Het beest

door Thomas Heerma van Voss

Zijn naam is Jens en hij heeft zijn kat naar mij vernoemd. Vanavond krijg ik ze allebei te zien. De kat voor het eerst ooit en Jens voor het eerst dit jaar. Hij zal pasta maken met tonijn. Dat heeft hij per app aangekondigd. Geen idee waarom, net zoals ik geen idee heb waarom dat beest mijn naam heeft gekregen. Misschien heeft hij me uitgenodigd om dat te verduidelijken, misschien mag ik gewoon langskomen omdat hij beseft dat ik tegenwoordig bijna elke avond alleen thuis zit.­

Ik weet nog dat ik even dacht: slaat het ergens op dat ik naar Jens ga, wil hij dat werkelijk, heb ik zelf zin in die tocht naar zijn huis en in Annabels gezelschap dat je er altijd gratis bij krijgt? Het volgende moment was ik op weg naar het station.­

In Utrecht is het drukker dan ik me kan herinneren. Overal schieten mensen voorbij, studentes in giebelende groepjes, mannen met aktetassen. Ondanks de hitte lijkt iedereen haast te hebben en onder­weg te zijn naar iets belangrijks. Het is nog maar tien jaar geleden dat ik hier voor het eerst kwam, als eerstejaarsstudent uit de provincie. Dit is een nieuw begin, besloot ik toen – het lijkt een vorig leven. Hoe ik op poëzieavonden in te wijde jasjes mijn versregels voordroeg, altijd samen met Jens. Hoe ik dacht dat mijn woorden echt iets voorstelden. Hoe we in cafés foeterden op de docenten, op de vleesgeworden clichés om ons heen, op de onnozelaars die dachten dat ze op een dag wereldschokkende romans gingen schrijven. ­

Sinds ons afstuderen hebben we elkaar weinig meer gesproken. Eens per twee, vier, later acht of tien maanden, aten we samen. De laatste keer kan ik me niet eens meer herinneren. Toen was Floor er in elk geval nog bij, we zaten waarschijnlijk met zijn vieren bij hen thuis; aan dezelfde houten tafel waaraan Jens en ik voorheen met z’n tweeën nachtenlang whisky dronken en naar blues luisterden, in de hoop dat we dat ooit mooi zouden gaan vinden. Soms waren we zo lang bezig dat ik de laatste trein miste. Dan maakte hij een stretcher voor me op. Jens zei eens: ‘Hij is de enige logé die mag terugkomen.’

Al die jaren is hij niet verhuisd. Zijn appartement ligt op nog geen tien minuten lopen van het station, vlakbij de universiteit. De weg ken ik blindelings.­

Vreemd genoeg is het de enige woning in de straat waar geen enkel raam openstaat, niet eens op een kier. Terwijl ik zweetdruppels uit mijn nek veeg en twee, drie keer aanbel, raak ik ervan overtuigd dat er sprake is van een misverstand, of nee, van een flauwe grap die ik niet heb begrepen. Hij is vast op vakantie. Natuurlijk nodigt hij me niet meer uit, die tijd is voorbij, natuurlijk heeft hij geen kat naar mij vernoemd, wat denk ik wel? ­

Met een ruk gaat de deur open. ‘Snel.’ Annabel maakt driftige armgebaren. ‘Kom binnen, kom binnen.’ Pas als de deur dicht is, begroet ze me. Althans, ze drukt mijn schouderbladen tegen zich aan bij wijze van omhelzing en pakt kort mijn hand vast. ‘Zo fijn dat je er bent, dat is lang geleden. Ja, sorry, we moeten goed op de deur letten, anders schiet Pim naar buiten. Jens ziet enorm uit naar je komst.’­