Freedom Hotel

door Thomas Heerma van Voss

Ze herkent hem aan zijn blauwe stropdas. Tenminste, ze gaat ervan uit dat hij het is, aan het tafeltje bij het raam. Ik zie uit naar onze ontmoeting en heb een chique outfit met blauwe stropdas aan, berichtte hij gisternacht. Echt chic kan ze zijn kleren niet noemen: een spijkerbroek, een nogal gekreukeld linnen overhemd en ook de stropdas oogt aftands. Maar het ding is blauw en verder oogt hij min of meer zoals ze in haar hoofd had, zoals hij er op de foto’s uitzag.

Het is warm in het café. Aan de muren hangen posters van vooroorlogse films, Metropolis, Mr. Smith goes to Washington. Ze is hier nooit geweest, in dit deel van de stad komt ze zelden, tot vandaag had ze er niets te zoeken.

Ze loopt naar de bar. Ze onderdrukt de neiging om hem meteen aan te schieten en te praten over de afgelopen maanden, over alle conversaties die ze van achter hun beeldschermen gevoerd hebben. Afstand houden. Hij moet jou opmerken, niet andersom. Anders kom je te gretig over, te wanhopig – en niets is zo onaantrekkelijk als wanhoop.

Terwijl ze op een barkruk gaat zitten, draaien hoofden in haar richting. Mannen van rond de vijftig, misschien ouder. Ze kijken niet opdringerig of opgewonden, eerder onderzoekend: wie is dat, wat doet ze hier in haar eentje, valt er iets te halen?

Ze zou nog kunnen vertrekken. Gemakkelijk. Misschien zou ze er een paar dagen of weken mee zitten, maar het is een kleine handeling, een paar stappen naar de deur. Sorry James, het lijkt me toch geen goed idee. Of zelfs dat niet, ze zou zich gewoon kunnen omdraaien en weglopen, zonder toelichting, zijn leven uit voordat ze er werkelijk in is verschenen.

Ze bestelt witte wijn. Bij de eerste slok denkt ze aan haar laatste afspraak. Een dertiger met vet krulletjeshaar die het steeds had over zijn ‘schatje’ terwijl hij zijn auto bedoelde. De keer daarvoor: een man met grijs sliertjeshaar die bij binnenkomst direct zei: ‘Mijn echtgenote is al tijden ziek en weet niets van deze date. Dat wil ik graag zo houden.’

Beide keren was ze binnen een kwartier naar huis gegaan. Na de man met het sliertjeshaar was ze bij de ingang van haar flat abrupt gestopt met bewegen, in de overtuiging dat ze moest overgeven. Ze leunde tegen een muurtje, proefde de smaak van gal, wachtte – maar er kwam niets, geen kots, geen verlichting, geen tranen.

Wat ze zich vooral herinnert, nog veel meer dan die hunkerende mannengezichten tegenover haar, is de schaamte. De schaamte dat ze het telkens weer doet. Zo vaak heeft ze zichzelf beloofd ermee te stoppen, maar na een paar weken of maanden kan ze het toch niet laten. Dan zit ze weer achter haar computer, chattend met mannen die ze niet kent en van wie ze niets weet, behalve hun profielfoto en hun woorden. En hoe langer ze contact met hen heeft, hoe meer de schaamte naar de achtergrond verdwijnt – hij gaat nooit helemaal weg, maar ze overstemt, nee onderdrukt hem.

‘Audrey? Ben jij Audrey?’