Mag ik schieten?

door Jack Druppers

Het is 01.00 uur in de nacht en u krijgt van het HB de melding van een woninginbraak, heterdaad. De meldster is wakker geworden van glasgerinkel en hoort iemand beneden in de huiskamer. U ziet bij het bewuste pand een man door een raam naar buiten klimmen. Hij heeft in de ene hand een tas en in de andere een breekijzer. U stapt uit en trekt uit voorzorg uw vuurwapen en roept duidelijk naar de verdachte dat u van de politie bent en dat hij is aangehouden. De man zet het op een lopen. Bent u bevoegd om, na het geven van een waarschuwingsschot, op de verdachte te vuren ter aanhouding?

Ik herhaal bij mezelf de cruciale vraag: ‘Mag ik schieten?’ Praktijkvoorbeelden, discussies met collega’s, wetsteksten, berichten uit de media en eerdere ‘Integrale Beroepsvaardigheidtrainingen’ (wij noemen ze kortheidshalve IBT’s) probeer ik in mijn grijze massa leeg te lepelen. Uiteindelijk kom ik tot de conclusie dat ik in deze situatie ter aanhouding mag vuren. In de benen wel te verstaan, als je een rennende verdachte in het donker überhaupt weet te raken.

Deze casus is één van de twintig vragen die deel uitmaken van de jaarlijkse kennistoets. Alle politiefunctionarissen die ‘geweldsmiddelen’ (vuurwapen, wapenstok, handboeien en pepperspray) dragen, worden hiermee op het gebied van Strafrecht, Strafvordering, Politiewet en Ambtsinstructie danig op de proef gesteld. Bij vijf of meer foutieve antwoorden ben je gezakt en worden de geweldsmiddelen ingenomen en komt je even niet meer de straat op. Die geweldsmiddelen krijg je terug zodra een herkansing met goed gevolg is afgelegd, maar vanwege de personeelstekorten kan dat even duren. Dat wordt dan een tijdje baliedienst of rotklusjes doen op een van de vele zwaar onderbezette rechercheafdelingen.

Het gaat om meerkeuzevragen, dus je kunt een gokje wagen. In dit geval koos ik met klamme handen een van de bevestigende antwoorden. Fout! Ik had niet mogen schieten. Toch was ik in verwarring en ik was niet de enige. Bij de klassikale behandeling achteraf somde ik mijn motivaties op: ‘Het is een VH feit [een strafbaar feit waar een gevangenisstraf van vier jaar of meer op staat, dus met potentiële Voorlopige Hechtenis], het is tijdens de voor nachtrust bestemde tijd en de bewoonster was thuis. Ze was doodsbang en voelde zich bedreigd. Dit was een grove aantasting van haar integriteit.’

Er brak een levendige discussie los in de klas en we konden het ‘juiste’ antwoord niet rijmen met wat wij hadden geleerd. Deze verwarring is typerend. Waar rechters, advocaten, Officieren van Justitie, politici en journalisten eindeloos kunnen debatteren over de interpretatie van de wet na een schietincident, heeft de agent op straat vaak slechts een microseconde om een keuze te maken. Maar het is wel deze politiefunctionaris die aan het kruis wordt genageld, als na (soms weken, vaak maanden) bestudering blijkt dat zijn keuze niet de juiste was. Als de pers en social media de publieke verontwaardiging dan ook nog opkloppen, verandert het leven van de diender (en dat van zijn gezin), dat al op de kop stond, in een hel.