Voor de rode vogel, die buiten de witte jurk zong
en van wie ze de vleugels braken als straf.
Op een zomervakantiedag in mijn tienerjaren verliet Izzat Bata zijn huis en kwam vóór de ochtendoproep voor het gebed, rond vier uur ’s ochtends, naar mijn huis. De dorpelingen hadden hem de bijnaam ‘Bata’ gegeven, omdat zijn lelijke gezicht leek op een versleten schoen. Tot ieders verbazing vond Izzat die bijnaam mooi; hij vond dat het hem iets bijzonders, zelfs iets statigs gaf.
Hij stond voor mijn deur en riep mijn naam zo luid dat de hele buurt wakker werd. Toen ik naar buiten wilde gaan, zei mijn moeder: ‘Pas op voor die jongen, hij steelt zelfs de kohl van je ogen.’
Ik antwoordde dat we niets hadden om te stelen, behalve een hoop mest voor het huis. Mijn nachtjellaba was één van de weinige bezittingen die hij ons na zijn dood had nagelaten. Maar mijn moeder had misschien gelijk, alleen al in de afgelopen zes maanden had Izzat de offerkist uit de moskee gestolen, de kleren van de imam en een paar houten planken uit de binnenplaats. Misschien gaf hij daarmee zijn eigen draai aan het gezegde: ‘Geef aan de keizer wat des keizers is en wat van God is, geef aan Izzat Bata.’
Buitengekomen zag ik hem de slaap uit zijn ogen wrijven. Hij wilde die waarschijnlijk bij de kranen van de moskee wegspoelen. Ik aarzelde even om hem een goedemorgen te wensen, maar overwon mijn ergernis en zei: ‘Goedemorgen, Izzat. Wat doe je hier nu al? We hadden toch pas na het ochtendgebed afgesproken?’
Hij antwoordde: ‘Ik dacht dat het mooi zou zijn om samen naar de moskee te gaan.’
Mijn moeder, die wist dat ik liever doorsliep, riep vanuit binnen: ‘Vraag God in je gebed om gezondheid en brood op de plank!’
Haar stem liet me geen uitweg. Ik trok een andere jellaba aan en ging met Izzat Bata mee, zonder een woord tegen hem te zeggen, uit pure irritatie.
In de moskee baden ook Basem en Harbi met ons mee. Basem was mijn schoolgenoot en beste vriend. Het samenwerken met hem op een zonnige, zware dag maakte de lichamelijke vermoeidheid draaglijker. Harbi daarentegen was in de zestig en had veel kinderen, onder wie een dochter van mijn leeftijd.
Nadat we klaar waren met bidden, zagen we voor de moskee Hafez staan, onze baas. Hij was de handelaar van het dorp die gewassen van de boeren kocht zoals granen, aardappelen en maïs. Harbi mompelde achter me: ‘De ongelovige bidt niet.’
Hafez had een bijzondere waardering voor Basem en mij, omdat we tot de weinige geschoolden in het dorp hoorden en vanzelfsprekend beschouwde hij zichzelf als het hoofd van die groep. Hij zei altijd: ‘Onderwijs is de sleutel van het verstand. Helaas heb ik mijn bachelor in handel niet kunnen afmaken door moeilijke omstandigheden, maar ik kan wél zeggen dat mijn rekenvaardigheid die van de directeur van het IMF overtreft.’
Mijn gedachten dwaalden af, ik probeerde te begrijpen waarom Hafez zichzelf met de directeur van het IMF vergeleek, maar Hafez begroette ons al snel met zijn bevelende woorden: ‘Goedemorgen mannen.’
Iedereen antwoordde: ‘Goedemorgen baas.’
Hafez sommeerde ons: ‘Zoals we gisteren hebben afgesproken, zal jullie team de aardappeloogst van de akker van Azzouz al-Suhayti klaarmaken en inpakken. Jullie nemen de auto en nemen het benodigde gereedschap mee. Wees goed op je hoede, want als Azzouz de kans krijgt, doet hij modder in de zakken in plaats van aardappelen. Die vent is een schoft en ik ken hem goed!’
‘Maak je geen zorgen baas,’ antwoordde Harbi enthousiast.
We liepen naar de auto, maar hij riep me terug. Ik liep naar hem toe en hij zei me met klem: ‘Let goed op, Tifa, houd iedereen in de gaten. Ik kan Harbi en Izzat Bata niet net zo vertrouwen als jou en Basem.’
We gingen naar het veld aan één van de oevers van de Nijl, nog vóór de eerste zonnestralen de vochtige klei beroerden. Het veld leek op een bijenkorf.
Azzouz hield een ploeg vast die door twee muildieren werd getrokken.
De ploeg sneed door de aarde en erachter barstte de grond open en legde de glanzende, grote witte aardappelen bloot.
Veel meisjes verzamelden de aardappelen in rijen en veegden de aarde ervan af, onderwijl giechelend met elkaar. De dauw stond op hun halzen en gleed over hun warme lichamen. Het gaf hun een gevoel van hoop, een roes, die hun het besef van tijd deed verliezen, tot Azzouz’ ruwe stem klonk: ‘Schiet op, meisjes!’
In het dorp moesten alle jongens en meisjes werken voor een paar magere ponden om hun arme gezinnen te helpen. Wij waren intussen bezig een strategische plek aan de rand van het veld in te richten, waar we de oogst zouden verzamelen en verpakken. Ik was intens gelukkig, want mijn geliefde, Nadia, werkte mee in het veld. Hoe mooi was het dat Nadia mij in een positie van gezag kon zien!
Nadat Azzouz klaar was met ploegen en alle aardappelen boven de grond lagen, begon de mist langzaam op te trekken bij het naderen van de zon. Bij de eerste weerkaatsing van het zonlicht op de aarde lagen de rijen glanzende aardappelen als gouden vlechten die de ogen verblindden en een glimlach van verwondering op onze lippen achterlieten. Voordat we weer aan het werk gingen, hield iedereen even pauze om te ontbijten.
Iedereen hielp mee met het klaarmaken van het ontbijt. Nadia was samen met Mona, het doofstomme meisje, die een aardewerken pot op haar hoofd droeg. Ze liepen naar de waterpomp, door een veld vol bananenbomen. Ondertussen stookte Izzat Bata met wat stukken hout het vuur aan om thee te zetten, terwijl de vrouw van Azzouz heerlijke schotels bereidde met kaas, ingemaakte groenten en verse kruiden.
Wij mannen aten aan de ene kant, de vrouwen aan de andere kant. We dronken thee, die de laatste resten van de slaap uit onze ogen verdreef en daarna gingen we weer aan het werk.
Maar bij onze terugkeer waren de zonnestralen niet langer zacht en verlegen zoals in de vroege ochtend, ze waren veranderd in een boze Afrikaanse draak, die de aardappelen op het veld leek te willen roosteren. Ik trok mijn jellaba omhoog en knoopte hem stevig om mijn middel, waardoor mijn knielange onderbroek zichtbaar werd.
De taak van de meisjes was om de aardappelen van het veld te halen en te verzamelen in leren manden, terwijl onze taak bestond uit het legen van die manden in de zakken en ervoor zorgen dat de aardappelen volledig schoon waren. Dat betekende dat we rotte aardappelen, te kleine exemplaren of exemplaren die in tweeën waren gesneden eruit moesten halen en weggooien.
Ik stond bekend om mijn strengheid en eerlijkheid in het werk. Iets waar Azzouz, de eigenaar van het veld, helemaal niet blij mee was. Hij hoopte dat ik wat toegeeflijker zou zijn en de ongeschikte aardappelen toch door zou laten gaan zodat het gewicht van de oogst steeg en daarmee ook het bedrag dat hij van Hafez zou ontvangen.
Bij het zien van mijn koppigheid kwam Azzouz snel naar me toe en stopte wat bankbiljetten in mijn zak, wat als gewoonte gold. Met gemaakte vriendelijkheid zei hij: ‘Dit is jouw fooi en die van je collega’s. Een fijne dag, meneer Tifa!’
Harbi keek me glimlachend aan met zijn gele, lelijke tanden zichtbaar onder zijn dikke, goudkleurige snor. Met één oog dichtgeknepen zei hij: ‘Doe niet zo streng, Tifa. Azzouz heeft ons allemaal beloond.’
We gingen voort met werken, vol energie, en telkens als Nadia kwam om de mand te legen deed ik expres wat langzamer, om haar een paar seconden langer bij me te houden. Intussen koos ik de rotte aardappelen eruit met een strakke, serieuze blik, zodat Harbi geen vermoeden kreeg van de band die ons verbond.
Wat me opviel waren de lachsalvo’s van de andere meisjes telkens als ze naar me toe kwamen om hun manden te legen. Ze wierpen me een blik toe en barstten dan in lachen uit! Terwijl Harbi even wegliep om een paar lege zakken te halen greep ik mijn kans en vroeg Nadia: ‘Waarom lachen de meisjes toch, Nadia, telkens als ze in mijn buurt zijn?’
Ze glimlachte en antwoordde: ‘Omdat je benen zo dun zijn, Tifa.’
Ik zuchtte om mijn slechte geluk, dat ik verkering had met een meisje dat me vergeleek met een koeherderreiger. Meteen maakte ik de knoop van mijn jellaba los en liet hem omlaag vallen, zodat hij mijn heupen verborg – heupen die niet op die van echte mannen leken. In stilte was ik Nadia dankbaar om haar eerlijkheid.
De waarheid was dat Nadia in veel opzichten bij me paste. Ze was net zo lui als ik, van gemiddelde schoonheid, zwak van wil en energie en tenger van lichaamsbouw.
Zonder mijn eerlijkheid zou Hafez me nooit in dienst hebben gehouden. En zonder de kracht en het postuur van Harbi naast me zou ik geen gevulde zak aardappelen ook maar een millimeter hebben kunnen verplaatsen.
In tegenstelling tot Nadia was Mona, het doofstomme meisje, de prinses van het veld en het meest begeerde meisje onder de jongens. Als ze bij Izzat Bata in de buurt kwam, stak hij zijn tong uit als een pitbull. Mona was doof en stom geboren en ging nooit naar school, meisjes met een handicap kregen geen onderwijs. Haar gebrek aan scholing had haar niet geïsoleerd, Mona had een aangeboren talent om te communiceren en de aandacht te trekken. Ze stond bekend als het meest energieke meisje van het dorp. Ze was heel actief, zowel in het huishouden als op het veld, waardoor iedereen ernaar streefde om haar in te huren. Ze deed het werk van twee meisjes.
We waren samen opgegroeid in de buurt, wat een band van broederschap en wederzijds respect schiep, zonder dat we ooit woorden nodig hadden om dit uit te drukken. Toch werd die band verstoord, telkens wanneer haar borsten groeiden, en ze raakte nog verder van me verwijderd bij het verschijnen van een nieuw haartje in mijn baard.
Mona droeg een witte jellaba met mooie rode vogeltjes erop. Het leek alsof ze zelf één van die vogeltjes was die opsteeg en een lichaam aannam dat de duivel jaloers zou maken op Gods schepping. Ze liep als een jong veulen, alleen fluitend buiten de kudde, terwijl ze hoopte dat het gras haar voeten zou raken.
Ik merkte haar taille niet op onder de opstandige borsten, die trots waren op zichzelf. Haar huid was fris en weerstond de zonnestralen. En haar ogen, omlijnd met faraonische kohl, deden iedereen die ze aankeek gehoorzamen.
In het begin leegde Mona de aardappelen die ze had verzameld bij Izzat Bata, maar het leek alsof ze bang was voor zijn blik, dus leegde ze haar mand bij mij.
Ik zag dat Harbi haar ongepast aankeek en haar dicht naderde om het bovenste deel van haar borsten te kunnen zien. Hij durfde haar te plagen door lachend een kleine aardappel op haar borst te gooien. Mona reageerde onmiddellijk, ze pakte een grote aardappel en dreigde die naar zijn gezicht te gooien. Harbi lachte nu niet langer, en ik zag hoe zijn gezicht rood werd en zijn blik duister, wat me bezorgd maakte.
We waren bijna klaar met het werk en ik wilde dat het snel voorbij was. Harbi raakte Mona aan, terwijl ze haar mand leegde. Ze liet de mand vallen, deed een stap achteruit en viel hem aan, waarbij ze hem krachtig op zijn gezicht sloeg. De klap deed zijn trots wankelen, hij greep haar haar en hief zijn hand om haar te slaan, maar ik reageerde snel en pakte zijn hand vast, waardoor ik zijn beweging vertraagde, totdat Basem en Izzat Bata arriveerden en mij hielpen om Mona uit zijn greep te bevrijden.
Iedereen in het veld kwam kijken, Mona trok zich aan de kant terug, hevig huilend. Nadia probeerde haar te kalmeren.
Harbi zei: ‘Het vuile meisje beschuldigt mij onterecht, terwijl ik een gezin heb en mijn dochters ouder zijn dan zij.’
Azzouz en vele anderen in het veld toonden hun medeleven aan Harbi, terwijl Mona de blikken van de meisjes trotseerde, die haar beschuldigden van aandacht trekken.
Ik haalde opgelucht adem toen het werk bijna voorbij was, alleen het middageten en het wegen van de oogst door Hafez stonden nog op het programma.
Izzat Bata stak het vuur aan, terwijl de vrouw van het veld de schalen met eten onder de schaduw van de grote moerbeiboom zette.
Basem kwam naar me toe en vroeg wat er was gebeurd. Ik vertelde hem over mijn gevoel van machteloosheid en schaamte, omdat ik Mona niet had kunnen beschermen. Op dat moment liep Mona door het bananenveld naar de waterpomp om drinkwater te halen. Ik merkte op dat Harbi afwezig was, dus vroeg ik Basem waar hij was. Hij ontkende iets te weten. Ik vroeg het aan Izzat Bata, hij vertelde me dat hij hem het bananenveld in had zien gaan om te plassen.
Ik gebood Basem me te volgen en we doken het bananenveld in. Ik rende tussen de bomen, met Basem vlak achter me.
Mona’s ingehouden kreten, Harbi een geluid makend als een wild zwijn.
‘Afblijven, klootzak!’ schreeuwde ik.
Harbi draaide zich naar me om en nog voordat hij op zijn voeten stond, pakte ik een aardewerken pot en sloeg hem er krachtig mee in het gezicht. Harbi viel, bloed stroomde over zijn gezicht en de pot viel in scherven uiteen. Ik liet Harbi wegrennen en ging naar Mona, die in haar eigen bloed en in de armen van Basem zat, die probeerde haar te kalmeren. Ik trok mijn jellaba uit en legde deze over haar heen. Lijkbleek, haar lichaam onder de blauwe plekken. Ze veegde haar tranen weg, een vogel met gebroken vleugels.
Mijn menselijkheid riep een uitzonderlijke kracht op, zodat ik haar op mijn schouders kon dragen tot bij de anderen, die hun lunch zaten te eten. Mona durfde de blikken van spot of medelijden niet onder ogen te zien en sloot haar ogen.
Azzouz zei: ‘Laat haar onder de boom liggen, totdat we de oogst hebben gewogen en breng haar daarna terug naar het dorp.’
‘Jij en de aardappelen kunnen naar de hel lopen, ik breng haar nu terug!’ antwoordde ik.
Mijn woede, die met vonken uit mijn ogen spatte, liet niemand toe mijn wil te trotseren. Op de één of andere manier voelde ik me verantwoordelijk voor wat Mona was overkomen. Samen met Basem legde ik haar in de kar en bedekte haar met bananenbladeren, alsof ze een drenkeling was. We keerden terug naar het dorp. Gelukkig dat het siësta-tijd was, zodat geen nieuwsgierige voorbijganger vroeg wat er in de kar lag. Mona’s huis stond naast het onze en mijn moeder zag me vanaf het dakterras. Ik wenkte haar. Mijn moeder schoof enkele bananenbladeren weg, vond Mona in mijn jellaba bevlekt met bloed rond haar heupen en zei slechts: ‘Wat een schande.’ Ze ging het huis van Mona binnen om haar moeder het nieuws te vertellen. De vrouw kwam naar buiten, bitter huilend, wij drieën legden Mona op de bank. Mona’s moeder vroeg wie de dader was en ik vertelde het haar. De vrouw trok haar hoofddoek af en begon haar wangen te slaan en aarde over haar hoofd te strooien, terwijl ze riep: ‘Wat een schande, heel het dorp zal spotten met ons!’
Plotseling viel ze Mona aan met klappen. Het meisje had geen kracht om zich te verdedigen en door de hevigheid van de slagen begon Mona te schreeuwen.
Mijn moeder en ik probeerden haar zo goed mogelijk te beschermen, terwijl mijn moeder de vrouw probeerde te kalmeren. ‘Laat me alleen met mijn ramp en mijn schande,’ zei ze.
Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en de verhalen namen toe naarmate er meer getuigen waren. Ik zag de broers van Mona één voor één haastig naar het huis terugkeren en telkens als er een binnenkwam, klonk het geschreeuw van Mona door het huis.
Ismail, de oudste broer, ging naar het politiebureau om een klacht tegen Harbi in te dienen. Nadat de agent naar Ismail had geluisterd, belde hij het dorpshoofd, die verantwoordelijk was voor het oplossen van dorpsproblemen. Het dorpshoofd vertelde dat dit soort zaken onder de bevoegdheid van de traditionele dorpsbijeenkomsten viel en dat het niet nodig was een officieel procesverbaal op te maken.
Na het avondgebed gingen we naar het huis van het dorpshoofd, Basem en ik waren opgeroepen als getuigen. Binnen zaten het dorpshoofd, naast hem Sheikh Ibrahim, de imam van de moskee, Sheikh Saber, de huwelijksvoltrekker, de broers van Mona aan de ene kant en Harbi met zijn familie aan de andere kant. Harbi’s gezicht leek volledig verwoest, overal hechtingen.
Het dorpshoofd riep Ismail bij zich en fluisterde hem enkele woorden toe, waarna Ismail terugkeerde naar zijn plek. De imam begon enkele Koranverzen en hadiths te reciteren. Vervolgens beval de burgemeester zowel Harbi als Ismail naast de huwelijksvoltrekker te gaan zitten die het huwelijk tussen Harbi en Mona voltrok en hen als man en vrouw aankondigde. Harbi omhelsde Ismail stevig en beide families schudden elkaar de hand en omhelsden elkaar.
Er verscheen een brede glimlach op het gezicht van Mona’s moeder, die enkele huwelijksliederen zong. Ze namen Mona mee, kleedden haar in een nieuwe jellaba, brachten wat make-up bij haar aan en brachten haar naar Harbi’s huis.
Ik kon niet thuisblijven, dus liep ik met Basem naar Harbi’s huis. We zagen de burgemeester en de imam buiten, hun gelach vulde de omgeving. Mona’s moeder kwam naar buiten, een schaal met eten op haar hoofd. We wilden net weggaan toen we de kreten van Mona uit Harbi’s slaapkamer hoorden.