Door de fontein

Heleen Eggelte

Mijn man kijkt uit het raam van het vliegtuig en doet of we geen stel zijn. Hij durft. We dragen dezelfde horloges, een grote voor hem, een kleine voor mij. We hebben ons voor de planeet laten tatoeëren met 0,9, de verwachte stijging van de zeespiegel aan het eind van de eeuw. De tatoeage op zijn pols is niet te zien omdat hij een trui met lange mouwen draagt. Mijn man doet of het koud is in het vliegtuig, terwijl ik mijn trui net heb uitgetrokken. We zitten ter hoogte van de vleugel. Onder ons gaapt de zee. Het mysterie van de zee is bodemloos.

Ik heb de reis cadeau gedaan om te vieren dat we een jaar getrouwd zijn. De tickets waren spotgoedkoop. Eerst dacht mijn man dat de verrassing een grap was. We vliegen toch niet? Ik wou zeggen dat we niemand over de vlucht hoefden te vertellen, maar ik zei dat het moed vraagt om het leven te vieren als het pijn doet. In zijn ogen zag ik hoe ook hij wou ontsnappen aan ons piepkleine huis. Onze woning is gesplitst. De buurvrouw aan de achterkant heeft uitzicht op de binnentuin. Beneden ons is vorige maand een daklozenopvang opengegaan. Het enige voordeel van dit huis is dat de energierekening laag is. Alleen als het vriest, branden we de verwarming. We wonen er niet alleen, we werken er ook, tegenover elkaar aan een afgezaagde tafel. ’s Ochtends nemen we plaats aan de tafel voor ons ontbijt. Mijn man bijt recht door de schil van een sinaasappel, met sticker erop. Ik kauw op mijn plantaardige vla. Op de een of ander manier lukt het me niet om vla gewoon door te slikken. ’s Avonds klappen we ons bed uit in de huiskamer. De keukenkast loopt door tot de kledingkast. Veel meubels staan op hoge poten. Voor de hoogste lades, met schoenen, gebruiken we een ladder. Ik ben van de ladder af gevallen toen ik voor een sollicitatie mijn zwarte pumps wou pakken die vertrouwen wekken en een blijvende indruk achterlaten. Het was de avond waarop we ontdekten dat onze tatoeages niet meer klopten en de ijskappen sneller waren gesmolten dan gedacht. ‘Wat maakt het uit?,’ zei ik. ‘De tatoeages herinneren ons er vooral aan waar we voor moeten blijven vechten.’ Mijn echtgenoot was verslagen.

Buiten verandert de lucht constant van kleur en woede. De laatste keer dat ik vloog, was naar een tropisch eiland met mijn vriendinnen, direct na het eindexamen en vóór de uitslag. Mijn man slaapt met zijn gezicht tegen het raam. Langzaam valt zijn mond open, zijn trots loopt vanzelf weg, als het kwijl. Ik had graag zijn hand op mijn been gehad, bij het opstijgen. Op de startbaan versnelde het toestel, de neus ging omhoog. Met veel lawaai stegen we op. De lichten in het vliegtuig waren gedempt. Huizen, auto’s wegen en bomen werden kleiner, alsof alle vloeren tegelijk onder mij wegdraaiden. Door mijn voeten stroomde geen warm bloed meer. Ik duwde mijn tenen naar beneden.

Kinderen kleuren in een schrift of doen een spelletje op de tablet. Mensen lopen op en neer door het gangpad. Sommige zijn dronken, zoals de oude man met sterke, witte tanden die als een goddelijke ingeving zijn gezicht doen opglimmen. Zijn vrouw heeft een rimpelige boezem met een parelketting. Om haar slappe pols bungelt een horloge van 18-karaats goud. Haar dunne lippen nippen aan een glas wijn. Hun oude, rijke lichamen zien er ontspannen en voldaan uit: ik laat me niet provoceren. Hoe oud moet je worden om je niet meer druk te maken om de volgende generatie? Achter me duwt een jongen met zijn voet tegen mijn rugleuning. Naast me zit zijn zusje, haar gele katoenen jurk zit rommelig. Ieder halfuur mag ze een cadeautje uitpakken om de reis vol te houden. Ze pakt een plastic poppetje in een bal uit. Het vorige cadeautje was ook een plastic poppetje in een bal, en het pakje daarvoor ook. Ze moet er veel uitpakken om ze allemaal te verzamelen. Op de grond ligt er één die ze dubbel heeft.

Het meisje wil de maaltijd die mijn man niet heeft aangeraakt. Ruim van tevoren had ik veganistische maaltijden besteld. Bij het inchecken had ik gecontroleerd of er speciale maaltijden voor ons in het systeem stonden. Mijn man blijkt zelf eten te hebben meegenomen in zijn rugzak, een sinaasappel en noten. Voor het instappen had ik de sinaasappel ongemerkt laten verdwijnen, het pellen en de sapspetters zouden maar gedoe geven.

‘Dat is vies,’ zegt de vader als het meisje het strak verpakte broodje met humus en salade pakt. De vader heeft een kaal hoofd, eerder glad gehamerd dan ongeschonden. Met zijn schorre, lage stem praat hij behoedzaam en ruw tegelijk.

‘Ik heb honger,’ zegt ze.

‘Denk aan je volgende cadeautje,’ waarschuwt haar vader.

Buiten flappert de vleugel. De lucht is een landschap, het wit ademt, schuift en zuigt. Hoe groot is precies de kans dat we neerstorten? Mijn maag rommelt.

‘Geef het broodje terug,’ zeg ik terwijl ik mijn hand uitsteek.

‘Het is mijn broodje,’ zegt het kind.

Haar broertje achter me trekt zich aan mijn stoel op om mij te filmen.

‘Je mag niet filmen in het vliegtuig,’ zeg ik.

‘Dat mag hoor,’ fluistert mijn man, die wakker is geworden.

Ik sla de telefoon opzij, van schrik laat het meisje het broodje vallen. Alle ogen zijn op mij gericht als ik eet, ook die van mijn echtgenoot. Het lijkt of elke hap achter mijn borstbeen blijft steken, of de volgende hap bij een ander broodje hoort dan de vorige. Hoe volgen gebeurtenissen elkaar op? Een dag wordt met blote handen gebroken; zo trouw je in een boomgaard met appelbomen, zo zit je tegenover elkaar aan een afgezaagde tafel, zo pak je pumps voor een veelbelovende sollicitatie, zo lig je onderaan de ladder.

Ik moet geslapen hebben. Er hangt een gespannen stilte in het toestel. We hebben een gevaarlijke hoogte bereikt. De oranje lucht is een woedende titaan die kinderen verslindt. De vleugel licht nog feller oranje op, als een op zichzelf staande bedreiging. Ik sla mijn hand voor mijn mond.

‘We vliegen door de zonsondergang,’ zegt mijn man. Hij houdt me stevig vast, wrijft zijn lippen zacht over mijn voorhoofd. Ik geef me aan hem over, voel een vormeloos geluk dat via ons de wereld in kan stromen. Zo beginnen we aan de daling. De wolken verschijnen boven ons. Onder ons een zonnig, heuvelachtig landschap. Als het vliegtuig weer op de grond staat, begint het meisje naast me te klappen voor de piloot, ongecoördineerd. Nauwelijks hoorbaar zeggen haar handen klap, klap, klap. Haar voeten wiebelen. Als de familie later op het vliegveld een andere kant uitgaat, zwaai ik naar het meisje. Ze zwaait niet terug, haar vader wel.

In het stadje lopen we naar een restaurant voor de lunch. Een jaar geleden zijn we in de boomgaard getrouwd. Als ik naar mijn man kijk, lacht hij. In het dromerige licht van dit eiland opent het lichaam van mijn man zich naar buiten en boven. Ik denk aan het opklapbed waar mijn man zich pijnlijk in moet wringen als in een te kleine schoen. Hij past beter in een omgeving met gouden kerken en Byzantijnse mozaïeken.

Bij een chaotische markt slaan we een zijstraat in. De gevels van de huizen zijn vervallen, het pleisterwerk is afgebrokkeld. Op balkons wappert wasgoed. Een man steekt de straat over, een vrouw op losse muiltjes rent hem achterna, vloekend. De man stapt in een rode auto. Aan de andere kant van de auto bonst de vrouw net zolang op het raam totdat hij het opent. Ze smeekt hem, als een belofte van spijt en liefde tegelijk. Dan steekt ze haar hoofd zo ver mogelijk naar binnen. De man doet het raam dicht, hij klemt haar als een reiger met een vis zijn bek. Haar benen laten de stoep los, haar muiltjes vallen op de stenen.

Ik moet helpen. Mijn man houdt me tegen, pakt mijn hand en trekt me mee, terug naar de markt. Daar houdt hij een taxi aan. Met zijn gespierde armen is de chauffeur een robuuste versie van mijn vader. In de auto ruikt het naar luchtverfrisser. De chauffeur zwijgt, ik hoor hem op zijn kauwgum kauwen. Voor het raam bungelt een voodoopoppetje in voetbalkleren heen en weer, terwijl we in de richting van de zee rijden.

Het restaurant in een toeristische straat met cafés en galeries heeft een oude, geblokte tegelvloer, een knusse bar en antieke tafels. Er is een wijnkelder met honderden wijnen. Voor de ontspannen sfeer spuit in het midden water uit een bak van rood marmer omhoog. De ober brengt ons een blinde kaart. Ik bestel vissoep, maar dan met paddenstoelen en truffels. Hoe kunnen mensen vis eten? Vissen zijn glibberige, vloeiende versies van mensen.

‘Paddenstoelen ademen op een manier die meer lijkt op die van mensen dan die van planten,’ zegt mijn man. Hij draait zijn hand om en maakt het bandje van zijn horloge los. Ik kijk naar zijn tatoeage. Eerst legt hij het horloge op tafel, vervolgens verplaatst hij het met de wijzerplaat naar beneden op een zacht servet, hij doet zijn pols erin en sluit de gesp. Ik voel mijn eigen horloge knellen. Eén van ons die zijn horloge afdoet en weer om: het is een geheim teken – zo weten we dat de ander in het openbaar een fout maakt. Mijn man vindt het fatsoenlijker dan hardop verwijten maken, zelfs hier waar niemand ons verstaat. Dat komt uit zijn opvoeding. Zijn vader ging onberispelijk gekleed, maar nadat hij was overleden, ontdekte mijn man dat hij een alcoholist was en midden in de nacht in de tuinen van de buren planten uittrok.

Welke fout maak ik? Ben ik wel mooi genoeg gekleed voor de viering van een trouwdag? Bevalt de jurk met ruches aan de mouwen hem niet?

Mijn man staart naar me alsof ik er niet echt ben. Van zijn stille ogen gaat een diepe concentratie uit, zijn aandacht vouwt zich om een andere toekomst dan die van ons huwelijk. Ik voel de neiging om naar hem te zwaaien, hem te laten weten dat als hij niet oplet ik voorgoed uit zijn leven kan weglopen.

Het kletterende geluid van de fontein. Het moet de soep zijn! Nee, opeens weet ik het: ik heb een te duur gerecht besteld. De truffels. Ik wenk de ober en bestel risotto, zeg dat ik allergisch ben voor sommige paddenstoelen en geen risico wil nemen. Mijn man heeft zijn eigenaardigheden: alleen hij weet wat een gerecht op een blinde kaart kost, dat je gewoon mag filmen in een vliegtuig, ook al vliegt hij nooit.

Ik sta op van tafel om naar het toilet te gaan, en wat er dan gebeurt, is voor mij, ook nu, een jaar later, nog steeds onverklaarbaar: ik liep de fontein in. Bewust van het spuitende water, zette ik mijn voet neer in de bak van marmer. Ik voelde een koude schok en veranderde zelf in stromend water. Waarom was ik niet om de fontein heen gelopen? Ik had de ladder in ons huis onderschat, maar hoe kon ik water onderschatten?

Doorweekt stap ik uit het spuitende water, ik ben dwars door een fontein heengegaan en trek veel bekijks. Ik vlucht naar buiten, mijn jurk plakt aan mijn benen en de ruches aan mijn mouwen zijn veranderd in halfdode vlinders. Mijn man stuur ik een bericht, ik vraag of hij kan afrekenen en naar me toe kan komen. Druppel voor druppel druipt het van mijn jurk als een verlies dat geen einde kent.

Daar is mijn man. Ik probeer een oprechte verontschuldiging te maken, maar hij begint hard te schreeuwen. Het gezicht van mijn man verkent zijn uitersten. Ik wist niet dat zijn mond zo wijd open kon, dat de hoeken van zijn mond zo diep omlaag konden. Ik vlucht weg, steek de drukke weg over, aan de overkant van de straat is meer schaduw. Ook al duurt het langer voor ik weer droog ben, ik verkies de schaduw. De natte plekken op mijn borsten worden warm, ze voelen als blozende wangen.

Kon ik maar samen met mijn man nat over straat, zoals toen ik hem net had ontmoet. We waren ontkomen aan de krachtige straal van een waterkanon tijdens een protest tegen de fossiele industrie. Met honderden hadden we de weg geblokkeerd, wij tweeën zaten naast elkaar, achter afzetlinten stonden onze supporters. Uit een luidspreker klonk een waarschuwing dat de demonstranten zich moesten verwijderen of er dreigde een waterstoot. Roerloos bleven we zitten. Een waterkanon met meerdere spuitkoppen kwam aanrijden en begon hard te spuiten. Hij trok me weg. Ik had een grote, blauwe plek op mijn bovenarm, die ik aan hem liet zien. ‘Wie denk je dat ik ben?’ zei hij terwijl hij zijn eigen blauwe plek toonde. ‘Als je mij de stuipen op het lijf wil jagen, moet je echt met iets beters komen.’ In de volgende dagen gingen onze plekken van blauw naar rood naar groen. Ik stelde voor om dezelfde tatoeage te laten zetten.

Een monumentaal gebouw biedt toegang tot een tuin. Ik kijk rond of mijn man er al aankomt. Ik heb geen geld om de toegang te betalen en glip naar binnen. Tussen uitheemse planten kan mijn man me makkelijk vinden, hij weet hoeveel ik van tuinen houd. Ik ben niet echt van hem weggelopen. Weglopers willen afstand scheppen, ze bewerkstelligen een breuk met dingen die ze niet aankunnen.

In de tuin zijn varens, mossen, zwammen en bomen die lijken op pagodes. Ben ik de enige bezoeker? Er hangt een meditatieve stilte, als van een bibliotheek. Ik vraag me af of planten meer kennis bevatten dan boeken. Voor een oude boom blijf ik staan, hij is zo hoog als een kathedraal. Als ik daarin zou kunnen wonen, zou ik iedereen overleven. Maar de tuin gaat sluiten, een oude vrouw met gespannen lippen is me komen waarschuwen. Verbaasd kijken we naar elkaar, alsof we naar onszelf kijken.

Ik verlaat de tuin. Mijn natte schoenen schuren tegen mijn huid. In etalages bewonder ik jurken met pofmouwen, met open zijnaden, een uitgerafelde zoom: alles staat me, maar wat heb ik eraan? De winkelstraat komt uit op een plein met een immense fontein, hoger dan de oude boom, met beelden van riviergoden, dieren, monsters en menselijke figuren, soms zonder neus. Het water klatert uit tientallen monden van steen. Trappen met balustrades leiden via verschillende niveaus naar het midden van de fontein en bovenaan prijkt een beeld dat van licht verschiet. De fontein wordt omgeven door een smeedijzeren hek. Zonder gevaar kan ik op mijn man wachten.

Bewust en traag, met opgeheven kin en rechte rug – als de bruid die ik was – schrijd ik naar het hek van de fontein. Ik trek mijn schoenen uit. Er moet iets zijn wat boven mijn man en mij uitstijgt. We moeten nog terugvliegen. Druppels uit de fontein raken mijn gezicht, druppels die overal in de tijd zijn geweest, in een plons, in een wolk, in de regen.

Morgen is weer onze trouwdag. We hebben de muren van ons kleine huis wit geverfd. De vaatwasser hebben we vervangen door een afdruiprek, dat boven de gootsteen hangt. Op straat schreeuwen de daklozen. Mijn man doet het gordijn dicht en zegt dat ons kleine huis maar tijdelijk is, ook al is dat niet zo.