Gered door de vreemdeling

door Inge Schilperoord

‘Ik deed een stap, 1 stap naar voren. En ditmaal, zonder op te staan, trok de Arabier zijn mes, dat hij me liet zien in de zon. Het licht spatte van het staal en het was of een lang, glinsterend lemmet mijn hoofd raakte. Tegelijk droop een straaltje zweet dat zich had opgehoopt in mijn wenkbrauwen op mijn wimpers, en bedekte die met een lauw en dicht waas. Mijn ogen waren verblind achter dat scherm van tranen en zout. Ik voelde alleen nog de bekkenslag van de zon op mijn gezicht…’

ALBERT CAMUS, De vreemdeling

Dit is een passage uit het belangrijkste boek dat ik ken. Het boek dat mijn leven heeft gered. Al drie keer. De eerste keer dat dit boek mijn leven redde, was ik zeventien.

Niet lang geleden werd ik geïnterviewd door een man met een zacht gezicht en een dito stem. Hij vroeg of ik altijd al schrijver had willen worden. Hoe het was begonnen.

Gek genoeg was deze clichévraag me nog niet eerder gesteld. Gelukkig. Want hoe antwoord je daarop zonder zelf te vervallen in een moeras van gemeenplaatsen? Ik stamelde. En zei niet meer dan wat algemeenheden. Ja, jazeker, natuurlijk, altijd al, ja, wat anders? Er was niets anders dan… dat. Maar ja, schrijven… ik wist heel lang niet hoe en misschien weet ik dat nog steeds niet, want het is nooit echt precies wat het moet zijn Maar op een bepaalde manier ook wel en…

Ik viel stil. Ik kon niet antwoorden zonder in het moeras te blijven spartelen.

Na dagen, of wellicht weken, waarin de vraag tussen de wanden van mijn hoofd was blijven echoën, typte ik plots op een late, vermoeide avond een stukje tekst op mijn laptop. Het was een poging alsnog antwoord te geven. Misschien niet op die vraag, maar aan die ene herinnering. Dat beeld van toen, zeventien jaar oud, hoe dat voelde. Dat gekooide iets in mij dat aan de tralies rammelde.

Nu ik het stukje teruglees, vraag ik me af of het is gelukt de afstand naar toen te overbruggen. Toen ik het tikte, dacht ik van wel, nu weet ik het niet meer. Misschien toch ook niet, niet helemaal althans, niet echt precies, of… Kom, ik schaam mij niet, dit is het:

‘Moeizaam kwam het meisje dat niet meer wilde eten aanfietsen. De weg was lang en donker, en aan de rechterkant gleed de sloot voorbij. Ze fietste met voorovergebogen lichaam. Aan de ene kant bungelde een halflege schooltas aan het stuur, aan de andere kant omklemde haar hand een veel te vol geladen zak met bibliotheekboeken.

Zo zwoegde ze tegen regenvlagen, die ze al tijdens het laatste lesuur tegen het schoolraam had zien spuwen. Bij elke kronkeling in de weg, zelfs de lichtste, zwiepte de tas met boeken tegen het voorwiel, alsof die zich tussen de spaken door wilde wringen. Maar het weer deerde haar niet. Er lonkte iets veel belangrijkers. Ze zag zichzelf al voor zich, zo dadelijk, in haar kamer; deur op slot, de boeken een voor een uit haar tas tillend, uitstallend op bed. Ze zou ze voorzichtig openklappen, heel voorzichtig, om niets te beschadigen. De pagina’s zou ze secuur met beide handen gladstrijken, en ze zou goed kijken of er geen waterdruppels in het papier waren getrokken. Eventueel zou ze de verwarming wat hoger draaien, waarna haar moeder dan zou mopperen dat ze niet zo kouwelijk zou zijn als ze normaal met haar en papa mee zou eten.