Apengeluk en rake schatters

Economentaal of niet, that is the question

door Frank den Butter

Het is een van de zonderlinge aspecten van onze tijd dat het toelichting behoeft wanneer je vaststelt dat taal een belangrijk onderdeel vormt van het culturele erfgoed. Zo is er de afgelopen tijd heel wat te doen geweest over het groeiende aandeel van Engelstalig onderwijs aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen. Nog in juni 2018 schreef de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Ingrid van Engelshoven (D66) daarover een brief aan de Tweede Kamer. Die brief draagt de titel ‘Internationalisering in evenwicht’ en is een mooi voorbeeld van een enerzijds-anderzijds-verhaal, waarbij zij zowel de voorstanders als de tegenstanders van meer Engelstalig onderwijs te vriend poogt te houden.

Enerzijds is het voordeel van Engelstalig onderwijs uiteraard dat daarmee meer buitenlandse studenten kunnen worden aangetrokken. Dat is goed voor onze handelseconomie, waar buitenlandse contacten en internationaal zaken doen, steeds belangrijker worden, en bovendien is het goed voor de financiële situatie van universiteiten en hogescholen. Door het aantrekken van buitenlandse studenten, die aanzienlijk meer betalen dan Nederlandse studenten, kunnen die instellingen hun marktaandeel en daarmee ook hun budget verhogen. Anderzijds is het nadeel van het Engelstalig onderwijs dat daarmee onmiskenbaar het onderwijs verschraalt en versimpelt. Doorgaans kunnen Nederlandstalige docenten hun verhaal beter in het Nederlands dan in het Engels vertellen. De minister zag overigens geen reden om sturend op te treden. ‘De Nederlandse taal blijft overeind en verdwijnt niet uit het onderwijs, ook niet uit het hoger onderwijs. De wet heeft Nederlands als uitgangspunt, maar kent ook uitzonderingen. Die zijn er niet voor niets,’ stelde ze, maar ze liet wijselijk onvermeld dat inmiddels 75 procent van de masteropleidingen al Engelstalig is en het aantal Engelstalige bacheloropleidingen snel stijgt.

Een van de achtergronden van de ministeriële brief was dat in de media het gemor was aangezwollen over het dikwijls povere Engels in de collegezalen (native speakers reppen vergoelijkend van ‘globish’) en over uitwassen, zoals de verplichting om scripties van universitaire research master-opleidingen Nederlandse taal en cultuur in het Engels te schrijven, waarbij alle citaten van Vondel, Huygens en Multatuli dienen te worden vertaald. De vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) spande zelfs (tevergeefs) een rechtszaak aan tegen de Staat der Nederlanden vanwege ‘de vernieling van het hoger onderwijs’ door de opmars van het Engels. Bestuurslid van de vereniging Felix Huygen lichtte in de Volkskrant van 28 juni 2017 de aangifte toe met een aandachttrekkend opiniestuk waarin hij gewag maakte van zijn waarneming dat docenten die Nederlandstalige colleges verlevendigden met aansprekende anekdotes, zich in het Engels als ‘hakkelende dooie dienders’ uitdrukten, waarbij hun colleges vastliepen op de beperkte woordenschat van sprekers en toehoorders: ‘Het was als een orkest waarin de pianist plots viool moest spelen, en de violisten klarinet.’