Twee en een halve tekenaar

Yrrah, Peter van Straaten & de idolate fan

door Theun de Winter

In 1962 ging ik, zojuist gezakt voor mijn eindexamen, in de zomer een paar dagen naar Amsterdam. Daar zocht ik in het telefoonboek Lammertink, H. op en noteerde het adres: Overtoom 12, tweehoog. Opbellen durfde ik niet, dus nam ik de tram, zocht het huis en zag op het naambordje dat ik goed zat. Nu alleen nog aanbellen. Daarvoor moest ik even moed verzamelen.

Dat ik daar stond, kwam zo. Op mijn vijftiende was ik begonnen te tekenen in de schoolkrant. Stripachtige illustraties, karikaturen van leraren en langzamerhand ging ik steeds meer de richting uit van de cartoon, want mijn vader haalde de Paris Match in huis en die stond er vol mee. Maar de allerbeste cartoons zag ik linksonder op pagina drie van Het Parool, ondertekend met de rafelige signatuur ‘Yrrah’. In die cartoons gaf de maker blijk van een zwartgallige blik op het leven, op de dood en op het intermenselijk verkeer. Vaak moest de man-vrouwverhouding het volledig ontgelden.

Jong als ik was, voelde ik mij zeer aangesproken door de vaak morbide humor van deze Yrrah, en bovendien vond ik zijn tekeningen ontzettend goed. Ik knipte ze uit, kocht zijn bundels Yrrahtioneel en Dies Yrrah en las met grote aandacht de interviews met hem die ik tegenkwam en in een plakboek bewaarde – van Bibeb, bijvoorbeeld, in Vrij Nederland –, interviews waarin Harry Lammertink, zoals zijn werkelijke naam luidde, altijd over de dichter Adriaan Morriën sprak als zijn beste vriend en intellectuele leermeester. Jaren later hoorde ik de dichter over de cartoonist zeggen: ‘Harry probeert van zijn moordkuil een hart te maken.’ Dat leek me goed getroffen.

Maar zover was ik nog niet toen ik in 1962 voor de deur van Overtoom nummer 12 moed aan het verzamelen was. Hoe ik het heb gedurfd op die bel te drukken, weet ik niet meer – het moest. Vrijwel direct nadat ik schoorvoetend, maar vastbesloten, had aangebeld, klikte de deur open en keek mijn held van tweehoog naar beneden. Ik riep omhoog dat ik graag over cartoons wilde praten en mocht boven komen, waar ik mij onmiddelijk ontpopte als het cliché van een idolate fan.

Ik bleef de hele middag, hing aan Harry’s lippen, was diep onder de indruk van de schetsen en tekeningen die hij liet zien en genoot van zijn vaak hilarische verhalen – hij was een meester in de absurde overdrijving. Bij het afscheid zei Harry tot mijn grote geluk dat ik gerust terug mocht komen als ik weer eens in de stad was. Later zou blijken dat deze eerste ontmoeting het begin was van een tientallen jaren durende, diepe vriendschap.

Een jaar later verwierf ik wonder boven wonder alsnog mijn gymnasiumdiploma en ging ik in Amsterdam studeren. Sinds die tijd bezocht ik Harry en zijn vriendin Trudy regelmatig en trokken we steeds meer samen op. Hij nam mij mee naar sociëteit De Kring en naar Café Scheltema, toen nog een typische journalistenkroeg, waar hij mij binnenleidde in zijn vriendenkring. Daar leerde ik naast Adriaan Morriën ook Peter van Straaten kennen, die andere journalistieke tekenaar die ik zo bewonderde.