Het verhaal ‘Storm op zee’ in de bundel In de bovenkooi (1972) van J.M.A. Biesheuvel (1939-2020) opent met een opvallend lang citaat. De passage, die in tweehonderd woorden het begin van een zeestorm beschrijft, staat er nogal plompverloren, zonder aankondiging of toelichting anders dan de vermelding van de naam van de oorspronkelijke auteur, W.S. Heckscher. Oude getrouwe en secure lezers van dit tijdschrift zal het fragment misschien bekend voorkomen. Voor wie later is ingestapt biedt de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren soelaas: het citaat maakt deel uit van de impressie ‘De zeereis naar New York’, die Heckscher in 1960 publiceerde in (toen nog) Hollands Weekblad.
Het kan geen toeval zijn. Biesheuvels carrière is immers nauw verbonden met Hollands Maandblad. Sinds hij in het februarinummer van 1964 debuteerde met het verhaal ‘Het lieveheersbeest’ is hij er tot in 2017 met een honderdtal bijdragen een productieve medewerker van geweest. Een analyse van welk aspect van zijn schrijverschap ook kan bijna niet zonder verwijzingen naar het tijdschrift en draagt, omgekeerd, automatisch bij aan de geschiedschrijving ervan. Exemplarisch is de academische discipline van de kunstgeschiedenis die zowel in Biesheuvels werk als in Hollands Maandblad een misschien ondergeschikt maar toch regelmatig en op eigenzinnige wijze aanwezig vakgebied vormt, waarvan het de moeite loont het te beschouwen in onderlinge verhoudingen van persoonlijke, literaire en historiografische aard.
Uit de vijf pagina’s die Heckschers ‘Zeereis’ telt, blijkt dat de verteller een professor is met specifieke kennis van renaissance-emblematiek. De auteur was zelf zo’n professor. Geboren in Hamburg als Wilhelm Sebastian Martin Hugo Heckscher, later bekend als William S. Heckscher (1904-1999), werkte hij als docent Duitse taalkunde en later kunstgeschiedenis aan universiteiten in Canada en de VS. Van 1955 tot 1965 was hij hoogleraar iconologie aan het Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit Utrecht. Of Biesheuvel precies op de hoogte was van Heckschers wetenschappelijke werk, dan wel eenvoudigweg was gegrepen door diens poëtische evocatie van het woeden der elementen op open zee, blijft vooralsnog in het midden. Zeker is evenwel dat de schrijver belangstelling had voor niet alleen de beeldende kunsten, maar ook voor de wetenschappelijke bestudering daarvan – of ten minste voor de beoefenaars van dat specialisme. Kunsthistorici zoals Rudi Fuchs (1942) duiken op in zijn werk, en misschien wel de opvallendste manifestatie van de rol die ze in Biesheuvels wereld speelden, vormt hun vertegenwoordiging in de lange namenlijst in het verhaal ‘Oculare Biesheuvel’, dat ook is opgenomen in In de bovenkooi en oorspronkelijk in 1971 in Hollands Maandblad is verschenen.
In dat verhaal maken Jacob Maarten Biesheuvel en Eva – in wie zich gemakkelijk de schrijver zelf (voluit Jacobus Martinus Arend) en zijn levenspartner en latere echtgenote Eva Gütlich (1938-2018) laten herkennen – een treinreis naar Polen. Onderweg verliest Biesheuvel zijn bril, die hij ondanks beloften van behulpzame spoorbeambten niet meer zal terugzien, maar waarvan wel sprake is in voor hem verder onverstaanbare monologen die op verschillende treinstations weerklinken – hij meent althans regelmatig woorden te ontwaren die klinken als oculare Biesheuvel (in het Pools zou het misschien ‘okulary Biesheuvela’ zijn geweest, hoewel dat bij nader inzien een onwaarschijnlijk familiaire vorm zou zijn voor ‘de bril van Biesheuvel’). Aan het begin van de vertelling is het nacht. Eva slaapt, Biesheuvel niet. Hij verzucht: ‘Als ik, Jacob Maarten, niet slapen kan, komen mij namen voor de geest, hele rijen, honderden mensen, voornamelijk mannen. En ieder van hen met hun eigen geschiedenis.’ De tekst, dan nog slechts een handvol zinnen onderweg, wordt onderbroken door een opsomming van bijna driehonderd namen van personen met een speciale betekenis voor de schrijver.
Schrijvers en dichters zijn erbij, filosofen, machthebbers en politici, Bijbelfiguren (Job en Jezus), romanpersonages (Oblomov en Pnin), Dr. P. Herfst, rector van het Stedelijk Gymnasium Schiedam toen Biesheuvel die school bezocht, maar ook lemma’s die alleen maar lijken op persoonsnamen, zoals Felix Meritis, of het eveneens Latijnse duo ‘Timeo Danaos et Dona Ferentes’ (Vergilius, Aeneis II: 49) en zelfs korte beschrijvingen als ‘de bibliotheek van Alexandrië’, en ‘l’Enfer d’écrire’ – mogelijk een verwijzing naar de gelijknamige publicatie uit 1956 van de Franse collagekunstenaar Philippe Dereux. Beeldend kunstenaars zijn in de lijst ruimschoots vertegenwoordigd, van de antieke beeldhouwers Phidias en Praxiteles, en renaissancemeesters Dürer, Altdorfer en Rafaël, via de zestiende en zeventiende eeuw met onder meer Tintoretto, Rembrandt, en Maria Sybilla Merian, naar de achttiende en negentiende (Canaletto, Félicien Rops, Vincent van Gogh), en de twintigste met bijvoorbeeld Max Ernst, Maurice Utrillo en Kurt Schwitters, tot Biesheuvels eigen Nederlandse tijdgenoten Anton Heyboer en Aat Veldhoen aan toe.
Minder talrijk maar toch opvallend zijn de namen van kunsthistorici. Soms staat er alleen hun achternaam, af en toe niet geheel correct gespeld. In die gevallen blijkt uit hun plaats in de associatief samengestelde lijst al snel om wie het gaat. Zo volgt ‘Panovski’ direct na ‘Pevsner’ en de combinatie maakt duidelijk dat wordt gedoeld op de befaamde Erwin Panofsky (1892-1968) en Nikolaus Pevsner (1902-1983). Even verderop verwijst ‘Jan Bjelastocky’ zonder twijfel naar Jan Białostocki (1921-1988), een kunstgeleerde in de humanistische traditie van de renaissance wiens naam daarom niet toevallig prijkt tussen die van twee kopstukken van de Florentijnse vijftiende eeuw, Lorenzo de’ Medici en diens tegenstrever Girolamo Savonarola. Verder worden vier Nederlandse kunstgeleerden genoemd: Hans Locher (1938), Albert Blankert (1940-2022), Kees Broos (1940-2015) en Liesbeth Brandt Corstius (1940-2022).
Direct valt op dat alle vermelde Nederlandse kunsthistorici leeftijdgenoten van Biesheuvel zijn. Toen hij hen in 1971 opnam in zijn opsomming, waren ze, net als hij, begin dertig en stonden ze aan het begin van hun carrières. Zo was Albert Blankert destijds vooral een expert op het gebied van Hollandse Italianiserende landschapschilderkunst; zijn boeken over Rembrandt, Vermeer, en in de receptie van de Nederlandse zeventiende eeuw tot dan toe als atypisch beschouwde Caravaggistische en classicistische schilders, zouden nog volgen. Hans Locher was hoofdconservator moderne kunst bij het Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum) Den Haag; pas in 1980 zou hij hoogleraar worden in Groningen, om acht jaar later terug te keren in het Haagse museum, waarvan hij uiteindelijk directeur werd. Kees Broos werkte bij het Prentenkabinet van het Gemeentemuseum en zou in 1980 Locher opvolgen als hoofd moderne kunst. Liesbeth Brandt Corstius, die in 1982 directeur zou worden van het Gemeentemuseum Arnhem (nu Museum Arnhem), was in die tijd conservator moderne kunst bij Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.
Biesheuvels waardering voor deze personen zal meer persoonlijk dan inhoudelijk zijn bepaald. Met ieder van hen onderhield hij vriendschappelijke contacten. Zo was Kees Broos zijn huisgenoot in het pand aan het Leidse Rapenburg tijdens hun studietijd in de jaren zestig. Terwijl Biesheuvel rechten studeerde (1961-1969), wijdde Broos zich aan de kunstgeschiedenis, tegelijk met onder anderen Hans Locher en Rudi Fuchs. Dat de eerste twee tot Biesheuvels intimi behoorden, blijkt alleen al uit foto’s gepubliceerd in het autobiografische Biesboek (1988), van Biesheuvel met een jolige Broos zittend op z’n schouders en van de schrijver als secondant van de langgelokte en piekfijn in het pak gestoken Locher (‘een van de knapste jongens uit Leiden’, schreef Biesheuvel erbij) tijdens een academische plechtigheid – hoogstwaarschijnlijk Lochers afstuderen in Leiden in 1965.
Rudi Fuchs, later directeur van achtereenvolgens het Van Abbemuseum in Eindhoven, het Haags Gemeentemuseum en het Stedelijk Museum Amsterdam, komt niet in de lijst voor. Toch was ook hij nauw bevriend met Biesheuvel, met wie hij kortstondig deel uitmaakte van de redactie van het Leidse studententijdschrift Kaft. Daarnaast was hij enige tijd de buurman van Biesheuvels vriendin Eva en ontfermde hij zich soms over de schrijver als deze, in afwezigheid van Eva, ten prooi was gevallen aan een angstaanval.
Liesbeth Brandt Corstius studeerde niet in Leiden maar in Amsterdam; Biesheuvel zal haar hebben gekend via Kees Broos, wiens naam in zijn lijst direct voorafgaat aan de hare, en die haar partner en later echtgenoot was. Albert Blankert, ten slotte, door Biesheuvel in zijn lijst in een adem genoemd met zijn broer, de schilder Barend Blankert (1941-2023), studeerde en werkte in Utrecht maar de schrijver zal hem al eerder hebben leren kennen als zoon van zijn leraar Samuel Blankert, die in Biesheuvels tijd op het Schiedamse Stedelijk Gymnasium, samen met rector Herfst, klassieke talen doceerde.
Hoe zit het dan met de internationale kunstgeleerden die Biesheuvel vermeldt? Erwin Panofsky had een uitgesproken en in zijn tijd innovatieve belangstelling voor de voorstelling van kunstwerken en betekenis daarvan in een cultuurhistorische context. Hij was geboren in Hannover, werkte aan de universiteit van Hamburg en was sinds de jaren 1930 verbonden aan onder meer New York University en het prestigieuze Institute for Advanced Study in Princeton. De methode van ‘iconologie’ die hij ontwikkelde en gebruikte bij de interpretatie van werken van Europese beeldende kunst van de late middeleeuwen en de renaissance heeft een onmiskenbaar stempel op de twintigste-eeuwse kunstgeschiedenis gedrukt.
Jan Białostocki werd bijna dertig jaar later geboren en was werkzaam bij de universiteit en het Muzeum Narodowe in Warschau. Hij legde zich toe op de kunst van de renaissance tot en met de negentiende eeuw, met een speciale belangstelling voor de Hollandse zeventiende eeuw. In het spoor van Panofsky streefde hij naar de interpretatie van kunstwerken in een brede cultuurhistorische context. Architectuurhistoricus Nikolaus Pevsner, geboren in Leipzig, vestigde zich na een vrij korte academische carrière in Duitsland, in Engeland, waar hij verbonden was aan verschillende universiteiten en beroemd werd als auteur van onder meer de serie The Buildings of England (46 delen, gepubliceerd tussen 1951 en 1974) en het overzichtswerk An Outline of European Architecture (eerste editie 1943).
In het Nederland van omstreeks 1970 kon niemand met belangstelling voor de bouw- en beeldende kunsten om Pevsner heen. Na een eerste Nederlandse vertaling uit 1949 werd zijn Outline onder de titel Europese architectuur in 1970 opnieuw uitgegeven, en delen uit zijn reeks over architectuur in Engeland waren hier zonder twijfel bekend. Bovendien was Pevsners invloedrijke boek Pioneers of Modern Design (1936), over architectuur en de toegepaste kunsten van de Victoriaanse tijd tot het vroeg twintigste-eeuwse modernisme, in de loop van de jaren zestig diverse malen heruitgegeven. De werkzaamheden van Jan Białostocki stonden misschien wat verder af van algemeen cultureel geïnteresseerd Nederland, maar zijn verkiezing in 1971 tot buitenlands lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) zal niet onopgemerkt zijn gebleven, zeker niet in de academische kringen waarin Biesheuvel zich bewoog, bevriend als hij was met de Leidse hoogleraren Slavische letterkunde Karel van het Reve (1921-1999) en burgerlijk recht Huib Drion (1917-2004), van wie de laatste zelf enkele jaren later, in 1974, lid zou worden van de KNAW.
Ook Erwin Panofsky had banden met Nederland. Al sinds 1954 was hij buitenlands lid van de KNAW en publicaties van zijn hand waren hier omstreeks 1970 zeker bekend. Een van zijn hoofdwerken, Studies in Iconology (oorspronkelijk uit 1939) verscheen in 1967 als paperback, en een ander, Early Netherlandish Painting, over schilderkunst en boekilluminatie in de laatmiddeleeuwse Zuidelijke Nederlanden (eerste editie 1953), kwam in 1970 ook als paperback op de markt. In de verspreiding van Panofsky’s gedachtegoed in Nederland heeft ook de eerder genoemde William Heckscher een rol gespeeld. Al in Hamburg was hij een leerling van Panofsky en later in New York diens assistent. In Utrecht had hij de iconologische methode tien jaar lang op hoogleraarsniveau gedoceerd. Na Panofsky’s overlijden in 1968 werd hij in Nederland herdacht door Białostocki in het tijdschrift Simiolus (1970) en door Heckscher in Hollands Maandblad (1969). Veelzeggend voor zowel Panofsky’s als Heckschers status in Nederland verscheen de Engelse tekst bij uitzondering, en daardoor extra opvallend, onvertaald in het verder Nederlandstalige tijdschrift.
Voor zover valt na te gaan onderhield Biesheuvel geen persoonlijke betrekkingen met de genoemde buitenlandse kunstgeleerden. Wellicht fungeerden William Heckschers bijdragen aan Hollands Maandblad voor hem wel als een venster op het internationale kunsthistorische veld. Net als Panofsky was Heckscher verbonden geweest aan het Institute for Advanced Study in Princeton, dat in de jaren dertig, na de nationaalsocialistische machtsovername in Duitsland, veel uitgeweken Europese onderzoekers verwelkomde. De formidabel geleerde Panofsky vond er op die manier een plaats tussen andere briljante wetenschappers zoals Kurt Gödel (1906-1978) en Albert Einstein (1879-1955). De objectief-wetenschappelijke connotaties van Panofsky’s iconologie zullen aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op Biesheuvel, die een ontzag had en fascinatie koesterde voor de natuurwetenschappen. Ter illustratie daarvan kan gelden dat hij tijdens zijn studietijd poogde de theorieën te doorgronden van Einstein, die bijna vanzelfsprekend – net als andere beoefenaars van de exacte wetenschappen als Louis Pasteur (1822-1895), Marie Curie (1867-1934) en Paul Ehrenfest (1880-1933) – ook voorkomt in zijn ‘Oculare’-lijst. En juist over hem had de schrijver in 1961 in Hollands Weekblad levendige anekdotes kunnen lezen in een bijdrage in twee delen, getiteld ‘Albert Einstein. Herinneringen aan gesprekken’, opgetekend door, ook nu, William S. Heckscher.
De schier eindeloze namenlijst vormt op het eerste gezicht een vreemde onderbreking van ‘Oculare Biesheuvel’. Bij nadere beschouwing sluit de opsomming echter bij uitstek aan bij het motief van de verloren bril. Biesheuvel, die zonder het hulpstuk ‘met een linker min vijf- en een rechter min zesglas nagenoeg blind’ zegt te zijn, leent op zijn reis door Polen namelijk een paar keer per dag een bril van willekeurige passanten. Daardoor ziet hij wat hem ‘aan beelden en indrukken’ verschijnt, ‘nu eens door een paarse vlinderbril van een verwijfde Russische sportleraar, dan weer door een gouden of randloos brilletje van een Engelse dame of Franse hoogleraar’. Zo kan de schrijver ‘musea, huizen en kerken’ en ‘de détails van zienswaardige monumenten en kleinere kunstobjecten, waar je niet met je neus op mag gaan staan’ toch bekijken. En hij ziet de dingen daardoor niet alleen met eigen ogen maar als het ware ook met die van anderen. In eerste instantie betreft het dus visuele perceptie van kunst en architectuur, in bredere zin vormt de externe schraging van zijn waarneming door die van ‘honderden mensen’ – voorbeelden, inspiratiebronnen, antagonisten: de ‘bril van Biesheuvel’.
VERANTWOORDING
J.M.A. Biesheuvel, Verzameld werk, Amsterdam: Van Oorschot 2008. Voor biografische gegevens over en uitspraken van de schrijver, zie Biesboek. Foto’s, documenten en tekeningen; becommentarieerd door J.M.A. Biesheuvel (samengesteld door Eva Biesheuvel-Gütlich en Tilly Hermans), Amsterdam: Meulenhoff 1988.
Verdere informatie over Biesheuvel en de hier opgevoerde Nederlandse kunsthistorici is ontleend aan interviews en artikelen gepubliceerd in verschillende media. Voor beknopte inleidingen op leven en werk van de vermelde buitenlandse kunsthistorici zie bijvoorbeeld Dictionary of Art Historians (arthistorians.info).
Met dank aan Paul Hulsenboom voor zijn hulp bij het vaststellen van de Poolse terminologie.