Gedichten

door Branko Van

Slaapdronk


Hij wil dicht tegen haar taal aankruip

als twee mens in een bed

niet omdraai als zijn arm slaap.


Hij zeg dingen die direct klink

niet eerst in tekst hoef resoneer

zeg klankstootmedeklinker

zeg knieholte, zeg knie.


Hij spreek in nieuw woorden

die zij elke keer begrijp

zonder uitleg als

beweging op beweging


been op been op

vel op vel, keer

op keer


zonder uitleg, zij

beweeg, hij

beweeg.


Wat je erf is armoe


Hij draag zijn infuuspaal

als een kruis, een

zakje heldere vloeistof

water, zout, hij

heef geen bloedgroep

alsof hij nooit uit een

vader, moeder kwam.


Hij sta nog even

na met zijn geslacht

in zijn hand, de dikke

doorzichtige druppels

vormen maar geen

bloedlijn, de kamer

een badkamer, aan

deze tegels hecht

niets. Is de schakelaar

voor de lamp of

de broeder, zuster?


Knip het licht uit

alleen de knop

schijn nog oranje

hij vind de deur

zelf wel, zijn ene

hand belast met

het staal van

een stamboom

een piepende

infuuspaal

generaties

een drift, hij

duw en het

onvermogen

blijf, wat je erf

is armoe.


Samen de jaren samen de dagen


Hij kijk naar hoe zij

in de keuken sta en

daar haar tanden poets

en spuug en spoel

plots wijs en zeg dat zij

vier kiezen over heb.


Hij zie trotse rijen

kauwsteen, baleinen

die eigenwijs stukjes bot

die zich dan juist

bij het leven toon.


Niemand tel de keren

dat zij het schuim

op het putje, de kraan

op het schuim en het

water alles wegdraai.


Hij denk iemand moet

notuleer, een logboek

een instantie, een

nationaal belang, iemand


die verzeker dat wij blijf kijk

als hij het gewoon, als hij

de tel kwijtraak in dat huis

met zijn dagen, als hij

alleen nog maar de jaren tel.