Kumar rook naar kokos. Ooit leek hij op jou. Zijn haar te lang voor een jongen, zijn spijkerbroeken wijd en laag. In de klas lette hij nooit op, in de pauze viel hij vaak. Hij had schaafwonden op zijn ellebogen, onderarmen, blauwe plekken in zijn nek, een litteken wit en kronkelig tussen zijn slaap en wenkbrauw.
Jij was een meisje.
Hij schreeuwde, vloekte, spuugde fluimen op de grond. In jouw hand voelde zijn hand glad en droog. Hij keek meestal naar buiten, ver voorbij de bomen, hoog de heuvels over, nooit naar jou. Jij staarde naar een klodder opgedroogd lijm, een kras in het tafelblad, in zijn ogen van vuur en hoe hij tegenover je zat. Gebogen. Hoe hij met de nagel van zijn wijsvinger je handpalm kriebelde, zacht. Lachend, zonder zijn lippen te bewegen.
Jij dacht dat dit de eerste keer was dat iemand je zo aanraakte.
2.
‘Beginnen?’ vroeg hij.
Je knikte.
Zijn tactiek was jouw tactiek: ellebogen strak in de zij, handen zo hoog mogelijk maar niet té hoog, knijpen tot het pijn deed. Jullie telden af. Van tien naar vijf naar precies op hetzelfde moment aanzetten. Het was voorbij voordat het goed en wel begonnen was, je voelde het. De trilling in zijn arm. Toch hield jij je voeten stijf naast elkaar, je pols in die ene onnatuurlijke hoek gebogen. Kumar kreunde. Hij zweette. Hij vroeg of jullie opnieuw konden beginnen omdat hij kramp kreeg, moest plassen, er van begin af aan al helemaal verkeerd voor zat. Jij klemde je kaken op elkaar, drukte door.
Jij won.
3.
Zijn moeder roffelde elke ochtend op het raam van de klas. Gaf kushandjes. Hij woonde in een huis met een plat dak, sliep daar in een te hoge hoogslaper direct onder. Benauwd. Jouw bed stond tegen geen enkele muur.
Jij hoopte dat hij net als jij hield van het geluid van vogelpootjes die scharrelden, het ritme van de regendruppels, de regelmaat ervan. Van haar. Dat wist je zeker. Zijn moeder die nooit op reis was maar nu ineens op reis was. Hij vertelde het, terwijl hij krabbelde aan een korstje op zijn knie, schopbewegingen maakte richting je schenen.
Nee, niks zei hij erover.
Jij drong niet aan maar dacht aan haar, zijn moeder, hoe sterk ze was. Je had haar spullen zien sjouwen, zware tassen, kratten, dozen. Je had haar zijn mountainbike met lekke band op haar schouder naar huis zien dragen, tassen met boodschappen aan haar arm, zijn kleine zusje op haar rug. Onoverwinnelijk was ze. Het moest wel. Onverslaanbaar.
Als jij.
Niet zij. De andere jongens uit je klas. Mats, met zijn mouwloze hemdjes en de zelfgetekende tatoeage op zijn bovenarm. Lenn, de slappeling: zijn knokkels meteen kletsend tegen het tafelblad. Ray, ’s werelds beste profvoetballer, die zó hard rennen kon. Nicky, die gelijk knalrood werd en vals speelde door zijn linkerhand om de tafelrand te klemmen.
Kumar kietelde je duim. In je hand voelde de zijne droog. In je hoofd vertelde hij je alles.
4.
Die eerste keer, hoelang geleden.
Weken. Maanden.
‘Kom op, man!’ riep iemand. Niet naar jou. Jij kneep harder, spande je buikspieren aan. Je zag hoe ze elkaar een voor een aanwezen, naar voren duwden. Hoe de meester toekeek, leunend op het tafelblad, een flauw glimlachje om zijn mond. Je wist wat hij dacht: armpje drukken was voor jongens. Toch bleef hij kijken. Iedere keer weer kijken. Hoe jij daar zat, hoe jongen na jongen grijnzend tegenover je plaatsnam, hun slappe of juist plakkerige hand in de jouwe legde en begon te drukken.
Hoe jij won.
5.
Direct naar huis, elke dag. Jij volgde hem. Drie bomen afstand. Niet vandaag. De meester hield je tegen, stond in de deuropening. Hij zei wat hij eerder zei. Serieus. Snoevend. Dat dit allemaal gauw over zou zijn, dat ze binnenkort zouden veranderen, bredere schouders kregen, langere ledematen. Hij praatte over uithoudingsvermogen, vetverdeling. Over de meisjes in de klas die al borsten hadden, heupen.
Hij keek je daarbij recht in de ogen.
Misschien ook even omlaag.
Jij schoof de tafels heen en weer, tilde een paar stoelen op. Geloofde er niets van. Buiten trainde je harder. Trok je op aan de rekstokken, vijftien keer de kin boven de rand, twintig keer, veertig. Terwijl de andere meisjes koprollen maakten.
6.
’s Avonds, bezweet, probeerde je je moeder een kus te geven. Ze legde een hand op je voorhoofd, tikte haar koude vingertoppen tegen je wang. ‘Wat heb je?’ vroeg ze.
Gewonnen, zei je. Niet hardop. Je zei dat je het gewoon heet had. Dat het kwam omdat je je kamer had opgeruimd, de was gevouwen, een paar meubels verplaatst. In het schriftje onder je kussen schreef je hoelang je had kunnen planken, bijna vier minuten. Hoe vaak je had kunnen dippen tussen twee onstabiele stoelen: drieënzeventig keer.
Onder de dekens dacht je aan Kumar. Aan hoe zijn haar altijd naar links viel wanneer hij er een hand doorheen haalde. Aan hoe zijn stem klonk toen zijn moeder hem eens ophaalde, hoe zijn ogen en mond en wangen omhoog kwamen, zijn armen.
Je dacht aan je eigen moeder. Die altijd koude handen. Aan Kumar. Zijn ogen. Hoe jullie ’s ochtends in tegengestelde richting rondjes renden om het veldje. Zijn knieën opgetrokken. Hoe hij iedere keer wanneer jullie elkaar passeerden zijn hand uitstak, zijn arm, je vingertoppen schampte.
7.
De meester vertelde erover in de klas, na een klap met zijn liniaal op het bureau. Hij zei dat Kumar voorlopig niet op school kwam. Lenn stak zijn vinger op. ‘Is hij ziek?’ vroeg hij.
De meester wreef over een krijtje, streek zijn hand af aan zijn broek, klopte erop, zei niets. Nicky vroeg of Kumar zijn been gebroken had. Verdwaald was. Ontvoerd.
‘Doe niet zo maf,’ zei de meester. Hij keek jou aan. Zijn lippen trilden. Jij stak je vinger op.
De meester had het niet gezien. Nooit iets gezien, zei hij. In de pauze stonden de juffen buiten. Na schooltijd bleef Kumar niet hangen, draalde niet. ’s Ochtends kon hij hem niet opgemerkt hebben, daar achter het fietsenhok, handen diep in de zakken, radeloos gezicht verborgen achter vettige haren.
‘Meester?’ vroeg je.
‘Nee,’ zei hij richting de lege tafel. ‘Tijd om aan het werk te gaan.’
8.
Thuis kamde je jouw haren, knipte de klitten eruit, de uiteinden recht af tot net onder je oren. In de badkamerspiegel zag je het voor je. Wat er gebeurd moest zijn. Zijn vader die thuiskwam. Kumar onder dat platte dak, gehurkt. Luisterend naar hoe zijn vader zijn schoenen uitschopte, zijn tas neergooide.
Hoe hij wachtte.
Tot zijn stem dieper werd, de hare hoger. Tot de meest breekbare dingen braken. Er iemand gilde, misschien. Er ergens met een vuist op geslagen werd. Zijn ogen. Hoe hij luisterde.
Naar de veertien snelle stappen van zijn moeder de trap op.
De roffel, op zijn kamerdeur.
Het uiteindelijk stil werd.
9.
Een paar weken geleden zei Lenn dat het anders moest. Gelijkwaardiger. Het poulesysteem was Nicky’s idee. Tien namen schreef hij in twee rijen op een blaadje, de jouwe bovenaan.
Iedereen speelde tegen iedereen, zei hij. Winst was één punt. Verlies nul. Gelijkspel bestond niet. De twee overgeblevenen uit elke poule gingen door naar de halve finale. De allerbesten speelden de finale.
Mats koos een dag. Woensdagmiddag. Jij prikte een tijd. Direct na school. Kumar zei dat hij niet meedeed. Hij schudde zijn hoofd, pakte een pen, streepte zijn naam door. Keek iedereen aan behalve jou.
10.
Woensdagmiddag. Iedere vijf minuten een andere hand. Koud, klam, kleverig. O, Mats. Lenn. Nicky. Je kon hen hebben.
Die jongens.
En de meester maar lachen. Zo flauw.
11.
Op het veldje zag je hem weken niet. Maanden. Toen je hem wel zag, rende hij je voorbij, en nog een keer voorbij. Je keek naar zijn kuiten, zijn bovenbenen, hoe zijn middel net boven de heupen smal overging in schouders breder dan je je ze herinnerde.
‘Je moeder?’ vroeg je, terwijl hij heel even tegen het stalen hek leunde, omhoogkeek, niets zei maar vrolijk zwaaide naar een meisje met een gladgekamde paardenstaart, blote buik, een sportbroekje strak en roze en kort.
Je stak je hand naar hem uit. Kumar stopte de zijne in zijn zak. Zijn haren vielen naar rechts voor zijn ogen. Je zocht zijn blik. Zag het vuur er bijna uit, nee, er nog altijd in, smeulend.
‘Wij moeten nog,’ zei je.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Echt niet,’ zei hij.
Verderop lachte het meisje.
Jij keek omlaag, zag je ribben, de opbollende spieren van je bovenarmen, de blauwe plekken rondom het zachte, weke, gevoelloze van de rest van je lichaam. En aan de binnenkant, de kneuzing van het denken aan het alles en het overal waar je dacht dat hij niet op school maar toch geweest moest zijn.
‘Morgenochtend,’ zei je.
‘Goed dan,’ zei hij.
Het meisje in het roze had heupen. Borsten. Lachte naar hem.
Jij was een meisje.
12.
Zijn hand in de jouwe. Zo koud. Het leek een eeuwigheid geleden dat je Ray in de finale verslagen had. De jongens hadden het oneerlijk gevonden, gefluisterd dat je vals had gespeeld, vies. In de herkansing keken ze naar elk detail: hoe je zat, of je te vroeg begon, je hand steun zocht achter je elleboog, je schouder meebewoog, je vingers de tafelrand omklemden, je lichaam zich kromde.
Niets zagen ze.
Nu raakten onder tafel zijn knieën de jouwe. Kumar zat zo dichtbij dat je ongezien met je pink over zijn pols kon strelen. Je wilde je hand door zijn haar halen, eraan ruiken, erachter komen of daar de geur vandaan kwam. Je wilde hem aanraken. Zijn huid. Je neus ertegenaan drukken. Hem ruiken.
Je deed het niet.
Beginnen? vroeg hij.
Hij begon.
‘Hé,’ zei je.
De jongens lachten. Kumar probeerde je hand om te draaien, drukte zijn duim over je vingers, rolde jouw hand zo dat de zijne bovenop kwam te liggen. Het was niet toegestaan. Je keek naar de meester. Hij haalde zijn schouders op, keek omlaag. Je voelde een pijnscheut in je onderarm. Pijn kon je hebben. Je ademde dieper in, door je neus.
Kumar zette aan. Hij hield zijn arm stabiel. Je voelde het. Geen trilling. De pijn werd erger. Je begon te zweten. Vroeg hem te stoppen, je hand recht te draaien, opnieuw te beginnen.
Hij zette zijn nagels in je palm. Draaide zijn lichaam lichtjes mee, gebruikte zijn hele bovenlijf. Jij duwde je elleboog stevig tegen de tafel, hield je schouder strak, drukte zo hard je kon.
‘Stop,’ zei je.
‘Nee,’ zei hij.
Je blies. Wreef met je vrije vingers over je ogen, je wangen, krabde ergens tussen je slaap en wenkbrauwen. Hij gromde. Kneep, hard. Drukte je hand steeds verder omlaag. Je knokkels, zo dicht bij het tafelblad.
Dit kon niet.
Mocht niet. Hoe hij keek, zijn ogen zo donker.
Het maakte je bang.
De geur van kokos, plots was het er. Diep in je neus. Misselijk werd je ervan. Zijn voorhoofd raakte het jouwe. De klodder opgedroogde lijm. De kras in het tafelblad. Alles verdween. Gelijkspel bestond niet, je wist het. Je leunde naar voren, tilde je elleboog op, bracht je lippen dicht bij zijn oor. Losse letters. Je fluisterde het, zo zacht. Net je vader, zei je. Drie woorden. Druppels op een dak. Nee, slagregen in zijn gezicht.
Geen weg terug.
De meester, de jongens. Zij zagen het. Hoe zijn ogen en mond en wangen ineen zakten. Zijn hand zo snel omlaag kwam. Jouw kaken, op elkaar geklemd, je vuist. Hoe je doordrukte.
Won.
13.
Wat je verloor, je zag het. Vanuit de verte, op het veldje, in tegengestelde richting. Zijn benen langer, zijn schouders breder, zijn knieën hoog opgetrokken. Zoveel bomen afstand. Jezelf, stil in de berm, hand uitgestoken, gehurkt. Wachtend op wat komen ging, al begonnen was, het gedempte van zijn schoenen in het gras. De roffel.
Zijn vingertoppen.
Tot hij je weer schampte.