De vertrouwde, weeïge vleesgeur werd steeds dominanter. Heel even voelde ik misselijkheid opkomen, het soort steken dat ik had toen ik hier net werkte. Maar die dag dwong ik mezelf om niets te laten merken. Geen rare gezichten trekken. Niet mijn neus dichtknijpen. Niet vertragen, gewoon doorlopen.

De productiehal leek groter geworden sinds mijn vertrek. Meer machines, meer halflege pallets met onverwerkte hompen vlees. Er werkten ook meer mensen dan vroeger, de meeste had ik nooit eerder gezien. Jongens die sjouwden met vlees en verpakkingsmateriaal, of zwijgend orders aanhoorden.

Niemand besteedde aandacht aan mij. Ik had nog uren kunnen rondlopen zonder dat iemand het had opgemerkt. Er was niets aan de hand geweest, edelachtbare, als hij niet in mijn leven was opgedoken.

Het scheen dat hij er hetzelfde uit zag als ik. Zo veel mensen hadden dat tegen me gezegd. En hij bleek uitgerekend hier te werken, op dezelfde plek als ik vroeger deed. Eerst dacht ik dat iedereen hem daarom met mij verwarde, totdat ook mensen die niets met de fabriek te maken hebben over hem en onze gelijkenissen begonnen. Vroegere studiegenoten, een caissière van de supermarkt – en Luisa natuurlijk.

Milan. Zijn naam werd me het eerst verteld door een vroegere buurjongen. Hij sprak op samenzweerderige toon, net of hij een geheim onthulde, maar ik haalde mijn schouders op. Ik begreep meteen: hier moest ik geen aandacht aan besteden. Eén exemplaar van mezelf leek me eerder te veel dan te weinig.

lees meer in het nieuwe nummer