De eerste druppels joegen ons naar huis
samen met de laatste ramptoeristen
en de valse priesters en profeten
in clownskostuums op ezeltjes
zwikkend door hun hoeven
De wolken waren al van inkt, Oost-Indisch, en zo
duister als nooit eerder een eclips
we hadden geen enkele eetlust meer
we braken het brood – we proefden mensenvlees
we dronken wijn met de smaak van gal
azijn en bloed
Toen het uitspansel bulderde en kraakte
aan flarden werd getrokken, de aardkorst openspleet
en de voorhang van de tempel scheurde
hadden we een goed excuus om alles op tafel
onaangeroerd te laten
In de luwte van de zaterdag vergaten we
de dode die leeggebloed in linnen lakens
in zijn grot bleef dromen van verlossing
elke wond een doorgeprikt abces
van zondenlast en twijfel
Je geloofde het of niet – hijzelf geloofde het wel
en stapte na een gezonde nachtrust uit zijn warme grafje
in de tuin om eieren te verstoppen, je gelooft het of niet
dat elk voorjaar een van ons verandert in een haas
Maar we weten: Pasen is een spaak in het zonnerad
dat wentelt om een as van jaren en seizoenen
onverwoestbaar want gesmeed uit antimaterie