Traagschuim

door Femke Vindevogel

Slaperig ga ik naar beneden. De nacht is amper halverwege. In het donker stommel ik door de hal en de woonkamer, van alle kanten bekeken door de rode ogen van stekkerdozen. In mijn borstkas tikt een geigerteller die radioactief gebied nadert. Ver geraak ik niet. Tussen de televisie en de keukendeur houden mijn benen het voor gezien. Omdat ik geen tijd mag vermorsen, fluister ik vastberaden: ‘Angst is fictie’ – woorden die vooral toebehoren aan mijn moeder wanneer ze zich per hoge uitzondering in een lift waagt. Vandaag hebben die woorden hun betovering verloren, moeder heeft iets gekregen om te kalmeren.

Mijn benen blijven ongehoorzaam. Vloekend dwing ik ze tot bewegen, richting de keuken.

Tussen het indrukken van de lichtschakelaar en het opstartend flakkeren van de lichtbuis, sta ik enkele seconden in doodsangst te kijken naar een bult op het aanrecht. Ademloos sla ik mijn handen voor mijn gezicht en kijk door gespreide vingers naar het onheil. In de haperingen van het licht loopt mijn verbeelding met me weg. De bult groeit uit tot een inbreker, een moordlustige beer, een yeti, een mummie. De lamp schijnt nu voluit, zoemend als een bijennest. Mijn schouders zakken. Ik sta oog in oog met een stapel vuile vaat, een onaangeroerde pot wortelpuree en een braadpan waarin een worst ligt te slapen: het bewijs dat dingen niet zijn zoals ze horen. Moeder wil op elk moment van de dag van de vloer kunnen eten.

Met mijn duim en wijsvinger gris ik de worst uit de pan, open het raam en werp het vlees naar buiten, hopend dat de nacht het laat verdwijnen. Dan zie ik dat de worst een perfecte mal heeft achtergelaten in het gestolde vet. Prompt doe ik een stap achteruit – in het begin verhuisde vader naar de logeerkamer, zodat hij makkelijk naar het toilet kon en voldoende rust kreeg; moeder kocht een Tempurmatras die zich vormde naar zijn lichaam.

Ik probeer te tellen hoeveel ochtenden ik naar dat matras heb staan kijken, terwijl het zichzelf in een slakkengang resette naar een platte nieuwstaat, klaar om vader van meet af aan te ondersteunen. Ik probeer te vergeten, hoe vaak ik me in vaders mal paste en schikte, hoe ik me elke dag zijn verdriet aanmat, hoe koortsachtig ik probeerde in te schatten hoelang en in welke richting ik nog kon groeien voor zijn tijd op was.

Ik draai de warmwaterkraan open. Mocht moeder me bezig zien, ze zou zeggen dat ik eerst met keukenpapier of een oude krant het grootste deel van de vuiligheid uit de pan moet verwijderen, omdat vet de leidingen verstopt. Ik laat de pan staan, draai de kraan dicht en trek de koelkast open. Op de middelste glasplaat liggen de twee felroze donuts die moeder gisteren voor vader kocht, bestrooid met poedersuiker, die intussen ook buiten rond het huis waait. Ik kijk over mijn schouder en schrok dan met gulzige happen de troost naar binnen. Met de suiker om mijn lippen vind ik de kracht te doen waarvoor ik ben gekomen. Ik open het vriesvak en laad mijn armen vol koelelementen, dertig stuks in totaal.

Ik mag niet worden als die ene vrouw laatst op televisie. Elke zondag haalde ze haar dode parkiet uit het diepvriesvak zodat ze niet alleen hoefde te eten. Gemis kan ook te ver gaan, dacht ik toen ik dat zag.

En toch.

Op weg naar boven houd ik mijn pas in voor het raampje naast de voordeur. Een windstoot dendert door de tuin. Winter slakt over het glas naar beneden. Ik druk mijn gezicht tegen de ruit en huiver. Mijn reflectie zweeft boven de kale appelboom. Sneeuw ruist door mijn hoofd. Vaders woorden fluisteren: een beetje verdwalen is geen ramp, net voldoende om niet in paniek te geraken. Dan bestaat de kans dat er iets te vinden is.

Ik gooi de koelelementen op het tapijt, boks en schop tegen de muur, eerst zachtjes, dan harder, mijn pyjama knettert en vonkt en wil spontaan ontvlammen. Ik til mijn hoofd in mijn nek en kijk naar boven. Moeder komt niet uit haar kamer. Aan het eind van mijn gestrekte armen sta ik alleen. Ik ga op de onderste trede van de trap zitten en omhels mezelf. De nacht wandelt langs het raam. Ik veeg het snot af aan mijn mouw.

Dan raap ik de koelelementen van de vloer en slof naar vaders kamer. Voor de deur haal ik drie keer diep adem, druk daarna met mijn duim en wijsvinger mijn neus dicht, gebruik mijn hand als een wasknijper, wapen me tegen de muffe stank van verdriet, alsof ik weer op de duikplank sta als zesjarige, klaar om het diepe in te springen.

De kamer is nu een ijskelder. Sinds het uitvaartcentrum vader kwam halen, staat het raam wijd open. Op de spiegel naast de kleerkast tekenen zich ijsbloemen en vogelveren af. De gordijnen waaien naar binnen en strelen het voeteneind. De straatlantaarn strooit gele confetti op het bed, alsof hier iets te vieren valt. Mijn tanden klapperen van ongemak en kou. Ik gris de oude koelelementen van het matras en schik aandachtig de nieuwe, want ik weet: Tempur wordt gips in de winter, traagschuim houdt de mal van een lichaam vast in onverwarmde kamers, vaders vorm is zo te vriesdrogen. Zolang niemand de pan met het gestolde vet onder het hete water houdt, is niets kapot. Zolang het maar koud genoeg blijft, hoeft niemand in huis op te staan om opnieuw te beginnen.