Deze maand

Weinig zaken schenken zoveel vreugde als een paradox. De confrontatie met een ogenschijnlijk tegenstrijdige situatie, die lijkt in te druisen tegen het gevoel voor logica, tegen elke verwachting en tegen alle intuïtie, geeft het plezierige besef dat de werkelijkheid het uiteindelijk zal winnen van welke illusie of dwaalleer dan ook. En er was voldoende te genieten deze maand, want het motregende paradoxen. Zo brachten nog nooit zo weinig jongeren tussen de 18 en 24 jaar hun stem uit als bij de recente Tweede Kamerverkiezingen, niettegenstaande alle inspanningen hen naar de stembus te lokken door bekende televisiepersoonlijkheden als Tim Hofman. Nu ja, bekend is uiteraard een relatief begrip. Hij is presentator van BNN, ‘tafelheer’ bij De Wereld Draait Door, winnaar van Wie Is De Mol 2016, alsook dichter. Zijn poëziedebuut Gedichten voor de broer van Roos bleek zelfs een gelukkige belichaming van de paradox van Multatuli: ‘Ieder ziet hier dat ik geen schrijver ben.’ Hofmans goedbedoelde aansporingen via sociale media, festivals en de televisie leidden ertoe dat iets meer dan 65 procent van de jongeren ter stembus trok, tegen 77 procent in 2012.

Dit deed diverse vragen rijzen. Zoals: zou de jeugd nu ondanks of juist als gevolg van deze acties de stembus hebben gemeden? Niets is immers voor jongeren zo hinderlijk als ouderen die hip gaan doen, op hun knieën hurken en net doen of ze ‘jouw’ taal spreken en ‘jouw’ leefwereld kennen. Of zou er een samenhang zijn tussen de geringe belangstelling onder jongeren voor het democratisch proces en het feit dat hun leesvaardigheid sterk vermindert? Deze maand bleek uit het internationale Pisa-onderzoek dat nu bijna 18 procent (ofwel één op de zes) van de 15-jarige jongeren in Nederland dermate slecht kan lezen, dat ze de ondertiteling op de televisie niet kunnen begrijpen, laat staan een brief van de overheid met de uitnodiging om te stemmen. In 2003 was dat nog 11,5 procent. De paradox hierbij is dat hoe verder jongeren komen in hun onderwijs, des te minder en des te slechter ze gaan lezen. Op mbo-2 niveau is één op de drie jongeren laaggeletterd, maar juist onder hoog opgeleide jeugdigen daalt het vermogen tot begrijpend lezen in internationaal perspectief het hardst.

Dit brengt ons terug bij het democratisch proces. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat van de drie dominante ideologieën van de twintigste eeuw – liberalisme, communisme en fascisme – alleen het liberalisme de moderne tijd heeft overleefd. Maar ook hier is sprake van een paradox. Het liberalisme is geworteld in een gelijkheidsideologie, maar brengt toenemende ongelijkheid voort; de legitimiteit van het liberalisme berust op consensus, maar resulteert in minder gemeenschapszin en meer individuele autonomie; het liberalisme streeft naar persoonlijke vrijheid, maar komt tot bloei in een hyper-georganiseerd en diep in de persoonlijke levenssfeer interveniërend staatsbestel.

Aldus blijft de werkelijkheid geruststellend onbegrijpelijk. Wel heeft het er alle schijn van dat de sterk verminderde opkomst bij de verkiezingen en de almaar dalende leesvaardigheid onder jongeren ontspruiten uit één bron. Onze samenleving is dermate succesvol in het produceren van grappige paradoxen, dat het ridicule het ongemerkt heeft gewonnen van het lachwekkende. – BB