Ik ben Tirza

door Jente Posthuma

Mijn vader snoeide de appelboom in de tuin. Hij installeerde een handdoekenrekje in de badkamer dat ook een verwarming was. Hij volgde een cursus ‘zelf sushi en sashimi maken’. Maar ik zag hoe kwaad hij was. Ik zag het aan hoe hij zich bewoog: traag, ingehouden.

Ik leerde cello spelen, daar werd hij rustig van. Ik kon goed zwemmen en won wedstrijden, zodat hij kalmeerde. En elke avond liet ik hem bij mijn bed zitten en me voorlezen uit de Russische Bibliotheek. Dat boek van Tolstoj vond hij mooi, Anna Karenina. Ze had een man die haar niet wilde loslaten en een minnaar die haar liet stikken, en daarom wierp ze zichzelf voor een trein. Ik deed alsof ik dat interessant vond. Mijn vader noemde dat hoogbegaafd. Op avonden dat ik geen zin had om hoogbegaafd te spelen, pakte hij mijn hand onder de dekens totdat ik me niet meer verzette. Als hij dan weer las, keek ik hoe zijn handen zich vastklampten aan het boek en zag ik de aarde onder zijn nagels van het harde werken in de tuin.

Mijn moeder noemde hem lachwekkend en volgens mijn zus was hij niet goed wijs, maar bij de meeste mensen was hij gewoon zichzelf niet. Alleen bij mij hoefde hij niet te doen alsof. Ik was zijn enige vrouw. Je bent hoogbegaafd, zei hij vaak, en je bent mijn zonnekoningin, maar een vrouw ben je niet. Dat moet je nog worden.

Hij kocht schoenen met klittenband voor me, zodat ik mijn tijd niet verspilde aan het strikken van veters en ik me volledig op mijn gedachten kon richten. Ik zou later promoveren, dat wist hij zeker. Soms keek hij me aan alsof hij me probeerde te hypnotiseren. Hij gaf me ook een notitieboekje om mijn gedachten in op te schrijven, maar ik wist niet waarover ik moest nadenken. Na een tijdje ben ik mijn sms’jes erin gaan noteren, voor het geval ik mijn telefoon kwijtraakte. Mijn zus was alt haar telefoon kwijt. Ze liet me zien hoe je sms’jes op je computer kunt opslaan, maar voor de zekerheid schreef ik de belangrijkste toch op. Een computer kan crashen, en dan ben je alles kwijt.

Mevrouw van Delven vertelde mijn vader dat ik niet at. Mevrouw van Delven was mijn klasselerares. Ze leek aardig maar ze was een trut. Mijn vader kocht boeken over eet­stoornissen en maakte er stapels van op zijn bureau. Elke avond zat hij achter zijn stapels en onderstreepte hij de zinnen die hij wilde onthouden. Intussen was ik bezig te verdwijnen. Ik liet hem in de steek. Soms weet je precies wat je moet doen om alles beter te maken en toch doe je het niet. Het is net zoiets als sorry zeggen terwijl je keel dicht zit. Dat gaat gewoon niet.

Mijn moeder zei dat ik kapot was en dat zij daar niets aan kon doen. Ze zei: ik ben ook maar een mens. Mijn vader zei: als je dat nog één keer zegt, dan wurg ik je. – En toen zei ze het nog een keer en dat was dom. Mijn vader kon zich niet altijd blijven inhouden.

Hij leverde me af bij een Duitse kliniek die gespecialiseerd was in eetstoornissen. Daar vroegen ze me wat ik zelf eigenlijk wilde. Borsten, zei ik. Ik zou eindelijk wel eens borsten willen.