De tranen van een prinses

Het drama van 40 jaar alfabetiseringsbeleid

door Thomas Bersee

Nederland telt thans, anno 2017, ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden van 16 jaar en ouder. ‘Laaggeletterd’ houdt in dat iemand (grote) moeite heeft met de vaardigheid van lezen en/of schrijven, en wel zodanig, dat dit zijn of haar dagelijks leven hindert, en de communicatie met de overheid of maatschappelijke instanties belemmert. Vandaar dat laaggeletterdheid ook wel ‘functioneel analfabetisme’ wordt genoemd. Sinds veertig jaar wordt laaggeletterdheid door de overheid onderkend als een maatschappelijk probleem, dat des te urgenter werd toen het zich vervlocht met de beperkte taalvaardigheid van migranten die moesten inburgeren. Sinds vier decennia wordt er dan ook op diverse ambtelijke niveaus beleid ontwikkeld, gefinancierd en geïmplementeerd. Thans, anno 2017, is het rijksbeleid erop gericht om in een periode van drie jaar 45.000 volwassenen hun taalvaardigheid te laten verbeteren.

Men hoeft geen wiskundige te zijn om op te merken dat er een kloof gaapt tussen de omvang van de problematiek en de overheidsinspanning. Het is geen wonder dat de Algemene Rekenkamer vorig jaar concludeerde dat de aanpak van laaggeletterdheid door de overheid ‘tekort schiet’ en ‘getuigt van weinig ambitie’. Begin dit jaar kwam de Rekenkamer daar nog eens overheen met een rapport over het eveneens miljoenen verslindende inburgeringsbeleid. De kritiek was wederom niet mals. Slechts een fractie van de inburgeraars haalt zijn inburgeringsexamen binnen de gestelde termijn van drie jaar, en het is volstrekt ongewis of het merendeel van de inburgeraars de eindstreep ooit zal halen.

Kritiek van ’s lands rekenmeesters op het falen van overheidsbeleid trekt in Nederland doorgaans weinig meer aandacht dan een kolommetje in de pers en een enkele Kamervraag, waarna de minister beterschap belooft en meer, nieuwer en beter beleid toezegt. Wie echter iets aandachtiger toekijkt, kan zich ook afvragen of het commentaar van de Rekenkamer niet een tikje naïef is en vooral of dat niet het doel volledig mist. Een blik op het verleden leert immers dat sinds jaar en dag het overheidsbeleid inzake laaggeletterdheid en inburgering zelf meer deel van het probleem is dan deel van de oplossing. Veertig jaar lang leek het alsof elke beleidsontwikkeling een stap verder in het educatieve moeras betekende, alsof elke subsidiepot steeds sneller verdampte in de politieke mist, en alsof in het macabere landschap van de laaggeletterdheid slechts ongelezen nota’s, vergaderende ambtenaren en grijpgrage managers gedijden. Anders gezegd: wie wil weten hoe Nederland functioneert als samenleving waarin consensus en ongelijkheid hand in hand gaan, kan veel leren van veertig jaar alfabetiseringsbeleid.