De buitenkat

door Thomas Heerma van Voss

De ouders van mijn vriendin gingen een week op vakantie en lieten mij op hun kat passen. ‘Het maakt niet uit dat je niet van dieren houdt,’ zei mijn schoonmoeder. ‘Snuggle is een buitenkat, die trekt haar eigen plan. Het enige wat jij moet doen, is eten bijvullen, ’s ochtends en ’s avonds, verder niets. De rest van de dag hoef je niet op haar te letten en kan jij lekker je boek afmaken.’

Ze toonde me de gangkast waarin het kattenvoer stond, in een doorzichtige, glazen pot, het soort dat mijn ouders gebruikten voor pleisters en jodium. Onderin de kast lag een plastic strip met vleessticks, ‘voor als ze even verwend moet worden, je ziet wel wanneer ze dat nodig heeft’, en bovenaan lagen drie kattenbelletjes.

Ik vroeg me af waarom ze er drie nodig hadden met maar één kat in huis, maar zei niets. Daarvoor gaf mijn schoonmoeder me ook geen ruimte, ze liep met grote passen de rest van de enorme benedenverdieping door. ‘Hier is de kraan, maar ja, dat wist je natuurlijk al.’ Waarom zei ze het dan? ‘In dit hoekje gaat Snuggle vaak liggen, dus niet schrikken.’ Ze liet me zien hoe het kattenluik open en dicht moest (‘goed opletten dat je haar niet buitensluit’), ze rinkelde met alle drie de kattenbelletjes, waar Snuggle volgens haar altijd op reageerde – en inderdaad, meteen kwam het beest uit een onzichtbare hoek van de immense tuin aangesneld, tussen de bomen en struiken vandaan, en stortte zich op de kattenbrokjes.

Ik had de kat natuurlijk al gezien bij mijn voorgaande bezoeken aan dit huis – drie in totaal, wat ik te weinig vond, maar mijn vriendin prima leek te vinden – maar toen besteedde de kat geen enkele aandacht aan me, en ik eerlijk gezegd ook niet aan haar. Ik had geen ervaring met huisdieren, ik begreep niet wat ze van me wilden en ik wist niet wat ik van hen zou moeten willen. Nu bekeek ik Snuggle voor het eerst langer dan een paar seconden. Het was een klein dier met een kortharige, roodbruine vacht en een witte vlek in de hals. Haastig liet ze haar priemende, felle blik over me heen gaan, terwijl ze kauwde op haar brokjes.

‘Lieverdje,’ zei mijn schoonmoeder tegen de kat, en het klonk bijzonder liefdevol. Zo had ik haar nooit eerder horen spreken. ‘We komen gauw terug. Nu gaat deze jongen op je passen.’

Deze jongen. Een paar seconden kreeg ik het idee dat mijn schoonmoeder mijn naam vergeten was.

Het volgende moment deed ze de tuindeuren open. We liepen naar buiten, of eigenlijk liep zij naar buiten en volgde ik op enige afstand. Mijn schoonmoeder inhaleerde lang en nadrukkelijk. ‘De lucht is zo fijn hier.’ Ik inhaleerde ook, maar rook niets.

Het was stil hier, tussen al die verwilderde natuur. Zoals het alle keren dat ik dit deel van Groningen bezocht stil was geweest. Het enige geluid kwam van een automotor, zachtjes zoemend, het geluid leek te echoën tussen de losstaande villawoningen. Toen klonk er getoeter. Mijn schoonmoeder glimlachte, geen idee waarom. Ze had hetzelfde gebit als mijn vriendin. Uitstekende hoektanden, een klein spleetje tussen de voortanden. Ik keek onderzoekend naar haar gezicht, de rimpels rondom haar ogen, de plooien in haar nek. Ik vroeg me af of mijn vriendin er op een dag zo zou uitzien. Of ze net zo daadkrachtig door ons toekomstige huis zou banjeren, misschien wel om een schoonzoon rond te leiden. En of we tegen die tijd nog steeds samen zouden zijn.