Letters Zijn Mijn Vrienden

Maria Johanna Alphonsius Goos

De vrouw die aan het woord is, loopt door een ziekenhuiskamer. Ze is schrijfster en heeft een hersenbloeding gehad. Ze weet niet of ze nu aan het werk is en een boek schrijft of dat het de realiteit is. Ook weet ze dus niet of ze Pascalle fantaseert of dat zij er echt is.

LAURIE

Hoofdstuk 1. Schuine letters: ‘Wat leeft er in de walnoot.’

Even rustig nadenken.

Al met al toch wel een verwarrende situatie even zo vrolijk.

Zit ik nu in mijn hoofd of zit mijn hoofd in mij.

Een hele aderlating zo een bloedend pannetje. Hersenpannetje… sommige dingen kun je je beter niet afvragen. Het moet een lolletje blijven. Daar ben ik heel… dinges.

Wat een eigenaardige sensatie in mijn benen. Als het mijn benen zijn die ik hier zie aan de onderkant. Die linker komt me wel bekend voor. Die rechter…daar durf ik geen uitspraak over te doen.

Laat ik er maar vanuit gaan dat het mijn benen zijn anders heb ik niets meer om op te staan.

Het is wel komisch in feite. Alles aan me begint uit zichzelf een verhaal te vertellen. Handen kunnen schrijven, maar wat een revelatie dat benen dat ook kunnen! Als ik dat eerder had geweten dan had ik mijn tenen leren typen. Ik met een glaasje en die tenen maar typie typie typie…

Schitterend. Ronduit schitterend.

Ik voel de druk en de kou van het water tegen mijn benen. Ik sta in een vijver. Mijn vijver?

Het zonlicht op het water, de lelies om mij heen…deze schoonheid, deze schoon­heid mag mee naar de eeuwigheid. Ik geef het cadeau aan de scherper aller dingen. Kijk eens? Dit heb ik er van gemaakt schepper, opschepper. You like it?

Maar wat is de story. Waar gaat het naartoe.

Benen zijn koud. Er moet wel een beetje structuur in zitten…

god god voor ik met mijn uitgever een consensus heb bereikt over de structuur…staat ze in een vijver met haar benen in het gips?

Nee sufferd natuurlijk niet.

De benen zijn in gips gegoten.

Ze is aangereden en in het ziekenhuisbed voelt ze haar benen niet en daardoor denkt ze aan de vijver waarin ze bijna was verdronken toen ze vier was. Even erbij blijven. Zo moeilijk is het nou ook weer niet.

De aanrijding. Dat is de situatie. Ik ben veertien jaar. Wel een beetje jong voor een hoofdpersoon. Nou ja, ik heb altijd al een oude geest gehad. Dus het zou kunnen. Dan is de aanrijding het begin. En dan benen? Hoe verder?

Zaal:

PASCALLE

Dat ik nu niet naast haar zit en haar gezicht tussen mijn handen houd en haar troost, dat is een levenslang misverstand.

LAURIE

Wacht nou nog even.

Het zou wel prettig zijn als ik nu wist of ik nu aan het werk ben, of dat ik dit meemaak. Als ware het de realiteit, zeg maar.

Zit ik nu in mijn eigen verhaal, ben ik nu aan het schrijven, of is dit gebeurd.

Veertien. Nou ja, als ik er de schoonheid maar van heb gezien.

Soms wordt een levend wezen door de kudde vroegtijdig afgesc. Soms wordt een levend wezen door de kudde vroegtijdig afgeschreven. ‘Laat maar liggen. Verloren zaak.’

Maar mijn leven niet. Er kwamen mensen naar me toe toen ik op de grond lag.

Ik ben niet weg. Of wel. Ben ik weg.

Waar zit ik op de tijdlijn.

En persoon hier aanwezig. Zit zij ergens op mijn tijdlijn?

Zaal:

PASCALLE

Nog geen halfuur. Misschien niet eens een kwartier. We hadden alleen maar ‘ja’ hoeven zeggen. ‘Ja, ik zie het, ik voel het. Het is er.’

LAURIE

Wacht even. Je betrekt mij nu ergens in waar ik… ik ben pas veertien. Ik ben bij de val. Ik werd aangereden en er werd voor mij gestopt.

Als ik daar de schoonheid maar van heb gezien.

Ik wil persoon die hier, hier… geen idee wat ik bedoel met ‘hier’, maar er is altijd een ‘hier’, dus ok dan, die dus ‘hier’ aanwezig is… aanwezig is… aanwezig… aanwezig… ook al zo een existentiele grootheid… maar toe maar dan… dus persoon hier aanwezig, is misschien een projectie die zich verplaatst in mijn hoofd, op zoek naar een veilig plekje. Nou ja, een kniesoor die daar op let.

Ik wil persoon, in welke dimensie dan ook, laten weten dat het goed gaat. Maar het ding waar ik in woon, het ding met gaten… dat ene gat moet dan woorden boeren, geloof ik. Dan zou persoon het begrijpen.

Zaal:

LAURIE

Ik ben persoon aan het zoeken in mijn hoofd.

PROJECTIE: Met een vergrootglas zien we het gezicht van PASCALLE van heel dichtbij. Overvloeiende in andere gezichten. Jong, oud, alle kleuren. Misschien kijken ze hier samen naar. Of iets totaal anders. Anders gaat de tekst gewoon door:

LAURIE

Misschien een werkstudent die hier moet zitten om te kijken of ik niet toevallig aan het overlijden ben. Eigenaardige situatie. Niet per se onaangenaam, wel erg eigenaardig. Een andere mogelijkheid, want je moet altijd overal rekening mee houden, is dat tijd slechts maar een mathematische afspraak is.

Dat ‘toen’ en ‘nu’ en ‘later’ alleen maar codes zijn om de boel een beetje ordentelijk te laten verlopen.

Interessante gedachte.

Moet ik uitwerken.

Dan ben ik nu misschien geen veertien.

Dan is het ongeluk misschien al heel lang geleden.

Dan is het iets anders waardoor ik hier ben. Aan draden. draden…eigendradige situatie.

‘Ben’… existeer. Of existeer… verwarrende toestand.

Eerst even in kaart brengen wie deze persoon hier is.

Was het dan de val in de kruipruimte waardoor mijn pannetje is gaan bloeden? Ja! Het komt door de val! O wat heerlijk! Dan ben ik pas 24 jaar!

Dan was ik net met de avondtaal begonnen.

Och, de avondtaal.

Lieve taal, wat heb ik van je genoten.

En waarom ben je… waarom ga je nu zo dwarsig overal doorheen. Waarom doe je maar wat. Ik had je zo lief. Zo innig innig lief. Nog! Hoewel er wel definitief iets is veranderd in ons contact.

Ik had de ochtendtaal, de middagtaal en mijn favoriet: de avondtaal.

Alles weg. Althans… beetje rommelig bezig… verwarrende toestand dit.

Ik vertel niet dit verhaal. Dacht ik. Tenminste… Ik zie geen letters. O jee, o jeeee, het verhaal vertelt mij. Dat is een heel andere, tikje onwennige situatie, maar ok, ik sta voor alles open. Als het ware.

Zaal:

PASCALLE

Het was er al. Alles was er al.

* Dit is een fragment van een nog af te schrijven toneelstuk.