Deze maand

door Margriet de Koning Gans

Amos Oz verzuchtte in 2018 aan het einde van een interview: ‘De grootste gemene deler van simplistisch rechts en naïef links, is dat de politiek en de media branches dreigen te worden van de amusementsindustrie. De problemen lijken lachertjes. De oplossingen sms’jes.’ Die ontwikkeling – geschetst in Wat is een appel? uit 2019 – beschouwde Oz als ‘een infantilisering van de mensheid’.

Oz bestempelt literatuur niet tot panacee tegen die kinderachtigheid. Eerder heeft hij gesteld dat literatuur alleen belang geniet in revolutionaire tijden. Dan hebben mensen behoefte aan schrijvers die hun gevoelens meeslepend verwoorden en die het volk kunnen bezielen. Na de revolutie is het niet meer belangrijk wat schrijvers zeggen, daarna verliest de literatuur haar glans. Wat overblijft is het ritueel – zoals de poppenkast van het Nederlandse Boekenbal – dat zich steeds minder kan beroepen op betekenis.

Terugkijkend op zijn leven constateert Amos Oz dat hij zich veelvuldig en intensief met de nationale politiek heeft bemoeid, vooral sinds de Eerste Intifada (1987-1993), maar dat zijn politieke geschriften noch romans ooit in enige mate de politieke koers van Israël hebben beïnvloed. Dat diverse premiers Oz hebben geraadpleegd over diens visie op de Palestijnse kwestie, heeft naar het idee van de schrijver ook geen enkel effect gesorteerd. Zijn teleurstelling is dan ook groot.

Ik denk dat Oz te veel politieke macht toeschreef aan de literatuur en vergat dat die niet het nationale beleid kan sturen, maar dat ze niettemin bestaansrecht en waarde geniet. Immers, Oz’s romans hebben hun weg gevonden over de hele wereld omdat hij de morele dilemma’s, die in Israël uitvergroot lijken, met grote verbeeldingskracht wist op te voeren als een toetssteen voor de standpunten van lezers.

Oz behoorde tot de Israëlische ‘duiven’, die vreedzame samenleving met de Palestijnen voorstaan. Vooralsnog hebben in Israël de ‘haviken’ het voor het zeggen. Dat betekent niet dat Oz’s vredelievende landgenoten voorgoed het onderspit hebben gedolven, maar dat ze nolens volens berusten in de verharding totdat iets de politici en kiezers tot een andere koers dwingt. (Tegelijkertijd: zoals het land onder premier Netanyahu er nu voor staat, is de kans groot dat die verstoktheid eerst verergert alvorens te verbeteren.) Is het mogelijk dat de literatuur een omslagpunt, waarop zo een langdurige koerswijziging volgt, bewerkstelligt? Uiteindelijk dacht Oz van niet. Literatuur kan echter meer dan louter lezers sterken in hun simplistische of naïeve overtuigingen, want romans als die van Oz kunnen mensen tot nieuwe – soms zelfs tegenovergestelde – inzichten brengen. Weliswaar is dat niet te vertalen naar politieke slagkracht, maar het is evengoed een waardevol resultaat.

Kolonialisme en onderdrukking staan haaks op respect en compassie. Maar het is als met yin en yang: elke tijd draagt de kiem in zich van het tegendeel. Literatuur kan die kiem zichtbaar maken en soms, misschien, laten groeien. ‘Literatuur’, heb ik op een buitengewoon duurzame tas van een Duitse boekhandel staan, ‘is het geheugen der mensheid’. Zo is literatuur ook een baken voor de hoop dat de mensheid niet aan haar eigen infantiliteit ten onder gaat.