Deze maand

Deze maand is het nodig te bespiegelen op de recente ontlezingsdiscussie tussen dagbladcolumnisten. Hollands Maandblad agiteert immers al jaren dapper maar tevergeefs tegen de ontlezing: misschien dat die discussie nieuwe inzichten heeft opgeleverd over hoe de slinkende interesse in lezen tegen te gaan.

Columnist Rosanne Hertzberger trapte de discussie af door het vuur te openen op noodlijdende, fysieke boekwinkels. Ze legde die langs de lat van de kapitalistische marktprincipes en concludeerde: als het boek ‘de concurrentie niet aankan’, kan het pijnloos verdwijnen. Bovendien had de boekenwereld de ontlezing verzonnen om het eigen commerciële falen te verbloemen. Tot slot adviseerde Hertzberger diezelfde wereld om haar hautaine opstelling te staken.

Hoewel menigeen, premier Rutte incluis, kapitalisme niet langer als onvolprezen en rechtvaardige motor van de economie beschouwt; en hoewel onder meer het Sociaal en Cultureel Planbureau de ontlezing onderschrijft; en hoewel in je eentje een sector hautain noemen wat hautain overkomt, bleek niet alleen Hertzbergers betoog spijtig maar evengoed de slotsom van de discussie die daarop volgde. De literaire soldaten klommen namelijk wel plichtsgetrouw uit hun loopgraven om Hertzbergers argumenten af te schieten, maar het lukte ze vervolgens niet om een overwinning te behalen op de ontlezing door het nut van literatuur overtuigend te duiden. Wel probeerde onder meer Michel Krielaars het met een citaat van Sally Rooney (‘But there it is: literature moves him’) en Marjoleine de Vos (verder de beste criticaster van Hertzberger) stelde dat literatuur ‘verdieping, bemoeilijking (wat iets anders is dan moeilijk doen en meer te maken heeft met niet gladstrijken), nuance, verbeelding, ongrijpbaarheden enzovoort’ zoekt. Maar het is een illusie dat zulke aanprijzingen niet-lezers richting boekwinkels bewegen om meters aan niet-gladstrijken in te slaan.

Natuurlijk valt het anti-ontlezingskamp weinig te verwijten: het vergt ongekende overtuigingskracht om mensen iets vreemds te laten omarmen – het onbekende is voor weinigen een fascinatie en voor velen vooral onbegrijpelijk, verdacht en makkelijk weg te wuiven als arrogant. Bovendien, columnist Marcel van Roosmalen maakte een punt door te waarschuwen dat ‘intellectuele prietpraat’ de kloof tussen lezers en niet-lezers niet overbrugt. Die laatste groep is welhaast even hautain tegenover welbespraakte literatuurliefhebbers als ­andersom.

Tot slot, welke inzichten vallen uiteindelijk te peuren uit de ontlezingsdiscussie? Voornamelijk dat de boodschap dat literatuurproductie en -consumptie nut genieten, een concreter pleidooi én heroverwogen doelgroep vereisen teneinde ontlezing te remmen zo niet terug te draaien. Een ietwat duister proef­ballonnetje: wat dacht u van kernachtige pro-literatuurmarketing gericht op kinderen? Bewezen is dat grut met pester power het ouderlijk consumptie­patroon vergaand dicteert. Dat plan is wel niet helemaal zuiver op de graad van de Reclamecode, maar de boekenwereld is ongetwijfeld hautain genoeg om zich daar niets van aan te trekken. – D.G.