De drenkeling – een vierluik

Sander Meij

1.

het zinderde op brinken

op boerenbarbecues

het platte moest terug in land

de stad was uitgegroeid

de dingen terug in hun gelid

de koemest in de sloot

de haantjes in de hakselaar

insecten moesten dood

in hol land, leeg en vol land

aangeharkt, ingedamd

o, zo vol van wildernis

men staarde er naar navels

men builde in de wind

herders menden zwermen

hordes sloten rij

in opperend-van-vlakteland

zo matigend van kunst

loost men in zijn wezen

begrensd vanuit zichzelf!

waar kavelende akkers

strekken hun cordon

waar runderen en waters

zwangeren van fosfaat

checkt de landman benchmarks

hangt scheve vlaggen recht

ronkt van trots op borden

knipt biggenstaartjes weg

wie maakt land van handel

wie maakt leemte vol

wie tuimelt dit gat in

krabbelt op uit zand?

2.

op omgeploegde bodem

in zee van overvloed

komt heiland uit de golven

als weelde na de storm

schaars van snit als amber

naakter dan de zee

is hij, op een rugzak na

opgebraakt als gal

op onland, eb- en vloedland

tandeloos en ongekamd

achter dijken en vitrages

kijken buren mee

hij knispert zout uit ogen

roestsmaak in zijn mond

ziet dit groei- en krimpland

proeft wat hier ontbreekt

een hand lost tussen golven

een kreet breekt op basalt

de glimp van een gezin verdrinkt

en luidkeels zwijgt het grauw

en aarde vouwt zich open

toont zich broos als as

aan losgewoelde plantrot brandt

de schoonheid haar gelaat

3.

held schudt schelpen uit zijn baard

trapt krabben terug in zilt

zijn stappenplan gedempt in zand

zijn spoor mondt uit in zee

hij zit in bewaring

een krappe cel van taal

de hordes hebben wind gezaaid

maar hij heeft geen idee

ik ben vergeten wat er mist

geluid en beeld zijn vaag

een losgekoppelde wagon

geen trein, geen machinist

dit leven is ontwrichting

verplaatsingen van vat

in dit lichaam, waarin ik

eens opgeborgen was

mijn geest is als een hoge hoed

zonder konijn, ontgoocheld

nergens in mijn hersenpan

schuilt nog een dubbele bodem

mijn torso schreeuwt van littekens

gebutst is mijn gelaat

mijn botten, ooit verbrijzeld

verzwijgen hun verhaal

ik moet opnieuw beginnen

ik mis mijn ware aard

ik weet niet langer welk brevet

ik waar ben kwijtgeraakt

4.

hij leest zijn eigen handen

zoekt het verkeerde doel

woorden zonder kader

slapen in zijn keel

geen ziel om in te ogen

wat aards is, blijft bestaan

geen waarde om te loven

wat ondermaans bepaalt

handhavingsbeamte

natte sigaret

rugzak vol met zeewier

vreemdelingenwet

geen meester om te werken

onderwerp van spot

spreekt hij onze taal niet

kent niet ons fatsoen

stelen van een waslijn

vissen naar leeg blik

komt hier om te zoeken

walgelijk geluk

woorden van beambten

worden vlees noch vis

stillen niemands honger

kennen geen gemis

in zijn vel ontberend

niet wachtend op de tram

met wat ander weg doet

schept hij zich een kerk

waar zit trots in eren

wat geeft geven zin

wat verbindt in binden

zonder levensdraad