Aix-liefde

door John-Alexander Janssen

De wind joeg tegen de voorruit. Jan zette de radio zachter en hoorde nu pas hoe hard de motor van de kleine Fiat gierde. Hij wierp een blik op Ghislaine. Ze had haar lichaam van hem af gedraaid. Haar hoofd leunde op een opgerold vestje tegen het raam. Het dempte het trillen van de auto.

Tot nu toe verliep alles soepel. Ze hadden overnacht in Dijon, waren na het ontbijt vertrokken en hadden nagenoeg ongehinderd door kunnen rijden. Alleen rond Lyon was het druk. Ghislaine had er weinig van gemerkt. Nog voor Beaune was ze in slaap gevallen. Ze kon het in de meest benarde houdingen.

Jan porde zachtjes in haar zij. ‘Gies?’

Nog een por.

Ze mompelde iets, opende haar ogen en kwam langzaam in een rechte positie. ‘Zijn we er?’ vroeg ze slaapdronken.

Hij glimlachte. ‘Nog niet.’

Ze draaide haar hoofd langzaam naar hem toe. ‘Waarom maak je me dan wakker?’ vroeg ze.

‘Kijk eens om je heen.’ Hij gebaarde naar het landschap dat voorbijtrok. ‘Het is hier te mooi om te missen.’

Ze was nog nooit in de Provence geweest. Nu reden ze niet ver van Avignon en leken de velden langs de snelweg elkaar af te wisselen in kleur, van lichtgroen en geel naar dan weer bruin of paars. Ze waren het decor van een spel van wind en schaduw en zon. Wat verder verschenen donkere heuvels, die onheilspellend contrasteerden met de lichtblauwe lucht.

‘Wow,’ zei Ghislaine.

Jan opende zijn raam en snoof. ‘Ruik je dat?’

Ze knikte. ‘Zeep.’

‘De Provence,’ zei Jan.

Ze waren op weg naar Aix voor een korte vakantie. Onderweg zouden ze een nacht logeren bij een man die Ivo Steen heette. Een oude, hechte vriend van Jans vader. Steen was daarnaast een niet-onverdienstelijk schilder. En Jans peetvader. Veel meer wist Ghislaine niet van hem. Hoewel. Er waren de verhalen, die Jan met een mengeling van melancholie en bewondering had verteld.

Zo had Steen opgetreden als goochelaar op Jans zevende verjaardag, hem als twaalfjarige door het Louvre gegidst, hem tijdens boswandelingen voor echt kennis laten maken met de natuur en hem meegenomen naar de racebaan van Kijkduin. En ooit, zonder dat Jans ouders het wisten, was Steen meegekomen naar een ouderavond en had zich daar uitgegeven voor Jans vader. Vervolgens had hij een onredelijke docent aardrijkskunde zo uitgekafferd dat de man het lokaal met waterige ogen verliet. Maar het opmerkelijkste verhaal vond Ghislaine dat Steen door middel van gespeelde telefoongesprekken, plotselinge uitroepen en het regelmatig aanhalen van zogenaamde spreekwoorden, jarenlang had voorgewend dat hij Russisch sprak.

Over de laatste keer dat Jan hem had gesproken had hij haar met een bepaalde schroom verteld. Het was zeven of acht jaar geleden. Vlak voor zijn vaders dood. Onaangekondigd en omgeven door een drankwalm zo dik als Engelse mist was Steen naar het huis van zijn ouders gekomen. Jans moeder was geschrokken en wilde hem niet binnenlaten. Zijn vader bracht haar tot bedaren, maar het bleef de hele avond ongemakkelijk. Tussen moeder en Steen had het blijkbaar nooit geboterd.