Redactioneel

Het is de gewoonte in dit redactioneel de ‘oude’ leescultuur, met als fakkeldragers literatuur op papier, fysieke boekwinkels en veellezers, te verdedigen tegenover nieuwe media, grootmachten als Bol.com en de slinkende gemiddelde leestijd van Nederlanders. Voortzetting van dat gebruik begint echter steeds meer te voelen als een risicoloze ondergang in het eigen gelijk.

Natuurlijk, dat gelijk is onbetwistbaar én wrang en ironisch, want de moderne mens polijst obsessief het lichaam met SUP-yoga en marien fytoplankton, het mentale huishouden met visualisatiemeditatie en retraites in zwijgkloosters, terwijl de laaggeletterdheid in Nederland toeneemt en leesprestaties kwakkelen, ondanks het feit dat juist lezers langer en gezonder leven en meer geluk ervaren. Toch is de kans miniem dat hameren op die manke prioritering effect sorteert. Deels is herhaaldelijk donderpreken ten gunste van de ‘oude’ leescultuur te veel tell en te weinig show. Deels betreft het prediken voor de eigen parochie, omdat niemand Hollands Maandblad-abonnees hoeft te overtuigen van de noodzaak van lezen: die lui lezen als beesten.

Bovendien is het naïef te denken dat cultuurpausen dit maandblad uit een tijdschriftenbak plukken, het ademloos verslinden en zich vervolgens toeleggen op het herstellen van de ‘oude’ leescultuur. Ter illustratie, in de hoofdredactiekamer van het nrc Handelsblad is door een niet al te geslepen snoodaard op ooghoogte, pontificaal in het midden van het tijdschriftenrek, een exemplaar van Hollands Maandblad gedeponeerd. Dat nummer staat al een halfjaar stoflaag op stoflaag te stapelen.

Met het risico hoogdravend te klinken: het is wellicht verstandiger te proberen of deze pagina een ander doeleinde kan dienen dan de noodklok luiden. Voor zolang als het gegeven is, is dit redactioneel daarom voortaan een vrijplaats voor ‘literaire experimenten’ (over hoogdravend gesproken). Over de exacte inhoud en vorm van die proefnemingen is nog niets te vertellen. Misschien laat Hollands Maandblad dichters tekenen, tekenaars schrijven of essayisten hun favoriete rotondekunst in haiku’s bejubelen. In geval van creatieve kaalslag is het overigens geruststellend dat dit tijdschrift smeekt om ruimte voor meer publicaties uit de onstuitbare, kwalitatief hoogstaande kopijstroom van een poel medewerkers die met de dag aangroeit.

De redactie is realistisch. Sommige van die beoogde probeersels zullen wereldvreemd aanvoelen of doen smachten naar een traditioneel donderpreekredactioneel van apocalyptische strekking over hoe hebzuchtige bewindslieden de literatuur uithollen en zo de poorten opengooien voor de barbaren der digitalisering, enzovoort, enzovoort.

De redactie is echter ook hoopvol. Als een redactioneel nieuwe stijl succes oogst, is dat immers bewijs dat dit tijdschrift, als grand old lady van de ‘oude’ leescultuur, zichzelf kan blijven heruitvinden en dat is een essentiële overlevingsvaardigheid. Een dergelijke uitkomst is dermate bemoedigend dat die minstens een poging tot verandering rechtvaardigt. – D.G.