Deze maand – bijna 60

Kornelis Lubbertus Poll was 31 jaar toen op 20 mei 1959 het eerste nummer van het door hem opgerichte Hollands Weekblad verscheen. Enkele maanden eerder had hij na samenspraak met enkele geestverwanten een ‘manifest’ doen uitgaan naar beoogde medewerkers en geldschieters. De eerste zin van dat pamflet luidde: ‘Dit blad zal vaker verwijzen naar een goed humeur dan naar een slecht.

Misschien was dat niet verbazingwekkend. Wellicht is elke 31-jarige die een literair-politiek weekblad opricht chronisch goedgehumeurd. Maar wellicht was 1959 ook een jaar waarin de lucht tintelde van optimisme, beloftes en een goed humeur. Dit was immers het jaar waarin te Slochteren de aardgasbel werd ontdekt, waarin de Russische Luna iii voor het eerst foto’s van de achterkant van de maan maakte, waarin de Nederlandse Corine Rottschafer Miss World werd en Teddy Scholten het Eurovisie songfestival won, waarin de Daffodil haar debuut maakte op de Nederlandse wegen, waarin de 32-jarige Harry Mulisch Het Stenen Bruidsbed publiceerde als eerste Literaire Reuzenpocket (en waarin Fidel Castro kort voor zijn 33ste verjaardag in Cuba de macht greep), waarin het Nederlands Dans Theater onder leiding van de 27-jarige Hans van Manen werd opgericht, waarin de 15-jarige Pim Maas de titel ‘Nederlandse Elvis Presley’ kreeg in de Amsterdamse bioscoop Royal, waarin het 500.000ste tv-toestel in Nederland werd aangesloten en de eerste uitzending van Sport in beeld te zien was, waarin de Nederlandse kranten bijna 1000 artikelen publiceerden over ‘nozems’, waarin het beginnende tienerbandje The Beatles in de Liverpoolse Casbah-club voor het eerst meer dan één keer achter elkaar mocht optreden, waarin de film Some Like it Hot uitkwam, waarin Eisenhower en Chroetsjow elkaar voor het eerst ontmoetten, waarin Simon Vinkenoog voor het eerst lsd gebruikte, waarin Miles Davis de lp Kind of Blue uitbracht, waarin de Pacifistisch Socialistische Partij voor het eerst meedeed aan de verkiezingen, waarin het radioprogramma ‘Tijd voor Teenagers’ de lucht inging, en waarin ‘het Lieverdje’ op het Spui werd onthuld. – Dit was een goed jaar om een literair-politiek tijdschrift op te richten.

Het weekblad werd maandblad in 1963, er kwamen nieuwe redacties na Polls overlijden in 1990, en nu wij op de drempel van de zestigste jaargang in verwondering omkijken, rijst de vraag of er niet wat valt toe te voegen of af te doen aan het ‘manifest’. En hoewel ‘manifesten’ ons nu misschien doen terugdeinzen, moet de conclusie luiden dat Polls woorden onverminderd geldig blijven.

Wij leven in een andere tijd, maar dat maakt de door Poll geschetste geesteshouding van de schrijvers in dit blad (twijfelaars tegenover zelfverzekerde praters; individualist tegenover elk groeps­belang; niet gesteld op de mantel der liefde die alle verschillen onzichtbaar maakt; wantrouwend tegenover de keurigheid, maar ook tegenover slechte manieren’) niet minder relevant. Wij leven in een andere wereld, maar dat maakt de oriëntatie van dit tijdschrift (nieuwsgierigheid naar het antwoord op de vraag hoe mengen zich belangen, moraal en ideeën’) niet minder dringend. Wij leven in een andere samenleving, maar dit maakt de lichte zorg die in het ‘manifest’ klinkt (hoe vindt en animeert men de smalle groep mensen, lezers en schrijvers, van wie het bestaan van dit blad zal afhangen’) niet minder permanent.

Het bovenstaande was ook tien jaar geleden in deze kolommen te lezen, toen Hollands Maandblad op de drempel van de vijftigste jaargang stond. Dat deze woorden hier nu opnieuw staan, is geen toeval. De herhaling beoogt in herinnering te roepen dat toen het blad 25 jaar oud werd, Bert Poll zonder verder commentaar het oorspronkelijke ‘manifest’ wederom afdrukte – en hij deed hetzelfde bij het 30-jarig bestaan in 1989. De reprise onderstreept kortom de constatering dat Hollands Maandblad in aard en wezen de afgelopen decennia niet veel anders is geworden – en dat evenmin wenste te worden.

Toegegeven, de zestigste jaargang is een zonderlinge jaargang. Officieel is er geen reden tot feest, maar wie wacht tot hij 75 wordt, eindigt onherroepelijk in pompeuze herdenkingen en zelffelicitatie. Op de drempel van de zestigste jaargang verkeert men in een prettig niemandsland: men is te oud om nog veelbelovend te zijn, maar te jong om al eerbiedwaardig te zijn. Men koestert nog grootse plannen, maar is al wijs geworden door desillusies. Men ambieert nog steeds het allerhoogste, maar begint de eigen feilbaarheid al te aanvaarden. Men heeft zich bevrijd van de overmoed der jeugd maar weigert zich over te geven aan de berusting der ouderdom. De geest is nog plooibaar, maar de huid al gehard. Dit is kortom de ideale leeftijd om de wereld recht in de ogen te kijken sine ira et studio – zonder wrok of vooroordeel, zoals Tacitus dat uitdrukte – en zichzelf af te vragen hoe het zit met dat goede humeur.

Sinds dat eerste nummer van de eerste jaargang in 1959 heeft Hollands Maandblad de wereld met op­rechte belangstelling, maar bovenal met milde verbazing in ogenschouw genomen. Toegegeven, af en toe heeft dit blad een wenkbrauw opgetrokken, nu en dan zich op het hoofd gekrabd, en een enkele keer wellicht zelfs afkeurend dan wel instemmend gemompeld. Maar nimmer heeft het de bakens verzet omdat het tij elders verliep of zich iets aangetrokken van wat anderen met misplaatste eerbied de tekenen des tijds noemen.

Indien Hollands Maandblad iets begrijpt, is het dat geen periode zo moeilijk te begrijpen is als de eigen tijd. Men zegt dat wij leven in een tijd van globalisering, van mondialisering, van digitalisering, van mediasering, van automatisering, van Amerikanisering, van terrorisering, van fundamentalisering, en soms heet het zelfs dat wij leven in een tijd van dat alles tegelijk. Of die huidige toestand van materiële overvloed en intellectueel onbehagen duidt op een ‘crisis’, weet ik niet. ‘Crisis’ is zo’n groot woord dat dikwijls meer een symptoom dan een diagnose is van de kwaal die het tracht te beschrijven.

En er zijn al zoveel grote woorden die de wereld niet verhelderen. De moderne tijd produceert dermate veel grote woorden dat men nauwelijks te tijd krijgt erom te glimlachen. I fear those big words, Stephen said, which make us so unhappy, schreef James Joyce, en hij had gelijk.

Niettemin is er geen enkele reden tot pessimisme. Wie goed oplet, ziet dat Hollands Maandblad in 2018 net zoals in 1959 probeert vernieuwing te paren aan traditie. Daarom is het goed te weten dat Hollands Maandblad de afgelopen jaren van alle literaire tijdschriften de meeste debutanten heeft afgeleverd, en dat jonge schrijvers net als gelouterde auteurs hun weg naar dit tijdschrift zonder enige aarzeling vinden. Er blijft, anders gezegd, genoeg reden voor dit blad om vaker te verwijzen naar een goed humeur dan naar een slecht. – bb