Deze maand

Deze maand stemden zestig miljoen Amerikanen op presidentskandidaat Donald Trump en daarmee rees de vraag waarom volwassen mensen in Nederland democratie plotseling niet meer leuk vinden als zij hun zin niet krijgen. Die zestig miljoen Amerikanen stemden op de kandidaat van hun keuze, en in het Amerikaanse systeem wonnen zij omdat zij veel evenwichtiger over alle staten waren verdeeld dan de stemmers op de andere kandidaat. In Nederland opperde menigeen die graag een andere winnaar had gezien dat de Trump-stemmers ‘dom’, ‘boos’, ‘rancuneus’, ‘racistisch’ en ‘misogyn’ waren, dan wel verward door ‘vals nieuws’ op internet of anderszins ‘verkeerd’ hadden gekozen.

Het was kortom deze maand moeilijk stemmen op wat deprimerender was: de nieuwe president, die niet de indruk maakt ooit een literair tijdschrift te lezen, de reacties in de Nederlandse media, die varieerden van bodemloze beteuterdheid tot lachwekkende radeloosheid, of de aanhoudende motregen die deed verlangen naar het openbreken van het klimaatakkoord.

Nederland heeft, zoals men weet, het grootste aantal Amerika-deskundigen ter wereld. Een beetje zonderling dat vrijwel niemand van hen de overwinning van Trump ook maar als mogelijkheid heeft overwogen. En dat terwijl in 2014 de Republikeinen in de ‘mid term election’ de vloer aanveegden met de Democraten, en zo Senaat en Huis van Afgevaardigden met een grote meerderheid in handen kregen, terwijl ook nog eens in 31 van de 50 staten de gouverneur Republikeins is. Hiertegenover verloor Hillary Clinton in de voorverkiezingen 22 keer van een 74 jaar oude sociaaldemocraat, terwijl Trump vanaf het begin victorie kraaide oog in oog met de Republikeinse partijtop.

Nogal zonderling ook dat in Nederland vrijwel niemand oog had voor de economische en sociale omstandigheden die het decor vormden voor deze verkiezing (en die in Europa volgend jaar). Zo sloegen weinigen acht op de achteruitgang die de Amerikaanse middenklasse de afgelopen decennia onderging, zowel reëel als emotioneel. Dit is een proces dat ook in Europa tot groeiende ongelijkheid en sociaal-politieke spanningen heeft geleid, hoewel het hier wat minder scherp eraan toegaat. In de Verenigde Staten groeide tussen 1948 en 1973 de economische productiviteit met 96,7 procent, terwijl de reële lonen daarmee in de pas bleven met een stijging van 91,3 procent (zo kwam studeren binnen bereik van de kinderen van de arbeiders en lagere middenklasse). In de periode van 1973 tot 2015 – het tijdperk van globalisering en digitalisering – steeg de productiviteit met 73,4 procent, maar de lonen slechts met 11,1 procent.

Hierachter ligt een complex van factoren (zoals het gegeven dat de digitalisering veel minder zorgt voor economische groei dan altijd gedacht), maar het electoraat begreep de kern. Tussen 1979 en 2013 deed de grootste daling in reële lonen zich voor in de onderste tien procent van het loongebouw. Ook de lonen voor ‘high school graduates’ daalden de afgelopen vijftien jaar, en wel met dertien procent. Zo niet aan de bovenkant van het loonspectrum. In 1965 verdiende een Amerikaanse CEO gemiddeld twintig keer zoveel als de gemiddelde arbeider in zijn bedrijf; in 2013 verdiende hij 296 keer zoveel.

Dit driedubbele proces van een dalende productiviteitsstijging, een snel groeiende kloof tussen productiviteitsstijging en loonstijging aan de onderkant van de samenleving, en een scheuring in het inkomensspectrum, is zonneklaar een recept voor problemen in de hele westerse wereld. Geen wonder derhalve dat Trump, Le Pen, Wilders, Pegida en tal van identieke protest­verschijnselen zich gelijktijdig voordoen. De historisch lijn van de westerse economieën vertelt een duidelijk verhaal: er is een langdurige neerwaartse trend in productiviteit, economische activiteit en levenstandaard voor de onderste helft van de samenleving, die ook door maniakale ingrepen van de centrale banken niet te keren is. Vroeger heette zoiets een ‘depressie’, maar nu doet iedereen of het normaal is dat 46 miljoen Amerikanen van voedselbonnen leven.

Ook een depressie is relatief, en zo erg als de jaren dertig is het niet, maar de doorbreking van economische en sociale verwachtingen voor de onderste helft van de samenleving in de westerse wereld is scherp en rigoureus. Deze verkiezingen gingen over die breuk. Dat was te zien in de uitslagen. Clinton had gegokt op de vrouwen, de zwarten en de Latino’s. Uitein­delijk stemden minder vrouwen op haar dan vier jaar geleden op Obama, en slechts 68 procent van de Latino vrouwen stemden op haar (tegen 76 procent op Obama), terwijl blanke vrouwen met alleen ‘high school’ Trump boven haar verkozen (53 tegen 32 procent). Van de stemmers met een inkomen van minder dan 30.000 dollar stemde zestien procent meer op de republikeinse kandidaat dan vier jaar geleden.

Er zijn diverse redenen waarom we over deze zaken zo weinig te weten kwamen in Nederland. En die redenen zijn ten minste zo verontrustend als wat er in de Verenigde Staten gebeurt en wellicht gaat gebeuren onder de nieuwe president. Ten eerste heeft de politiek in het westen het vizier in feite afgewend van de reële economie en is gefixeerd geraakt op sociaal-culturele kwesties. Ietwat gechar­geerd gaat het tegenwoordig voor links om roetpieten, homo-zebrapaden en genderpolitiek op de universiteit, terwijl rechts zich druk maakt om minder maximum snelheid, minder Europese bemoeienis en minder Marokkaanse groenteboeren. Vergeleken hiermee staat de politiek met de mond vol tanden tegenover de reële economische gevolgen van de globalisering en tegenover de ongeremde invloed van de financiële markten op de sociale realiteit.

En er is nog iets anders wat wellicht veel verontrustender is dan al het voorgaande. Veel deskundigen en journalisten waren niet alleen beteuterd omdat zij de bovenkant van de samenleving vertegenwoordigen, maar ook omdat zij hoger onderwijs hebben genoten. En waar in de samenleving de maatschappelijke eenheid is doorbroken, is in de academische wereld sinds enige decennia de eenheid van wetenschap doorbroken. Het postmodernisme heeft ervoor gezorgd dat in veel gamma- en alfa-studies ‘wetenschap’ geen fundament meer vindt in de juistheid van argumenten, maar in een weeïg soort relativisme en subjectivisme. Grote delen van de sociale wetenschappen en de humanities zijn veranderd van openbare arena’s waar argumenten botsen in veilige speech communities waar elke mening telt en waar iedereen zijn eigen voorkeur naar hartenlust kan verwarren met de werkelijkheid. Dit heeft geleid tot een ont-intellectualisering en narcistische goedgelovigheid in de bovenklasse die het verbluffende spiegelbeeld vormt van de intellectuele dorheid en het bijgeloof in zichzelf van de nieuwe president van de Verenigde Staten. Niets rest dan wederzijdse afschuw, zonder dat iemand begrijpt wat er gaande is.

Het is stupide dit alles ‘dom’ te noemen. Dat doet denken aan wat Schopenhauer zei: ‘De domme massa is altijd één persoon groter dan je zelf denkt.’ – BB