Deze maand

Deze maand liep de zomer ten einde en drong onwillekeurig de gedachte zich op dat er geen weg terug meer is. En dan bedoel ik niet alleen de weg terug naar de zorgeloze dagen waarin dit jaargetijde het ‘silly season’ was, zoals de Engelsen dat voor de Brexit uitdrukten. Zij hadden het dan over het seizoen waarin men zich met een zakdoek op het hoofd geknoopt onledig hield met poema’s op de Veluwe, ontsnapte boa constrictors in een Vinex-wijk en ondergelopen tenten vol dappere kampeerders in alweer zo’n zomer waarin we volgens een collectief gelijkheidsideaal gezamenlijk gebukt gingen onder de futiliteit van het bestaan.

Dat is voorbij, of men moet de berichtgeving over de politieke onderhandelingen inzake het verplichte Wilhelmus tot het ‘silly season’ rekenen. Daar is wellicht enige reden toe, maar verontrustend weinig. Er is immers iets veranderd. In de eerste plaats heeft wat wij ooit ‘nieuws’ noemden op een zodanige schaal plaatsgemaakt voor duiding, opinievorming en meningstoetsing, dat het lachen de naar een zomerzotheid verlangende toeschouwer allang is vergaan. Maar belangrijker nog is dat er thans niets meer ‘silly’ wordt gevonden.

Er was een tijd dat absurditeit onherroepelijk te pletter liep op een bevrijdende lach, zoals een leugen altijd botste op in elk geval het streven naar waarheid. Mark Twain schreef nog optimistisch dat geen enkele overtuiging openlijk ridicuul kan zijn en in staat is zulks te overleven. Dit is niet meer zo. Onze generatie staat permanent oog in oog met straffeloze nonsens, met consequentieloze vaude­ville-politiek, met eeuwigdurende praatprogramma’s, met kranten die alleen nog maar illustreren met hoe weinig intellectuele inhoud een moderne samen­leving toekan en met de alleszins fascinerende vervaging tussen ­beeldscherm en werkelijkheid. Bovenal is het ‘silly season’ verdwenen omdat niemand meer in staat is te begrijpen hoe lachwekkend men zelf is.

Misschien is dit een consequentie van de digitalisering, en de mate waarin individu en overheid zichzelf hebben overgegeven aan de commerciële hoeders van big data, algoritmes, crowdsourcing en datamining. Lachen om jezelf behoort niet tot het digitale repertoire. Een van de kernpunten van digitalisering is immers dat zij aan zichzelf genoeg heeft; dit is een revolutie die streeft naar niets dan zichzelf en alles heeft, behalve zelfspot.

Sommigen menen dat dit wijst op een radicaal veranderd levensgevoel. De Franse historicus François Hartog rept van presentisme, een wereldbeeld waarin het verleden vervreemd is van het heden, waarin begrip wijkt voor oordeel, waarin complexiteit verdwijnt in managementpraat en waarin rituelen slechts zin geven aan het hier en nu. Dit leidt tot de gedachte het ‘silly season’ voorbij is omdat we gevangenen zijn in een eeuwig thans zonder bevrijdende lach.

Lang voordat we onze tijd permanent collectief doorbrachten achter een beeldscherm, schreef Don DeLillo in een brief aan de nog piepjonge Jonathan Franzen: ‘Schrijven is een vorm van persoonlijke vrijheid. Het bevrijdt ons van de massa-identiteit die de moderne wereld ons opdringt. Uiteindelijk schrijven schrijvers om zichzelf te redden, om te overleven als individu.’ Mooi gezegd, en ik zal het re-tweeten, maar het klinkt in deze tijd toch een beetje silly. – BB