Ik blijf hier

door Thomas Heerma van Voss

Het begon met gelach. Dat is mijn eerste herinnering aan hen samen: in het appartement naast het mijne klonk uit het niets een hoge schaterlach. Vooral haar hoorde ik, nog voordat ik wist wie ze was, voordat ik wist hoe ze eruit zag en voordat ik zelfs haar stem had gehoord. Die lach van haar, behalve hoog ook schel en hard, echode eerst door het trappenhuis en galmde daarna tussen de muren van mijn appartement. De lach van Arend kwam er met een paar seconden vertraging achteraan, zachter, hijgerig, alsof die gepaard ging met ademnood. Ik ben dat geluid van hun vreugde nooit vergeten; misschien omdat het zo luid was, misschien omdat ik ze later zelden meer heb horen lachen.

Hem kende ik al voor zij haar intrede deed. Als buren deelden Arend en ik een trappenhuis, en soms kwamen we elkaar tegen. Hij bewoog zijn logge, wat uitgezakte lichaam dan moeizaam over de trap. Plukjes grijs haar op zijn schedel, uitpuilende buik, veel te fel gekleurde overhemden. Soms keek hij me lang aan, altijd met een grijns op zijn gezicht, maar het was een grijns zonder enige vreugde.

Toen ik hier net woonde, twee jaar geleden, stond hij ook zo voor me, midden op de trap, glimlachend. Hij zei: ‘Ah, de nieuwe buurman. Aangenaam, ik ben Arend en kunstenaar. Mijn huis is mijn atelier en ik maak aquarellen. Zal ik er ook een van jou maken?’

Hij sprak het op fluistertoon uit, net of hij iets onzedelijks voorstelde.

Elke keer dat we elkaar nadien tegenkwamen, herhaalde hij zijn aanbod. ‘Dat gaan we doen, Arend,’ antwoordde ik, maar vervolgens gingen we allebei verder met onze levens. Ik probeerde te schrijven, hij schilderde; wanneer de deur van zijn appartement openging, ving ik telkens een scherpe terpentinelucht op. En de volgende keer dat we elkaar troffen, leek hij alweer vergeten dat hij me ooit eerder had gezien, en stelde hij weer voor een aquarel van me te maken.

Nadat zijn vrouw was overleden aan een noodlottige valpartij bij het bergbeklimmen, condoleerde ik Arend toen ik hem bij de voordeur tegenkwam. Weer die wijd opengesperde ogen, zelfs die grijns. Niets wat wees op verdriet. Hij zei alleen: ‘Ja, ja, de dood is veel papierwerk. Veel regelen.’

Daarna liep hij verder. Hij hees zijn lichaam op een fiets, reed zonder omkijken de straat uit.

Nog geen drie weken later was er die nieuwe vrouw bij hem thuis. En voor het eerst hoorde ik dat gelach, en begreep ik dat hij dus werkelijk kon lachen, al was het vooral hijgerig gehinnik. Na het lachen kwam het praten. En ze praatten steeds harder, zij voerde het hoogste woord, hij af en toe een zinnetje tussendoor. Op een gegeven moment klapte ik mijn laptop dicht en ging ik vlakbij de muur staan die onze appartementen scheidde. Arend en zijn vorige vrouw had ik nooit geluid horen maken, nu kon ik vrij goed horen wie aan het woord was, door die dunne, krakkemikkige bakstenen heen.

Ze zei: ‘Sinds ik gescheiden ben, durf ik beter voor mezelf op te komen. Ik laat niet meer over me heen lopen.’ Hij zei: ‘Binnenkort heb ik een expositie in het Centrum, Jij moet erbij zijn, als eregast.’