Fijnproever

door Jochem van den Dijssel

‘Sonderlinghe cussen sijn viere:

Cussen van moeder, cussen van lieve,

Cussen van peise, cussen van grieve’

Anoniem (ca. 1350)

Voor de laatste dag van 1993 kondigde de VARA geen oudejaarsconference aan, maar een avondvullende show van Paul de Leeuw. Ik las dat bericht in de televisiegids en barstte bijna in tranen uit. Niemand – zelfs niet mijn vrouw Marjan – wist hoeveel ik hield van Paul de Leeuw en nu moest ik de show missen. Ik was uitgeput en verslagen, maar het rampjaar 1993 was nog niet ten einde.

We vierden oud en nieuw bij Frits en Ellemieke met Arthur en Hellen, Willem en Ans. De mannen waren al zo lang mijn collega’s dat we naast werkdagen de belangrijkste rituelen van het jaar met elkaar doorbrachten en sinds de finale van achtentachtig ook de onverwachte hoogtepunten. Dit was vriendschap, vermoedelijk.

Zoals verwacht wilde niemand naar de speciale uitzending van ‘De Schreeuw’ kijken. Ellemieke zette een album van Joe Cocker op. Terwijl Frits flauwe grappen maakte over Paul de Leeuw, vroeg ik me af of ik de speciaal gekochte videorecorder wel op het juiste net had ingesteld. Waarom was het toch een taboe om van die man te houden? Het volume van de stereotoren ging een streepje hoger. Joe Cocker in Bunschoten-Spakenburg.

Tegen mijn collega’s, die Evert van accounting als lijdend voorwerp ter sprake brachten, wilde ik roepen: het is hier toch geen lunchpauze! Laat Evert toch scrabbelen met zijn schoonouders! Het bleef een gedachte terwijl ik naar de ijskast liep. Wel een hele luide. Ik kon tot sint-juttemis wachten voor de rest aan een nieuwe Amstel toe was. Ik deed tenminste echt alsof ik thuis was.

Starend naar de glasplaat vol bier met kou in mijn gezicht droomde ik even weg. Niet alleen 1993 liep op zijn eind, ook mijn ongebruikte lidmaatschap van de atletiekvereniging en mijn plan om een eigen onderneming te beginnen als ICT-adviseur. Niets wees erop dat ik voor mijn pensioen Soft Key zou verlaten. Op verjaardagen hoorde ik mezelf praten met meel in de mond; Soft Key was ‘een middelgrote speler op het gebied van ICT-automatisering en softwareontwikkeling’. Dan knaagde het. Tijdens eindexamenfeesten op de middelbare school had ik aan cabaret gedaan. Mijn vader was lid van het amateurtoneel. Diep in mij school ook een Paul de Leeuw. Maar die komische, expressieve kant had ik zo diep weggestopt, dat ik het tegenovergestelde had kunnen worden: een bescheiden man die goed kan luisteren. Een saaie lul.

‘Het is pas elf uur,’ zei Marjan aan de zijde van mijn gezicht die het gezelschap niet kon zien.