Een mens heeft röntgenogen nodig. Sprak een romanschrijver uit de eeuw van de maskerade niet over ‘de sluier der fantasie gespreid over de naakte waarheid’? Zoals zijn werk en dat van vele andere waarheidszoekers toont, is de liefde de ultieme versluiering, slechts erop wachtend dat haar sluier wordt weggetrokken. Of leven we voor de fantasie, zoveel aangenamer dan de waarheid? Ja, totdat de laatste zich meldt.
Vlak voor de onverwachte voorjaarsreis van Richard Hemmelmann naar het Berner Oberland met zijn bloedmooie Marokkaanse vriendinnetje van 21 lentes – de helft van zijn leeftijd, maar mede door haar had hij al twee jaar het idee dat de zomer haar intrede had gedaan, ondanks dat de communicatie schaduwen wierp, anders gezegd, en toch om in dezelfde metaforische, meteorologische sfeer te blijven, dat er zich vaak bewolking vormde; wat ze voelde, wat ze dacht, wat ze deed, het was hem een compleet raadsel. Alles had hij uit de kast gehaald om haar te leren kennen. Op afstand, en dat waren ze doorgaans ook geografisch, bleef ze. Soms reageerde ze niet, vaak alleen met ‘ciao’, terwijl haar Italiaanse woordenschat best wat groter was. Om wanhopig van te worden! Deze voormalig docent liet zich desondanks omwille van de node gemiste romantiek, vijf jaar om precies te zijn, in het schoolbankje plaatsnemen om te leren over de vermeende gewoonten en gebruiken van een grillig meisje uit een cultuur die niet de zijne was. Of was het borderline? had hij zich afgevraagd. Iets anders? Hij had gegoogeld naar symptomen van deze en gene aandoening, telkens stelde ze hem voor nieuw verrassingen.
Feit was dat als ze elkaar in levende lijve zagen ze het wonderwel goed met elkaar konden vinden, alsof haar persoonlijkheid via de telefoon losstond van haarzelf. Een fantasie. Ja, een fantasie was ze, eentje die Richard Hemmelmann in verrukking bracht. Overigens, hoewel gelovig droeg ze geen hoofddoekje. Ze had haar haar gesteild, maar Richard gaf de voorkeur aan haar krulletjes, die hij slechts één keer had gezien.
Fantasie werd meer werkelijkheid, in plaats van naar familie in Noord-Italië – wat eerst de bedoeling was geweest, voor onbepaalde tijd, en elkaar daar zien behoorde niet tot de mogelijkheden – een paar dagen met hem naar Zwitserland. Een bijzonder aangename verrassing en een nieuwe fase in hun relatie, normaliter vertoefden ze alleen op bankjes in Catánia – op het centrale plein had hij haar tijdens een zomer ontmoet, in die stad woonde ze met haar moeder. Vaak zagen ze elkaar slechts een paar uur, in de buurt van waar ze woonde – haar moeder wilde nog weleens bellen – of, recenter, op de rotsen aan de kust, waarna ze die avond in de bowlingzaal La Playa hadden gebowld, ergens buiten de stad. Ze waren er afgezet door Salvatore, een aimabele Siciliaanse taxicauffeur, dat wil zeggen zonder autogordels en wellicht zonder vergunning. Een beetje zoals hun relatie.
Het meisje, Fatima, droeg een zwart jurkje dat hij haar had gegeven; van kleine tasjes was hij op kleding overgestapt en overal waar hij in Nederland tweedehands winkels zag, stapte hij naar binnen om kleding in extra small te kopen. Ze was petite. De vrouwelijke verkopers raakten vertederd als hij bij de kassa kwam afrekenen of inlichtingen vroeg over kledingstukken. Met een mengsel van trots en verliefdheid vertelde hij dat hij een vriendinnetje had. Wat heerlijk om dat te kunnen zeggen! Kon hij het maar met zijn familie delen; vooral de vrouwelijke leden hadden niet veel op met zijn keuze. Onduidelijk waarom, iets instinctiefs, bij zijn moeder speelde mogelijk de islam mee, waardoor hij zichzelf genoodzaakt had gezien om op een gegeven moment de informatiestroom stop te zetten. Zonder vergunning en autogordels. Voor de autogordels zou zijn vriendinnetje kunnen zorgen. Afwachten.
Nu hun rit minder bumpy aan het worden leek, kon hij wat delen en zijn moeder was, wellicht schuldbewust, tot zijn genoegen zelfs aanmoedigend geweest. Toen ze vlak voor zijn vertrek met de nachttrein naar Zürich op een zondag eind mei vroeg: ‘Delen jullie een kamer?’ antwoordde hij echter: ‘Dat is privé.’ Het was zijn moeder, hij hield van haar, maar hoe meer je deelt, hoe zwakker je jezelf maakt, zoveel was hem inmiddels duidelijk geworden. Beter om een rookgordijn op te werpen, juist bij familie. Een vriend van hem had eens gezegd dat je het recht had om je geliefde niet voor te stellen aan je familie. In theorie prachtig, moeilijk in de praktijk wellicht. Toch had hij zich afgevraagd hoe dat zou gaan, hij kon het zich moeilijk voorstellen, terwijl inderdaad nergens stond geschreven dat je je geliefde moest tonen. Waar vrienden jarenlang ongezien konden blijven, of voor altijd, eiste de wereld dat je snel voor de dag kwam met wie je de bloemetjes buiten wilde zetten. Vermoedelijk iets dierlijks, de kudde moest weten met wie ze te maken had en of er kroost te verwachten viel, een fenomeen waar Richard van walgde.
Het bowlen had Richard voorgesteld. Een ongedwongen activiteit, en stiekem ook omdat hij haar op die manier eens beter kon bekijken; terwijl zij, die nog nooit had gebowld, noodgewongen haar ogen richtte op de kegels kon hij, gezeten op het bankje, zijn ogen de kost geven. Ze hield haar jas, een zwart-wit geblokte, echter tot zijn verbazing de hele avond aan. Het mocht de pret niet drukken, de avond was een vrolijke geweest. Hij gooide strikes, bij haar kwamen de ballen in de goot terecht. Charmant! Ook air hockey speelde ze voor het eerst. Richard vond bordspellen iets voor losers, voor bowlingbanen, kermissen en speelhallen kon je hem ’s nachts wakker maken.
Fatima had verbazingwekkend genoeg aangekondigd dat ze een kamer zouden delen, de reden waarom hij wat voorbehoedsmiddelen in zijn toilettas had gestopt. Ook al was hij hartstochtelijk, hij zou hij een gentleman zijn, hoe dan ook moest je rekening houden met onverwachte omstandigheden; het vuur van de jeugd, de nieuwsgierigheid, en vooral gezien het grillige meisje. Elke keer dat ze elkaar zagen, kusten ze elkaar, sensueel, alsof de islam slecht een vaag gerucht was; wat ze te raden overliet in haar afgemeten berichtjes, liet ze hier geen onduidelijkheid over bestaan. Een paar keer had ze zelfs zijn hand genomen en hem onder haar bovenkleding geleid en zijn hand naar onontdekte gebieden geleid, waarbij hij fluisterde: ‘Ik wil je.’ Zij wilde hem ook, zei ze. Het bedrijven van de liefde in het Berner Oberland moest dus niet al te snel van de tafel worden geveegd als een product van verhitte verbeelding, sterker nog, het lag in de lijn der verwachting. Waarom zou ze anders één kamer willen? Binnen de islam alleen aan getrouwden voorbehouden. Wie A zegt, hoeft niet meteen B te zeggen, toch lag B binnen handbereik.
Hij had een kamer gevonden in Zürich, voor de eerste nacht, en een lodge in Stechelberg, vlakbij Lauterbrunnen, waar ze graag heen wilde. Definitie van een relatie: eventbureau. Hij deed het met liefde. Al kende Richard Zwitserland best aardig, het Berner Oberland was voor hem terra incognita. Een win-win situatie, het had er vaak anders voorgestaan in Richards leven.
Zijn behandelaar, een zachtaardige Turkse man, meldde dat hij samen met zijn gezin het gebied had bezocht. Grindelwald, hij zei dat het prachtig was, echt heel fotogeniek ook, overal daar kon je van die foto’s maken die op ansichtkaarten stonden, en bovendien wist hij te vertellen over de hoogste berg daar, die Jungfrau, dat die zo werd genoemd vanwege de maagdelijkheid, verwijzend naar het feit dat die berg nog niet was bestegen, in de negentiende eeuw dan. Ze keken elkaar veelbetekenend aan en Richard schoot prompt te binnen dat er er nu wellicht velen over haar heen waren gegaan.
Zelf had hij zich ook al wat ingelezen en stuitte toevallig op een reisbeschrijving over Zwitserland van François HaverSchmidt, alias Piet Paaltjens – Richard hield van Snikken en Grimlachjes – die schreef dat de berg haar naam dankte aan het feit dat zij zich, schroomvallig als maagden betaamt, niet vaak liet zien, veelal bedekt door een sluier van wolken: ‘Niet zonder reden heeft men het de Jungfrau genoemd, want een maagdelijke schuchterheid weerhoudt haar dikwijls, haar schoon gelaat der bewondering prijs te geven. Dan slaat zij zich een sluier van wolken om het voorhoofd, dan dat weet zij zóó behendig te doen, dat wie niet beter wist, zou meenen, dat er daar in de buurt in het geheel geen Jungfrau te vinden was.’
Eén keer liet zij zich aan de gedoemde dichter zien! ‘Alsof er een blos gleed langs het rein gelaat der Eeuwige Jonkvrouw; – wel, het was, om met Jozua uit te roepen: ‘Zon, sta stil’, opdat men het uren lang zou mogen bewonderen.’ En later, als de wolken komen aandrijven, ‘die haar top opnieuw wilden omnevelen, maar ze dreven voorbij, en niet voor een uur of zeven was alles daarginds weer een onderdoordringbare grauwe massa.’
Met dit feitje – uiteraard niet over de maagdelijkheid, dat hield hij voor zichzelf – zou hij bij Fatima aan kunnen komen. Hopelijk zouden ze de Jungfrau ook in volle glorie kunnen aanschouwen.
De kosten zouden worden gedeeld, had ze laten weten, reden waarom Richard had ingestemd met de reis, anders werd het te begrotelijk. Opvallend, want doorgaans speelde chronisch geldgebrek haar parten – en daarmee hem. Grootste kostenpost tot nu toe: een operatie aan haar ogen, een slordige 800 euro. Het cliché, de liefde maakte weer eens blind. Richard: dichter en een kleine speler in de literaire wereld, dus structureel krap bij kas. De aanvraag van subsidie voor een novelle – hij wilde weleens proza proberen, de wereld verlangde wellicht proza – liep nog. Hij voelde zich een zwerver. Een bedelaar. Daar kocht je als man weinig voor in de wereld van de liefde. Ach, hij had haar al eens verteld dat hij niet rijk was.
Eerst wilde ze naar Stryn in Noorwegen, ze zocht een plek met natuur en rust. Ja, ze moest en ze zou naar Stryn, maakte ze hem kenbaar. Of all places. Voor een paar dagen weg diverse keren in het vliegtuig naar een plek waar Richard van een overnachting thuis een week kon leven, leek hem al te absurd; ondanks zijn verliefdheid kreeg de ratio bij hem hier de overhand. Ze stuurde hem een emoji van een gezichtje met tranen in de ogen. Even vermoedde hij dat hij daarheen werd gelokt om te worden vermoord, vaker had hij vanwege haar onorthodoxe manier van communiceren in combinatie met Sicilië gedacht dat ze banden onderhield met de onderwereld. Hij hield zijn poot stijf. Uiteindelijk gaf ze toe en gingen ze nadat Ierland van tafel werd geveegd voor de tweede optie: Zwitserland. Eveneens niet spotgoedkoop, beter gezegd het andere duurste land van Europa, maar dit was ook een wens van haar. Prima al met al, zo kon Richard met de trein.
Ja, ze wilde naar de bergen, helaas niet de Italiaanse of Oostenrijkse. En ze wilde naar de Gletscherschlucht Rosenlaui en ze vroeg of hij weleens in een stoomtrein had gezeten, ze stuurde een filmpje door. Richard verbaasde zich even over het wonder aan communicatie dat zich nu voltrok, normaal gesproken voorbehouden aan de momenten dat ze geld nodig had, een gedachte die hij onderdrukte. Hij had weleens in een stoomtrein gezeten, op weg naar Haworth, waar de Brontë-zusters woonden en Emily Woeste Hoogten had geschreven. Voor de prijs van die Zwitserse trein kon je wellicht een maandabonnement op de Nederlandse Spoorwegen nemen. Het was zaak vooraf geen spelbreker te zijn, dat hij met haar samen op reis kon, stond voorop, ter plaatse zou hij de wensen wel weten te temperen.
In de week voorgafgaand aan de nachttrein van Amsterdam naar Zürich hoorde Richard ’s nachts in bed een kabaal vanuit zijn woonkamer. Daar aangekomen bleken een paar stukken hout die op de schoorsteelmantel waren geplakt van de muur te zijn gevallen. Een van de vorige eigenaren had dat gedaan om de stenen muur, grijs geverfd, te bedekken. ‘Dit ziet er niet ideaal uit, maar wat eronder zit, is erger,’ had ze tijdens de rondleiding gezegd. Al eerder had Richard gezien dat ze vervaarlijk aan het opbollen waren. Ach, het zag er met de afgevallen houtjes wel kunstzinnig uit, de grijze achtergrond in combinatie met de rest van de houtjes, die nog vast zaten.
Een paar dagen voor de reis werd hij op een ochtend wakker en het beeldscherm van zijn teleefoon, waar hij een fotootje van zijn vriendinnetje op had gezet, ging niet meer aan. Het beeld volledig op zwart. ‘Wat een schatje,’ hadden een paar vrienden opgemerkt, een vriendin zei wel na de foto even bestudeerd te hebben: ‘Ze kijkt bevallig in de camera, maar kijkt ze jóu aan?’ Ach, ze keek in de camera, op de foto keek ze dus hem aan.
Die vrijdag toog hij naar een zaak in de binnenstad van Rotterdam om de telefoon te laten repareren. Na twee keer op en neer naar het centrum te hebben gefietst, bleek na een initiële geruststelling dat het apparaat onherstelbaar beschadigd kon worden genoemd. Meteen vreesde hij naast de onvoorziene extra kosten dat hij haar telefoonnummer kwijt zou zijn, ook al had hij het opgeschreven en opgeborgen. Twee keer was ze van nummer gewisseld, en nu wist hij, doorgewinterde neuroot, niet meer zeker of hij de meest actuele had.
Gelukkig functioneerde Richards oude telefoon nog, eentje met een heftig gebarsten beelscherm, en de sim bevatte de telefoonnummers, inclusief de hare. De meeste foto’s waren verdwenen, ook die van haar, onfortuinlijk genoeg ook de prachtige foto die ze hem onlangs bij wijze van verrassing had gestuurd, speciaal voor hem. Ach, in Zwitserland zouden ze wel weer een fotootje van hen samen schieten, zo stelde hij zich dat voor.
De reis in de nachttrein verliep voorspoedig. In Amsterdam had hij gelukkig op het laatste moment een jurk voor haar gevonden. Ze had hem gevraagd om een zwierige jurk, jaren vijftig model, te zoeken, en fotootjes ervan gedeeld. Kennelijk in de mode, op TikTok waarschijnlijk. Stad en land afgezocht, niets kon haar goedkeuring wegdragen, meerdere keren bood ze haar excuses aan. Richard, die voor zichzelf nooit een kledingwinkel bezocht – de meesten kreeg je er niet weggesleurd, zonder resultaat, zelden zag hij iemand die zich goed kleedde, hem kreeg je er met geen stok in geslagen – was juist blij om dit voor haar te doen. Twijfelachtig of de jurk, zwart en met een wit bovenstuk, bijna folklore, de juiste was. Het kwam in de buurt. Op hoop van zegen!
In Zürich aangekomen dook Richard de Coop in om wat te eten te kopen en de te verwachten schade op te nemen. Het viel wonder boven wonder mee, als je het een beetje uitkiende. Het bier was goedkoop, al zou er in haar bijzijn geen bier worden gedronken. Hoe dat later zou moeten, wist hij niet, hij kende verhalen van moslims die gewoon biertjes wegtikten, dus het zou in de praktijk mogelijkerwijs meevallen. Gelukkig had hij in Nederland nog de ingeving gekregen – Richard geloofde in ingevingen, aanwijzingen en tekens – om wat maaltijden mee te nemen aangezien hun verblijf in het Berner Oberland, de Alpenhof Mountain Lodge in Stechelbach, over een keukentje beschikte. Rijst met een zak curry, spaghetti pesto, broccolisoep en instant koffie. Een goede basis.
In de chocolade-afdeling vond hij een paarse reep alpenmelkchocolade van Cailler met daarop ‘Ich ha di gärn’, en daaronder ‘Je t’aime’ (say it with Cailler), leuk om voor haar mee te nemen als hij haar die avond van het vliegveld zou oppikken.
’s Middags had hij nog een afpraak met zijn vriend Job, eveneens schrijver, proza, die in de buurt van Zürich woonde en met wie hij ruzie had gekregen vanwege Fatima. Ze hadden het uitgepraat, zand erover. De ontmoeting verliep als vanouds, Job vertelde over zijn nieuwe vriendin, omarmd door zijn familie en hij door de hare. Zo kon het dus ook. Richard wist evenwel dat de romanticus zich niet bekreunt om wat omgeving vindt, sterker nog, juist als de omgeving tegensputterde, wist je dat je de ware weg volgde; werd ware liefde niet vervolgd?
‘Is ze de ware?’ vroeg Richard en Job antwoordde na een aarzeling: ‘Beter kan het niet worden.’ Richard ging bij zichzelf te rade. Zo vaak heen en weer geslingerd, alsof ze een spel met hem speelde, misschien had ze nu dan eindelijk ingezien dat hij iemand was die je niet hoefde te testen? Of was het puur voor het plezier? Ze hield van katten en Richard dacht aan de kat in zijn ouderlijk huis dat een jong eendje had meegenomen om ermee te spelen voordat hij het zou verorberen. Dergelijke gedachten drukte hij weg. Bij hem was het voornamelijk what you see is wat you get. Wat ook vaststond: deze reis zou een belangrijke, misschien beslissende etappe zijn op de weg naar haar hart.
Job liep mee naar het easyHotel Limmatplatz, buiten het centrum; niet dichtbij maar ook niet al te ver. Aan de goedkope kant misschien, desondanks prijzig genoeg, voor dat bedrag huurde je op plekken voor minder kapitaalkrachtige personen al gauw een suite inclusief ontbijt.
Samen gingen ze naar de kamer, waar een penetrant luchtje hing. ‘Het lijkt wel bedorven gehaktbrood,’ zei Richard, wat Job zo prachtig vond dat hij het maar bleef herhalen. Nee, zo mocht de reis niet aanvangen, nadat ze afscheid van elkaar hadden genomen zette hij het raam open, ook op de gang; bij de tussendeur naar de gang plaatste hij zijn lege waterflesje, omdat hij dichtviel. Liefde: praktische uitdagingen.
De geur werd al minder, constateerde hij bij het in- en uitlopen, al wist hij dat je het bij gewenning niet meer rook. Wederom op hoop van zegen. Richard legde de jurk bij wijze van verrassing op haar bed, hij kon het maar niet geloven dat hij haar over een paar uur zou zien. Wel flitste door hem heen dat hij het eigenlijk pas werkelijk kon geloven als hij haar zag, de meeste afspraken had ze afgezegd. Napels, Nederland, allemaal last minute gecanceld, met hetzelfde gemak als waarmee je iets in de prullenbak gooit. Schade verhalen? Geen vergoeding als er geen autogordels zijn.
’s Avonds op het vliegveld – treintickets waren twee keer zo duur als verwacht, want hij had geen kortingskaart, weer een verrassing; definitie van het leven dacht Richard, de verrassing, dikwijls onaangenaam – kocht Richard in een supermarktje een bosje roze roosjes. In de aankomsthal stonden veel orthodoxe joden, het leek wel een comité met in het middelpunt een corpulente jood in een soort badjas, ondersteund door een andere jood. Een of andere beroemde rabbi? Alsof Richard in een film was beland.
De film ging verder. Daar verscheen ze opeens, de aangename verrassing deze keer, een mirakel, de heilige graal. Ze stoof met haar koffertje de andere kant van de vertrekhal op, Richard rende naar haar toe, straks ontglipte ze hem. Toen ze hem zag, straalde ze, overbodig te zeggen net als hij. Een paar maanden elkaar niet gezien! Ze droeg een zwart zomerjurkje, bloemetjes, op Sicilië was het heet. Richard droeg een alpenjasje van tweed, voor haar had hij een Noors jasje meegenomen. Hij had weliswaar tegen haar gezegd dat het fris zou zijn, ze had er niet aan gedacht. Met haar hoofd in de wolken natuurlijk, daar zou het mooie koppie zich ergens moeten bevinden. Ze was blij met de roosjes en de chocolade en hij kocht de kaartjes voor het korte ritje naar de stad – als je lieftallige vriendinnetje net was aangekomen begon je niet meteen over een eurootje of acht.
Bahnhof Zürich: regen. Het deerde niet, integendeel. Fatima haalde haar zwarte sluier tevoorschijn en drapeerde hem sierlijk om haar hoofd. Haar moeder had de sluier gemaakt, Richard zag hem voor het eerst. Dit was alleen geen hoofddoekje meer, eerder een accessoire, die haar, althans in Richards ogen, alleen maar begeerlijker om niet te zeggen sexy maakte. Hij vroeg zich af of de stof synthetisch was. Van zijn eigen moeder had hij van jongs af aan meegekregen om alleen natuurlijke stoffen te dragen, hij bekeek altjd eerst of de stof natuurlijk was.
Terwijl ze naar het hotel liepen, nam ze alles met bijzonder grote interesse in zich op. Europa, wat zou het verbeelden voor de toeristen uit andere continenten? Een pretpark vermoedelijk. Disney. Niet verwonderlijk waren de kastelen van sprookjeskoning Ludwig de grootste toeristische trekpleister ter wereld. En was Amsterdam, waar ze als in een pretpark in de rij stonden, niet al met al een schattig poppenhuis? Bovendien eentje waar je high kon worden om de magie van de kindertijd, waarin alles nieuw is, te benaderen.
De eerste kennismaking met Zwitserland kon beter, al was de buurt achter Zürich Hauptbahnhof niet al te achenebbisj. In de trein vanaf het vliegveld had hij gevreesd of het niet te ver lopen zou zijn, voor zijn gevoel waren ze er zo, en tot zijn genoegen interesseerde het hotel haar niet in het minst, blij met de jurk. Nadat ze zich omkleedden voor de nacht, kwam ze naast hem zitten. De geur van het bedorven gehaktbrood volledig weggetrokken. Hongerig was ze. Richard droeg een korte sweatpants, zijn erectie kon hij aardig in bedwang houden.
Terwijl ze wat rustten, pulkte ze aan zijn kettinkje waaraan een gekruisigde Jezus bungelde. Richard vroeg zich af wat ze dacht. Dat vroeg hij haar niet, een moment als dit moest je niet laten verpesten door overwegingen van religieuze aard. Religie was voor hem überhaupt een persoonlijke zaak. God: een zuivere bron, alleen als er teveel komen om van te drinken, dan raakte die vertroebeld. Overal waar de massa van zich liet horen trok ze wat hoog is naar beneden om het door de drek te halen.
Die nacht droomde Richard over Martin Bosma, misschien wel de meest griezelige onder de xenofoben – schoonheid helpt in de verkoop van politieke denkbeelden, juist bij politieke denkbeelden, wat niet wegnam dat het ziekelijke ook kiezers opleverde, Wilders’ aanblik bood die van een schimmelinfectie. Hij papte met Bosma aan. Een verblijfsvergunning voor Fatima waarschijnlijk.
De volgende dag, lekker geslapen, liepen ze met hun bagage door Zürich, als ontbij namen ze de roomboterkrakelingen die Richard had meegenomen. Bij het meer van Zürich voerden ze de zwanen ermee. Misschien niet goed voor de dieren, wel romantisch. Definitie van romantiek: misschien niet goed, maar wel de schoonheid dienend, wat het leven de moeite waard maakt – voor zolang het duurt. Vervolgens lunchten ze op Richards initiatief in de Kronenhalle, waarschijnlijk het duurste restaurant van Zürich, Richard had wat verjaardagsgeld van zijn moeder gekregen. Het was feest en dat kon van de verjaardag zelf niet worden gezegd; de eigen verjaardag was een dag om de deken over je hoofd te trekken als je het Richard vroeg.
Hij wees haar op de kunst die aan de muren hing, ze bestelden de rösti met saus van kalfsvlees, zij vega, want ze kookten niet halal natuurlijk. Toen Richard om boter bij het brood vroeg, vergaten ze hem. Ja, ze moesten het weer inwrijven dat hij geen goedgevulde portemonnee had. Sommige rijken der aarde mogen zich uitdossen als zwerver – zoals veel bedienend personeel weet in het duurdere segment restaurant – ze hadden het natuurlijk gewoon geroken.
Bij het kopen van het kaartje naar Stechelberg, meer dan 90 euro p.p., kwam Fatima tekort, Richard vermoedde dat de rest van haar geld ergens onderin haar koffer zat. In de trein naar Bern kwamen ze tegenover een priester te zitten. Voor Richard voelde het alsof ze op huwelijksreis waren en die nu werd ingezegend.
Fatima wilde op zijn hotspot, die telkens uitviel. Slechte verbinding vanwege de bergen? Eerst amusant, later begon hij te vrezen dat hij er een dagtaak aan zou hebben, al bleef het mogelijk beperkt tot de eerste dag. Hij begreep het, het thuisfront moest ingelicht. Ze spraken af dat ze een vinger onder haar oog zou leggen als ze het nodig had; praktisch en zo bleef het aangenaam. Daarbij bleef het niet, ze begon filmpjes en foto’s te maken, obsessief, het moet gezegd. Ach, Zwitserland maakte haar blij, en Richard werd daar weer blij van.
Op station Lauterbrunnen, waar ze overstapten op de bus, krioelde het van de toeristen. Toerisme: de seculiere pelgrimsreis. Ook een vertroebelde bron dus. Zij leek het niet te zien, zij vond werkelijk alles mooi. Zelfs de regen deed daar niets aan af.
In de Alpenhof Mountain Lodge, dat er min of meer uitzag als op de idyllische foto, rook Richard bij binnenkomst gebraden vlees, ze hoorden het vlees sissen. Gelukkig geen varkensvlees zo te ruiken. Ze intstalleerden zich, de langgerekte kamer met twee aparte bedden in elkaars verlengde stemde haar tevreden. Ze besloten dat zij het bed aan het raam nam, met uitzicht op een bescheiden waterval. De lodge oogde authentiek, overal hout. Al met al uitstekend, het kon misschien niet beter.
Ze besloten de omgeving te verkennen. Het klaarde op en ze bestegen een berg. Richard kreeg herhaaldelijk de opdracht om filmpjes te maken van hoe ze de berg op liep. Hij maakte grapjes dat hij op zijn vakantie aan het werk was. Ze kusten elkaar op een bankje en Richard wees triomfantelijk op wat de Jungfrau moest zijn, die zich inderdaad in nevelen had gehuld. Hij legde uit wat het epische (of poëtische?) pronkstuk van hun dagen samen zou zijn. Uiteraard kon ze zelf het verband met zichzelf leggen. Je moest niet alles uitleggen, dat kwam het mysterie, dat het leven is, niet ten goede.
Daarna weer tijd voor filmpjes en foto’s, nu van haar door een bloemenweide, talloze malen overgedaan, waarbij Richard achter haar aan hobbelde verklarend dat de foto niet het echte beeld kan vervangen, dat ze er prachtig uitzag, dat niemand vindt dat hij of zij er mooi uitziet op een foto, dat hij haar maar op zijn woord moest geloven. De fotografie, zo voegde hij eraan toe, bestond ook pas pakweg 150 jaar, vroeger maakten mensen helemaal geen foto’s. Soms moest hij naar woorden zoeken in het Italiaans, dit eenvoudige wandelingetje vormde een ware uitputtingsslag.
Ze reageerde niet echt, sterker nog, ze nam het voor kennisgeving aan en ging vrolijk door. Op dat moment kreeg Richard het lumineuze idee om hier iets tegenover te laten stellen, om van de nood een deugd te maken: twee kusjes voor een foto en vier voor een filmpje. Ze ging lachend akkoord. Soms moest hij haar eraan herinneren. Iedereen tevreden, niet onbelangrijk als het gaat om een paar dagen weg samen. Zij moest genieten, dat stond echter voorop, ook voor Richard, en laten we wel wezen, als zij genoot, dan zou het genot hoogstwaarschijnlijk naar hem doorsijpelen. Het schandelijke geheim van veel opoffering.
Later die middag maakte Richard in de wasruimte kennis met de aantrekkelijke eigenares van de Alpenhof Mountain Lodge, afkomstig uit Barcelona. Richard leek op een warme belangstelling van haar te mogen rekenen. Dit kwam hem goed uit, de aandacht van Fatima voor Zwitserland was allemaal leuk en aardig, hij moest de aandacht van haar af en toe wel een beetje op hem afleiden als de kans zich voordeed. De eigenares zei dat ze de Jungfrau ook konden zien als ze met het hoofd buiten het raam naar rechts keken.
In de kamer gekomen stak Richard zijn hoofd uit het raam; nog steeds bedekt, wel iets zichtbaar van de berg. Hij overhandigde Fatima alle cadeautjes die hij had meegenomen, een tweede jurkje onder andere. Terwijl de schemering inzette, ging hij op zijn bed liggen met de ogen dicht, alsof hij sliep. Ze kwam bij hem kijken en nadat ze weg wilde lopen, zei hij: ‘Nee!’ Waarop hij hij haar over zich heen trok. In de schemering van Stechelberg ontdekte hij voorzichtig de vormen die een vrouw tot vrouw maakten, wat ze zich liet welgevallen. Richard begon zich af te vragen of het moment was gekomen, en voor hij daar lang over na kon denken: schluss. Gewend aan afzien nam hij dit sportief op en tevreden bereidde hij het avondeten, althans hij warmde het op: broccolisoep.
Er liepen wat mensen in de keuken rond, in de eetzaal bleken ze zo goed als de enigen. Alleen de telefoon hield hun gezelschap, dusdanig dat Richard ’s avond zijn ergernis kenbaar maakte over het veelvuldige gebruik van het communicatiemiddel. ‘Deze reis is van ons samen,’ pleitte hij. Richard meende dat ze het begreep. Samen, het woord maakte hem week.
De volgende ochtend ging Fatima nadat ze wakker was geworden voor het raam naar buiten zitten kijken. Vogeltjesgefluit en het bellen van geiten. Een nieuwe dag! Richard haalde een kopje thee voor haar en een kopje koffie voor zichzelf. Er zat niet uit zichzelf beweging in, dus daarom zei hij: ‘Zullen we kleding passen?’ Bij elk kledingstuk liet ze hem schuchter binnen. Een jurkje was ietwat aan de blote kant, zag hij, en dat zei hij ook, terwijl ze haar knieën tegen elkaar wreef in een vruchteloze poging het ontblote vlees te bedekken.
Wachtend op de gang trok Richard een raam open en keek naar de Jungfrau, nu volledig onbedekt. Uitstekend wandelweer zo te zien. Een prima vooruitzicht.
Het duurde even voor ze zover was. Ging het thuis ook altijd zo? Er werd niet gekeken op een halfuurtje en Richard dacht aan zijn ex, die buitensporig lang deed om zichzelf klaar te maken. Hij vroeg zich af of het zijn lot was om samen te zijn met vrouwen die om mysterieuze redenen op gespannen voet stonden met de klok, om niet te zeggen dat de klok totaal geen boodschap had voor hen mocht hij überhaupt bestaan. Nastrevenswaardig in deze tijden misschien; maakten als managers vermomde goeroes niet kenbaar dat we in het moment moesten leven? De boeddhistische bron: overal waar je kwam, werd de puurheid met voeten getreden. Maar praktisch beschouwd, de willekeur lag op de loer, en als de willekeur daar al begint, dan is het hek van de dam voordat je überhaupt iets voor elkaar kunt boksen…
Vlak daarna werd Richard op nog een andere manier aan zijn ex herinnerd. ‘Vergeet niet wat geld mee te nemen,’ zei hij tegen haar terwijl hij beneden zijn wandelschoenen aantrok. Ze kregen een paraplu van de eigenares en terwijl ze op pad gingen, vroeg Fatima naar haar. Missie geslaagd. Geluk slaat alleen om zoals het weer, daarop maakte ze tussen neus en lippen melding van het feit dat ze geen geld meer had. De radeloosheid sloeg direct en genadeloos toe. Weliswaar had hij voorgenomen hun overnachtingen te betalen, de hele vakantie op zijn conto leidde tot een kleine financiële catastrofe. ‘Is het geld er niet dan?’ vroeg ze doodleuk. Ze had wel geld gehad, zei ze, opgegaan aan een operatie van een tante.
Zijn ex? Lang verhaal, in het kort: de transactie.
Ze wandelden richting Lauterbrunnen en Richard besloot om over te gaan op de orde van de dag, dat wil zeggen foto’s en filmpjes van haar waarbij hij assisteerde, nog steeds gewillig als de koeien die ze tegenkwamen in de weides. In hun alpendroom raakte het geld even op de achtergrond. De foto’s van haarzelf moesten een paar keer over en Richard bedong een extra kus als het om een geslaagd fotootje of filmpje ging.
Op een gegeven moment begon ze aan de oever van de rivier op glibberige stenen te lopen en tegelijkertijd filmpjes te maken. Richard waarschuwde, ze woof het weg. Hij hield zijn hart vast, wetende dat ze onverzekerd op deze aardbol rondtrippelde en als ze in een Zwitsers ziekenhuis belandde, dan kon hij zich zonder twijfel failliet verklaren. Het lot werd getart, maar ook al bleef het lot waar het was, vooralsnog leek er eveneens genade te zijn.
Voor de zekerheid vroeg Richard aan een oude boer welke berg de Jungfrau was. Het bleek dat ze zich al die tijd hadden gericht op de verkeerde berg. Hij tuurde naar de top, de échte Jungfrau, die zich in een ondoordringbare mist bevond. Richard wilde zien wat zich erachter schuilhield. Zou ze zich nog aan hen prijsgeven? Richard wees haar erop.
Ze keek, voor de verandering zonder een foto ervan te maken.
Zijn humeur verslechterde drastisch terwijl ze door Lauterbrunnen liepen, alsof er fluks wolken voor de zon waren geschoven. Ze zouden met de trein naar Interlaken gaan, wat betekende dat er weer zou moeten worden gelapt. Hij liep vooruit en ergerde zich dood aan de stalletjes waar zelfs churros werden verkocht. Ze hadden werkelijk hun uiterste best gedaan om hier onder het mom van het pittoreske al het authentieke eruit te rammen. Een soort Amsterdam, een andere bestemming die Fatima op haar verlanglijstje had staan.
Interlaken hetzelfde laken een pak. Ze waren niet op vakantie, dit was een excursie, niet naar de hel weliswaar, wel op zijn minst naar een van de buitenste kringen. Hij kocht een Zwitsers dameszakmesje voor haar, nu de ramp zich had voltrokken kon dat er ook wel vanaf, en niemand mag de eerste keer Zwitserland verlaten zonder Zwitsers zakmes, aldus Richard.
Met de bus naar de Thuner See. Zelfs dat tikte aan. Geluk bij een ongeluk dat ze geen greintje honger had, alsof ze zich uitsluitend kon voeden met wat dit land haar aan droombeelden voorschotelde. Een jonge vrouw in de bloei van haar leven, lekker eten: haar niet gezien. Met een Nederlandse vrouw – die Richard zich voorstelde als iemand die kanend door het leven trok, de hele de dag door; gezond wellicht, maar romantisch? – zou hij nu geruïneerd zijn.
De Thuner See: adembenemend. Met een fotootje of drie en één filmpje had je het toch wel vastgelegd, zou je zeggen, zij bleef bezig alsof haar leven ervan afhing.
Toen ze in de bus terug voor de zoveelste keer vroeg om verbinding te maken met zijn telefoon knapte er iets bij Richard, met een vertaalprogramma op de telefoon vroeg hij of ze misschien verslaafd was. Hij keek naar de Arabische letters. Lichte verontwaardiging.
‘Dus je kunt een week zonder dat ding?’ wilde Richard weten.
‘Ja hoor,’ zei ze triomfantelijk.
Gebrek aan zelfinzicht kost niks, net als zelfinzicht, al maakt dat laatste het leven stukken aangenamer, voor jezelf en voor anderen.
Gedurende het wachten op de trein op station Interlaken informeerde Richard naar de tickets voor het bezoeken van de Rosenlaui Gletscherschlucht de volgende dag, iets wat hem werkelijk gestolen kon worden, maar waar zij haar zinnen op had gezet. Hij legde uit dat 90 euro p.p. een tikkeltje veel was, ze antwoordde dat ze dit zo graag wilde. Richard zei dat hij erover zou nadenken, wetende dat hij hier niet onderuit kon komen.
’s Avonds bereidde hij weer het eten, rijst met een currysaus uit een pak, zij bleef op de kamer, met haar telefoon uiteraard. In de keuken waren wat jongens aan het stoeien, Richard had voor het eerst de indruk dat ze zich in een jeugdhotel bevonden. Het leven: een vernedering.
Na het eten – er zat een groep, niet al te luidruchtig – moest hij haar herinneren aan het feit dat de afwas zich niet vanzelf schoonmaakte of dat Zwitserse kabouters het klusje klaarden, de vorige dag had hij het vlug zelf gedaan. Terwijl Fatima elk object minutieus schoonmaakte, alsof ze hem onder de neus wilde wrijven dat ze dit verplicht deed, dat het een straf was, kwam de eigenaar bij hen staan, die gezellig begon te keuvelen. Ze flirtte ronduit, wat Richard goed uitkwam. Beter dan de telefoon! Het droop af van haar gezicht. De jaloezie wist ze evenwel goed te onderdrukken, ze focuste op de afwas.
Richard vermaakte zich kostelijk, nog nooit had ze hem beminnelijker toegeschenen, zelfs niet op de bankjes in Catánia, verzonken in een kus. Ze was lief. ’s Avonds gingen ze op haar bed zitten en hij kondigde aan dat ze naar de gletscher zouden gaan. Daarna nam de telefoon het stokje weer van hem over. Haar minaar, haar steun en toeverlaat.
Voor het slapengaan, in het donker, vroeg Richard: ‘Hoe heet ik?’
An sich een opmerkelijke vraag na pakweg twee jaar samenzijn. Ze had hem weleens Ricardo genoemd, de Italiaanse variant, en hij vroeg zich opeens af hoe het ervoor stond.
‘Rigad,’ zei ze. Van zijn achternaam wist ze helemaal niets te fabriceren, waarop hij weltrusten zei.
Definitie van een relatie: gelegenheidstribunaaltjes. De opperrechter houdt zich verborgen.
De volgende ochtend, Richard had slecht geslapen en zei tegen zichzelf dat dit een lange dag zou worden; als hij niet goed sliep, dan kwam de wereld hard binnen, beter gezegd werd het een martelgang.
Ze vroeg of hij boos was dat ze zijn naam verkeerd had uitgesproken, waarna ze voor het raam ging zitten een naar buiten keek, uiteraard met de telefoon in handbereik om alles wat ze zag te vereeuwigen en waarschijnlijk te delen met haar moeder en alle anderen die voor hem een mysterie waren. Bij Richard sloeg de frustratie toe, in de ware betekenis van het woord; konden zijn vriendinnen niet eens een keer een beetje haast maken? Bedoelde Nietzsche dit feitelijk met dat je zweep moest meenemen als je naar de vrouwen ging?
Eindelijk kleedde ze zich aan, in haar eigen tempo. Dromerig zou je kunnen zeggen, hij kreeg het gevoel dat hij met een kind op reis was. Nee, hij hoefde haar niet aan te kleden en niet met haar naar de wc te gaan, daarmee was het meeste gezegd. Af en toe wilde hij haar per ongeluk aanspreken met de naam van zijn ex. Geen goed teken.
Het regende, maar ze hadden de paraplu. Bij de bushalte sloop een kat met witte sokjes rond. Ze hield van katten, hij ook. Ze lokten hem. Ja, zo was het goed, zo kwamen ze nader tot elkaar. Konden ze de kat niet onder de arm nemen en de telefoon in de Gletscherschlucht dumpen?
Eerst bezochten ze de waterval van Lauterbrunnen, samen met een buslading andere toeristen waardoor het dringen was boven. Het regende en Richard prentte zichzelf in: ik doe dit voor haar.
In Lauterbrunnen, hij had wat voor haar uit gelopen, werd hij weer geconfronteerd met de Schmutzigkeit van het mondiale toerisme, die zijn vriendinnetje tot een willoos slachtoffer maakte zonder dat ze daaronder leed, integendeel, ze vond deze Schmutzigkeit bijzonder lekker, heerlijker dan wat dan ook. In theorie nam het haar voor hem in; waar je oppervlakkigheid kon zien, zou je ook zalige naïviteit kunnen ontwaren.
Als een boer met kiespijn kocht Richard twee kaartjes voor Rosenlaui. De pracht van de Brienser See, de blauw-groene kleur, deed hem even de pijn vergeten. De zon die doorbrak. Troost.
Na de Gletscherschlucht, het water raasde erdoorheen, oorverdovend, waarbij hij weer vele kusjes had gestolen, gingen ze op een terrasje zitten. Ze vroeg of Richard kon vragen waar haar telefoon kon worden opgeladen, wat hij deed, en hij legde het bij terugkomst uit.
‘Kun jij het even doen?’ vroeg ze. Alsof het allemaal niet al erg genoeg was, verlangde ze nu als klap op de vuurpijl dat hij het digitale monster aan de voeding legde zodat het verder kon gaan met het verstieren van hun spaarzame dagen samen. En afgezien daarvan, moest hij werkelijk alles voor haar doen? Dat laatste in afgezwakte vorm: kon ze dit niet zelf? Verontwaardiging.
Andere definitie van een relatie: wederzijdse verontwaardiging.
Nadat ze weer kwam zitten vroeg hij haar naar haar plannen voor de rest van het jaar, want net als haar ochtenden opereerde ze qua curriculum, dus wat er van de rest van de dagen overbleef, in het luchtledige en hij had behoefte aan wat vaste grond onder de voeten. Met ‘school’, de middelbare dacht hij, was ze plotseling gestopt, onduidelijk waarom, werk als serveerster in een restaurantje kon ze maar niet vinden.
‘Waarom vraag je dat nu?’ vroeg ze.
Ok, hij zou de vraag op een ander moment stellen. Morgen, altijd morgen, en insjallah uiteraard, wat neerkomt op: ik bepaal zelf wel of en wanneer het me uitkomt, makker. God medeplichtige maken van je eigen grillen.
Op dat moment schuifelde een schattig jongetje langs hun tafel. Ze keek naar hem zoals hij graag wilde dat de moeder van zijn kinderen naar hun kind zou kijken.
Tijdens het afrekenen had ze zijn gezicht gezien, ze vroeg wat het had gekost. ‘Dat betaal je ook in Venetië,’ zei ze, terwijl ze daar nooit was geweest. De overmoed, of arrogantie, van de jeugd die de portemonnee kan thuislaten.
Tijdens de overstap in Meiringen, waar Richard nog even het Sherlock Holmes museum in wilde, vroeg hij opnieuw naar haar plannen.
‘Er zijn geen plannen,’ verklaarde ze.
Geen plannen. Richard had gehoopt dat ze een plan voor hen samen had en in de trein naar Lauterbrunnen zei hij dat hij graag wilde weten waar hij aan toe was, maar dat hij wist dat ze jong was en dat hij haar de ruimte zou geven om zich te ontwikkelen, een bloem die nog moet ontluiken. Dat waardeerde ze zichtbaar, ze hield van bloemen. Maar geen plannen.
’s Avonds in de Alpenhof Mountain Lodge bleek het opeens een drukte van belang in de keuken, Richard wachtte tot hij de spaghetti met pesto in elkaar kon draaien. Na het eten meldde Fatima in de keuken vluchtig dat ze blaren had, ze liet hem haar voeten zien – Richard zag weinig bijzonders – en dat ze naar de kamer ging; of hij even de afwas kon doen. Daarop zei ze ‘ciao’ en maakte ze zich fluks uit de voeten.
Richard liep haar achterna en maakte op hun kamer de jongedame duidelijk dat ze niet kon verwachten dat hij alles kon doen. De boosheid kon niet meer worden onderdrukt, woest was hij.
Mokkend kwam ze terug naar de keuken, die vol stond met kokkerellende en afwassende gasten. Richard staarde naar haar voetje, dat snel op en neer ging van ongeduld. Een natuurwet: de personen die alle tijd voor zichzelf nemen, waren het ongeduldigst als ze zelf op iets dienden te wachten. Net zoals mensen die graag op andermans zak teren opeens geen geld hebben als ze iets voor de ander moeten betalen.
Zat het ingebakken in de Arabische cultuur? Ach, eigenlijk overal waar je kwam, een universele afspraak om het sociale leven te reguleren, de gemiddelde Russin zou zich ook niet een wonder van gulheid betonen. En in Nederland moest je als man op een eerste date ook niet aankomen me de mededeling dat je werkloos was.
De afwas deed ze bijzonder gedetailleerd, ruimschoots nam ze de tijd, alsof er hoog bezoek zou komen. Waarschijnlijk wilde ze hem weer inpeperen dat ze er geen problemen mee had om haar handen uit de mouwen te steken.
Terug op de kamer begon de ruzie. ‘Ik had een slechte nacht en je weet dat ik dan moet oppassen, ik heb het tegen je gezegd, het enige wat ik wil is slapen,’ zei hij.
‘Er was helemaal geen probleem, je moet niet alles op een weegschaal leggen.’
‘Weet je wát het probleem is?’ brieste Richard, ‘Jij denkt alleen aan jezelf. En je telefoon, wat in feite hetzelfde is.’
‘Nee, jíj denkt aan jezelf.’
‘Luister, ik ben niet rijk en daarom heb ik al die spullen meegenomen. Als iemand heeft gekookt, dan help je bij het opruimen, zo simpel is het. Wat draag jij eigenlijk aan bij om deze reis mooi te maken?’
En na een korte stilte: ‘Jullie Europeanen berekenen alles.’
Daarop ging Richard zitten, hier moet hij even van bijkomen, dit had hij niet zien aankomen. ‘En dat zeg je tegen mij,’ zei hij, ‘na alles. Ik ben christelijk opgevoed, ik denk niet in eerste instantie aan mezelf.’
‘Ja,’ ze nam hem keurend op, ‘en hoe kan je dan moslim zijn? Je hebt nog zo’n kruisje zelfs.’ Ze schamperde.
Richard had de islam omarmd, na grondig onderzoek waardoor hij wist dat hij de twee geloven kon combineren. Hij wist al dat zijn ideaal zou stranden in de Schmutzigkeit van de doorsnee gelovige. Religie fungeerde voor het gros een beetje als voetbal, je koos voor een bepaalde club en daar hield je je bij, terwijl alle geloven op hetzelfde neerkomen, slechts de gewoonten verschillen. God koos geen partij, die zweefde boven alle partijen. Op politiek niveau idem dito, toen Diogenes de cynicus werd gevraagd waar hij vandaan kwam, antwoordde hij: ‘Ik ben wereldburger.’ Nationalisten hielden vast aan hun nationalisme zoals een klein kind aan een als wurgslang vermomde teddybeer.
Met dit alles hoefde je natuurlijk niet bij een meisje uit een provincie zonder opleiding aan te komen. De islam: net als haar smartphone een verlengstuk van haar egocentrisme.
Richard, moedeloos bij de gedachte aan een theologische discussie, dacht aan de ergernis die Christus had opgewekt, de essentie van het christelijk geloof volgens de Socrates van Kopenhagen. Op zijn telefoon had hij die middag toevallig gezien dat het deze dag Corpus Christi was, hij voelde zijn kruisje op zijn borst branden.
‘Heb je de Koran gelezen?’ vroeg hij.
‘Nee,’ antwoordde ze, ietwat beschaamd. Dat sommige christenen de Bijbel niet hadden gelezen was tot daaraan toe, een dik boek, de Koran evenwel had je zo uit, er zit ook veel herhaling in, er bestond zelfs een traditie om de gehele Koran te memoriseren, iets wat je best van een fatsoenlijke gelovige kon verwachten die haar dagen in ledigheid doorbracht.
Een wezenlijk kenmerk van onwetendheid; de drang om voor anderen te bepalen wat wel en niet goed was. Religie voorziet voor velen in die behoefte.
‘Nou ik wel,’ zei Richard, ‘en ik kan je vertellen dat de islam en het christendom elkaar niet uitsluiten.’
Ze gingen vroeg slapen.
’s Nachts onstond er een enorm lawaai op de gang, alsof de Alpenhof Mountain Lodge opeens een bataljon soldaten ingekwartierd had gekregen. Ook dierlijke, smerige geluiden; neus ophalen, geboer, et cetera.
Richard, die zich afvroeg wat dit alles te betekenen had, écht betekende, ging de gang op en probeerde een jongen in de kamer naast hen tot rede te brengen. Hij zag eruit als de kruising tussen een gamer en een metalhead en deed alsof hij niet wist waarover Richard het had. Hij bespotte hem.
Richard deed een rochelgeluid na, waarna de jongen heimelijk geamuseerd keek. Overal waar je een stap op deze wereld zet: de menselijke arrogantie, die als je niet uitkeek over je heen marcheerde.
De volgende dag: het vertrek. Melancholie, ondanks alles. Daardoor vergat Richard om in de bus te kijken of de Jungfrau iets onthulde, hij keek in plaats daarvan naar haar gezicht. Mooi was ze nog, maar een schoonheid die op afstand was komen te staan, niet meer van hem. Mistig, uitdagend als je goed keek. Spottend.
De treinen zaten stampvol, vooral met Aziaten die hun hele inboedel leken te hebben meegenomen. Gebrek aan slaap, waardoor Richard bij elke stap als het ware een klap op zijn hoofd kreeg, met hun beider koffers zeulend. Af en toe zat hij vastgeklemd en trok hij de koffer langs de mensen heen en bekommerde zich niet om de eventuele overlast. Uiteindelijk vonden ze een plaatsje.
Hij praatte op haar in, dat hij haar zou missen, en hij stelde voor alleen te ruziën als ze in Zwitserland waren et cetera. Ook hield hij een betoog dat de mobiele telefoon, die ze uiteraard paraat had – ze wilde weer voortdurend op zijn persoonlijke hotspot – de menselijke relaties verziekte. Als dichter had hij zoveel mooie, onverwachte ontmoetingen gehad; als hij voortdurend op zijn telefoon had getuurd zou dat nooit zijn gebeurd en zoveel schoonheid aan hem zijn voorbijgegaan. Ze keek alsof ze het met hem eens was, ja onder de indruk.
Op het vliegveld van Zürich maakte ze haast om door de security te gaan. ‘Of zal ik blijven?’ vroeg ze.
‘Zelf weten,’ antwoordde Richard, waarna ze voorstelde om op een bankje te gaan zitten. Ze hadden nog wat chocolade en zwijgend vouwde ze de wikkel met ‘ich hä di gärn’ samen tot een propje.
Daarop zag Richard in zijn ooghoek een groepje jongemannen van wie een jongen een feestpak droeg in de vorm van een vagina. Ze kwamen dichterbij, op zoek naar bier, zo bleek, en Fatima keek de groep lachend aan. Verleidelijk. Het stak Richard.
Toen het zover was, vroeg hij of ze wel geld had om de bus te nemen vanaf het vliegveld naar Catánia. Een keer had hij haar zien zwartrijden in die stad, waar ze tot zijn verbazing luchtig over deed. Het bleef diefstal. Richard gaf haar vijftig euro, hij had niet kleiner en wilde geen vrek zijn. Hij zei dat ze ook maar een zakmes voor haar moeder moest kopen.
Het afscheid: koeltjes, ze keek nog een keer lachend achterom – een flauw glimlachje, een die ze ook opzette bij de security waarschijnljk – aan het einde van de gang niet meer. Uit het oog, uit het hart. De telefoon in handbereik.
Richard, doodop, pakte de trein naar Winterthur, waar hij op het station een blik Zwitsers bier en een pretzel kocht. Hij belde zijn zus en ze kwamen al pratend tot de conclusie – ze had het over de princess treatment – dat hij het beter uit kon maken. Vervolgens ging hij naar zijn hotel. Het regende, een handvol pillen en slapen. Hij sliep een uur of twee in zijn comfortabele kamer. Zalig.
Op weg naar het stadje belde hij zijn moeder en deed verslag. Zijn moeder hield zich in en zei: ‘Het lijkt wel dat ze je misbruikt heeft.’ Wederom een definitie van de relatie: al dan niet wederzijds misbruik.
De volgende ochtend kocht hij sigaartjes in een sigarenzaak in de Untertor, ging op een bankje onder de Adler-apotheek zitten en zette het op een roken. Hij was gestopt, dit kon een noodsituatie worden genoemd. Hij voelde zich overmoedig worden, bevrijd, en nam de trein naar Konstanz, net over de grens in Duitsland, waar Johannes Hus ter dood was veroordeeld. Na de brandstapel werd zijn as in de Bodensee gegooid. Liefde, zo kwam het hem voor: jezelf tot de brandstapel veroordelen. Als je werkelijk van iemand hield, bleef er niets meer van jezelf over. Er waren kennelijk grenzen – toch, ook voor hem.
Richard was aangenaam verrast door het mooie, levendige stadje en vóór het Konsilium, waar volgens hem het proces tegen Hus had plaatsgevonden, tikte hij de as in de Bodensee. Hij zag café Casablanca, een passend decor om het uit te maken. Binnen te druk, dan maar ervoor; met de ogen gericht op het blauwe neon van het eighties-uithangbord belde hij haar. Onnodig te zeggen nam ze niet op.
In het Hus-huis kreeg Richard te horen dat ze de as in de Rijn hadden gemikt. De Jungfrau was niet de Jungfrau, de uitstrooiplaats niet de uitstrooiplaats, ontmaskering na ontmaskering; net als met betekenis, die verschoof voortdurend. Wat bleef er over van hemzelf als werkelijk niets om heen op zijn plek bleef? Rondtollend, als in een kermisattractie.
Hij liep naar de Rijn, onderweg kwam hij langs een huis met een gedenksteen voor de mysticus Heinrich Suese. Richard voelde die dag alsof hijzelf en alles om heen licht werd – de eenwording bereikt?
Een tweetal mannen met boeventronies sprak hem aan. ‘Ik heb geen geld,’ zei Richard kortaf. Voorlopig had hij zijn bescheiden steentje bijgedragen aan de Europese integratie en het had niet mogen baten. Er werd op gespuugd. Nationalisten, kwaadaardig, zouden hun conclusies trekken, maar hij keek naar het individu, al speelde naast andere culturele verwachtingen de generatiekloof hun misschien parten. De teloorgang van hun relatie vormde geen blauwdruk, slechts een toeval. En zijn familie, leuk voor hen dat ze gelijk hadden gehad, ze konden nog steeds de boom in als het ging om zijn liefdesleven.
De man die het woord voerde, trok zijn eigen zak uit zijn broek en zei: ‘Wil je geld?’
Richard kon enige intelligentie niet worden ontzegd, hij begreep de grap echter niet. Een hogere vorm van humor weer wellicht? Wanneer zou het zover komen dat hij zijn vuisten zou laten spreken, dat hij terugvocht? De andere wang, een utopie. Of was ze bereikbaar, zoals de bergtop, om vanaf daar het aardse gewoel in ogenschouw te nemen? Dat laatste vermoedelijk, alleen de weg ernaar zo moeilijk begaanbaar.
De eigenares van een kledingwinkel wees Richard de weg naar de Rijn. Op de brug liep hij over het fietspad en maakte rechtsomkeert om de oever te bereiken, een woedende fietser reed hem bijna van de sokken. Overal de onuitroeibare drang naar Lebensraum, het was zum Kotzen.
Er liep een trappetje het water in, precies zoals bij de inrichting in Poortugaal, aan de Oude Maas, waar hij gelukkig was geweest, misschien wel het gelukkigst in zijn hele leven. Daar werd je door de andere bewoners niet dwars gezeten of in de maling genomen. Geen egootjes noch desinteresse, daar was het leven goed, zoals het zou moeten zijn.
Aan de overkant van het rivier, in de verte, zat op het trappetje een stelletje met elkaar te zoenen.
Hij tikte zijn as af in het water.
Nadat hij even later voor de eendjes broodkruimels in het water had gegooid stond opeens een vrouw van middelbare leeftijd met een rode muts voor zijn neus. Ze maakte duidelijk dat brood heel slecht was voor de eendjes, ze konden er zelfs door worden opgeblazen.
Zelfs iets onschuldigs als brood voeren aan de eendjes werd getorpedeerd. Werkelijk niets bleef over.
Nadat de vrouw was verdwenen tikte Richard nog eens de as af.
De wereld, één grote brandstapel. Een opgeblazen eendje.
Terug in Zürich waren in de Bahnhofstrasse in een parkje onder het beeld van Pestalozzi veel kinderen aan het spelen, Richard maakte een fles Zwitsers bier soldaat en belde haar. Getouwtrek, jij-bakken, ze hing op en appte dat liefde betekende dat je niets terugverwachtte, waarop Richard schreef dat dat klopte, maar dat liefde ook betekent dat je de ander ‘ziet’.
Ze bekvechtten verder, en hij dacht aan zijn broer, die over hun recent overleden vader zei dat hij met schaken op zijn best was als hij in het nauw werd gedreven.
Later ontving hij een bericht dat ze dit niet had gewild, dat dit ‘zijn weg’ was. Hij antwoordde niet, nam ’s avonds laat de trein terug naar Nederland – als een zelf ingebeelde overwinnaar. Eindelijk zelf eens afwijzen in plaats van te worden afgewezen, je kon het winst noemen in zekere zin.
Die zomer liet de Etna, die sowieso van zichzelf niet echt een geheim maakte, zich zien. Hij – we kunnen hier wel over een ‘hij’ spreken – bedekte de straten van Catánia met as; waar je ook kwam. Overal waar zij hadden gezeten, geminnekoosd en gekuierd, waar de liefde hulde was gebracht: een dikke laag zwarte as.
Dat was er overgebleven van hun liefde, al sprak een vriend van Richard, in het kader van de eindtijd waarin ze leefden, over de vonken onder de as.
En ja, warempel, er smeulde nog iets, ze maakte kenbaar weer opnieuw te willen beginnen.
De al genoemde Diogenes de cynicus merkte op toen een mooie, kleine vrouw voorbijliep: ‘Kleine schoonheid, grote ramp.’
Hoe groter het cynisme, hoe meer naakte waarheid.
De waarheid: net als rijkdom maakt chronische geldnood veel, zo niet alles mogelijk – vooral liefde. Maar wist ze nu wel of niet wat ze deed? Richard ging uit van het laatste.