’s Nachts dromend, op de tast

door Kees Verheul

– 1 –

De laatste tijd droom ik minder over mensen dan over steden. In die dromen komen wel mensen voor, maar de architectuur die hen omringt, houdt mij sterker bezig en blijft na het ontwaken langer hangen. De plaatsen waarvan ik droom zijn bijna allemaal historische hoofdsteden die bekendstaan als mooi en die ik alleen of met mijn achtereenvolgens samenwonende vriend, geregistreerd partner en echtgenoot uit intuïtieve voorliefde heb gekozen als woon- dan wel verblijfplaats voor soms een week, soms maanden, oplopend tot het maximum van vijfendertig jaar Rome. Maar vijfendertig jaar Rome of tweemaal een taalcursus van een maand in Praag: ik ontdek geen steekhoudend verband tussen de duur van mijn verblijven of hun chronologie en de frequentie van mijn nachtelijke avonturen. Waarom heb ik bijvoorbeeld over Scheveningen, waar we alweer zo’n twintig jaar wonen, maar driemaal gedroomd? En over de karakterloze fabrieksstad waar we allebei werden geboren en op ons zeventiende of achttiende met een zucht van verlichting vertrokken, sindsdien minimaal elke maand? En waarom het allermeest over Leningrad?

Stadsdromen. Als puber heb ik Freuds Die Traumdeutung doorgeploegd en later te hooi en te gras theorieën opgepikt uit lichtere lectuur. Van soms een populairwetenschappelijk krantenartikel tot het naar mijn smaak absolute hoogtepunt in dit opzicht, de Sonnik, een oud Russisch volksboek waar je het antwoord kunt zoeken op vragen als: wat is de diepere betekenis van dromen over aardappels? Of: wat vertelt een droom voorafgaand aan het feest van de Heilige Nicolaas van Myra over de raadzaamheid van je aanstaande verloving? Maar over stedenbouw, architectuur? Voor zover ik mij kan herinneren, in al het bovengenoemde geen woord.

De duiding die ik voor mezelf heb bedacht bij gebrek aan beter, is een bijproduct van het manisch verzamelen van stadsplattegronden. Gebogen over de kaart van Sint-Petersburg trof mij een keer de overeenkomst van het geheel van de weergegeven straten, pleinen en rivieren met een lengtedoorsnede van het menselijk lichaam. De Newa zou een orgaan kunnen zijn (luchtpijp? slokdarm?) dat naar boven loopt vanuit je borstkas en zich in je hoofd vertakt tot respectievelijk (van laag tot hoog) mond, neus, ogen en oren. De traditio­nele machtscentra van de stad: het Winterpaleis, de Petrus-en-Paulusvesting met haar arrestantencellen, de Admiraliteit, Senaat enzovoort, liggen anatomisch exact in de overgang tussen aan de ene kant je atlas als hoogtepunt van je ruggengraat en aan de andere kant je brein (met als equivalent in oud-Petersburg: de Handelsbeurs, Universiteit en Kunstacademie).

Mutatis mutandis bleek voor Rome, Moskou, Amsterdam en mijn overige favorieten iets soortgelijks op te gaan. En dat hoeft u niet te verbazen. Het voor onze voorouders wellicht prikkelende besef van een samenhang tussen stedenbouw en anatomie, is voor iemand met een beetje taalgevoel inmiddels zo vanzelfsprekend geworden, dat metaforen als ‘verkeersaders’, ‘de longen van de stad’, of ‘het kloppende hart van de stad’ alleen nog het effect hebben van een weemakend reisfoldercliché.