Twee nachten met Miki Matsubara

door Pieter Kranenborg

Ik was maar voor twee dagen in Tokio. Ik voelde me rusteloos en een biertje in een kroeg wilde nog weleens helpen. Met een transparante paraplu uit de nachtwinkel om de hoek verliet ik die eerste avond het hotel. De regen viel in zachte druppels als de tonen van een gedachteloos gespeelde pianomelodie. De mensen die ik passeerde leken geen gezicht te hebben. Uitgeveegde verfvlekken achter natte haren of mistige spookverschijnselen achter het plastic van hun paraplu’s. Als de lantaarnpalen die nacht hadden kunnen zingen was hun lied niet gedempt geweest maar wel moeilijk te verstaan.

In de ondergrondse leek de stad haar tunnels met een schok van haar heupen om de metrostellen te schuiven, steeds ver genoeg voor een enkele halte, alsof ze een strakke broek probeerde aan te trekken. Alle passagiers hadden witte pupillen van hun mobieltjes. Muziek vergezelde het openen en sluiten van de deuren, haltes werden voorgelezen als meertalige gedichten. Ik stapte uit op gevoel, zonder dat ik de haltes geteld had. Het lettertype van de bordjes die ik door de metrogangen naar buiten volgde kalmeerde me, zoals het later nog steeds deed wanneer ik het toevallig op een foto voorbij zag komen. Het had iets geruststellend koels, de sfeer van een vliegveld.

Er was al gedronken die avond, door anderen. Ik kwam bij de smalle straatjes. Ik zocht een kroeg waar ik vorig jaar was geweest: klein, maar dat waren ze allemaal, met plaatjes van honkbalspelers aan de muren, beeldjes van superhelden op planken, een man met een bril als een paar uilenogen achter de toonbank, een knik bij ieder glas op tafel. Ik kon het nergens vinden. Op goed geluk stapte ik een andere kroeg in.

Er waren vijf zitplaatsen. Links van mij zaten twee mannen in pak, verwikkeld in een gesprek dat vloeide met het tempo van een druppende kraan. Rechts een grote kerel met een pet en een geruit overhemd en daarachter, verdekt opgesteld, zat zij.

Het bier koelde de zenuwen in mijn tanden en golfde na elke slok op en neer. Het glas deed me denken aan een strand, ontvlucht vanwege een naderende stortbui. De kruk rechts van mij nam krakend afscheid van de grote kerel met de pet en geruit overhemd. De barman volgde het gebaar met een knik en zette een nieuw nummer op. De zang was hoog en onverstaanbaar.

De verleiding was groot om de witte pupillen op te zetten. Maar de reflectie van het licht in het glas hield mijn ogen gevangen. Ik keek naar rechts en hief mijn glas ter groet.

Ik kwam ergens vandaan, zij ook, de details daarvan zweefden tussen ons boven de kruk waarop de grote kerel had gezeten. Haar blik trok stroken van de lucht met zich mee wanneer ze haar ogen afwendde om een antwoord te geven waarvoor ze moest nadenken, maar ik wist wel dat alleen ik dat kon zien. Ze had geen mooie stem, serveerde haar zinnen in brokjes. Een theezakje plakte aan de binnenkant van haar glas. Haar handen koesterden niet de stevige troost van een pint, maar de zachte warmte van met geur en smaak verrijkt water. Dat was veiliger nu ze hier woonde, in deze straatjes, in de kroegen waar de barmannen haar groetten met een knik; en bovendien, zo vertrouwde ze me toe, verloor ze door drank haar zicht.

Ooit had ze in een groot huis gewoond, met andere jonge mensen van buiten de stad. Het was een deelhuis waarvan zij de beheerder was geweest. Ze verving de lampjes in de afzuigkap, klopte de tapijten uit en bracht katten naar het asiel als een bewoner zo brutaal was geweest om het huisdierenverbod met de voet te treden. Maar bovenal had ze de laatste stem over wie in het huis mocht wonen. Deze macht was haar verleend door de eigenaar van het pand, een gescheiden man van in de vijftig die een aantal panden beheerde in het westen van de stad, om precies te zijn rond Nakano en Ōkubo. De man had de neiging iets te veel rond te hangen in de huizen die hij verhuurde. Soms draaide hij ongevraagd eigen muziek, hits uit de jaren tachtig van Miki Matsubara, die toen al nostalgisch klonken voor een toekomst die inmiddels voorbij was.

Ten tijde van onze nacht in de kroeg was ze geen beheerder meer, en ook geen bewoner. Ze sliep overdag en in de nacht dronk ze thee in kroegen met vijf zitplaatsen tot de zon opkwam.

Het was een Noord-Koreaan geweest, volgens de eigenaar van de panden in Nakano en Ōkubo. Ze had een Noord-Koreaan binnengelaten en een spion bovendien. Terwijl ze me dit vertelde liet ze niet merken dat ze de man een idioot vond. Het was simpelweg hoe hij erover had gedacht.

Zij beschermde de Noord-Koreaanse spion, zei hij. Misschien had de spion al de verkeerde mensen uitgenodigd, de verkeerde aandacht naar het pand getrokken. De eigenaar schopte alle bewoners het huis uit.

‘En toen heeft hij het verkocht?’

‘Volgens mij heeft hij het nog steeds.’ Ze haalde niet haar schouders op, maar ze had het kunnen doen. Even leken haar pupillen vierkant. Ze trok de stroken nog eens door de lucht. ‘Maar nu woont er niemand meer.’

De regen waaide naar binnen door een open raam, dat de barman met een knik sloot. Ze moest lachen om de muziek die begon nadat het raam dicht was, want het was ‘Stay With Me’, een hit uit de jaren tachtig van Miki Matsubara. Ze was nu drie weken dakloos.

We spraken maar tien minuten en niet zonder gaten van stilte. Voor mijn gevoel genoot ze niet bijzonder van ons gesprek. Maar ze wilde me graag als vriend op Facebook. Haar naam deed me denken aan Japans speelgoed uit de tijd dat ik jong was.

Aan de kapstok achter haar hing haar mosgroene jas. Uit een van de zakken stak een schrift. Daar schreef ze iets in voordat ze naar buiten ging.

Die nacht sliep ik zo slecht dat ik om zes uur ’s ochtends klaarwakker uit bed stapte, me aankleedde en de lift naar beneden nam. Ik gaapte, maar puur voor de vorm. Het ontbijt stond nog niet klaar. Ik liep naar de supermarkt en kocht een broodje en een papieren beker met koffie.

Het licht van de zon omlijstte wolken waar geen wolk op straat naar om zou kijken, want ze waren dun en vormeloos. Op Google Maps vond ik een park in de buurt. Het was het Otomeyamapark, niet ver van station Mejiro. Ik had dromen moeten ontberen die nacht, dus ik droomde met muziek. Op mijn mobiel had ik het album Konoyo van Tim Hecker staan en ik had mijn koptelefoon meegenomen. Ik luisterde het hele album terwijl ik slokjes koffie tussen het melkschuim door smokkelde dat aan de randen zat geplakt. Een oude vrouw keek naar mij, in kleermakerszit gezeten op een heuvel waar de ochtendzon royaal overheen gutste. Ik wist dat ik bekeken werd maar mijn oren waren mijn ogen. In een schriftje tekende ik wat ik bij de muziek zag; een kamer met een haard, een man met een hoed op die in de hoek stond, maar ik zou het nooit aan niemand laten zien, want tekenen heb ik nooit goed gekund.

Die middag wandelde ik door de stad. Kraaien klonken er als mensen die kraaien nadeden. Aan het eind van mijn middag was het nog maar halftwee. Ik nam de metro terug naar mijn hotel waar ik me door een vliegtuigloze jetlag geveld op bed liet vallen. Een paar uur lag ik te dommelen zonder echt de slaap te vatten.

’s Avonds at ik met een oude vriend in een restaurant. We spraken nooit veel over de tijd waarin we elkaar hadden ontmoet. We spraken over de toekomst. Hij lachte graag maar wekte altijd de indruk dat niet het belangrijkste te vinden. Toen ik afscheid nam gebeurde dat met de zekerheid dat we elkaar spoedig weer zouden zien.

Wachtend op de metro kreeg ik een bericht. Er stond: ‘Ik weet niet of ze hier goed bier hebben, maar de thee is lekker.’

Ik ging, want de rusteloosheid was ondanks alles niet verdwenen. Het gaf niet. Ik liet me er niet somber van maken. Het hoorde bij het leven. Dat gezegd hebbende, een biertje in een kroeg wilde nog weleens helpen.

Ze had me haar locatie gestuurd, ergens in het labyrint van de kleine straatjes. Woorden van toeristen doorprikten de bubbel van het ergens anders zijn. Ik ging er sneller van lopen.

In de kroeg was net een saxofoonsolo gaande, vanuit de speakers welteverstaan. Ze zat aan het einde van de toog onder een zwart-witte filmposter van een prakkiserende man met sigaret, ook zittend aan het einde van een toog, met boven hem in gele letters de filmtitel: l’octopode. Toen ze me zag groette ze me met een knik omhoog.

Ik nam naast haar plaats en bestelde een halve liter bier. Ze zei niets.

‘Heb je gisteren ergens geslapen?’ vroeg ik nadat de barman me, ook al zwijgend, een glas had toegeschoven.

‘Bij een vriendin,’ zei ze. ‘Ze werkt in een nachtwinkel, dus ze slaapt ook overdag. Haar vriend heeft haar net verlaten, dus er was plek over in bed.’ Ze grijnsde. Witte vlammen stegen op uit haar theeglas. ‘Hoe lang blijf je in de stad?’

‘Morgen vlieg ik naar huis.’

‘Kort dus.’

‘Ja. Maar ik ben hier eerder geweest.’

Ze knikte. Ik vroeg haar of ze vannacht nog iets had meegemaakt. Nee, zei ze. Ze had theegedronken in vier verschillende kroegen, die steeds leger werden naarmate de zonsopkomst naderde.

‘Dat is gek, vind ik. Mensen zouden toch juist buiten moeten zijn als de dag begint. Maar dat zijn ze enkel als ze te lang zijn doorgegaan met drinken.’

‘Je hebt helemaal gelijk. Ik heb de meeste zonsopgangen meegemaakt in een staat van dronkenschap en verrassing over de hoeveelheid verstreken tijd.’

‘Doe er wat aan,’ zei ze met een glimlach.

Ze bestelde nog een glas thee. Ik nam nog een bier, een vaasje deze keer. Er vielen stiltes als lege velden tussen de steden langs een spoorlijn, noodzakelijke afstanden om te overbruggen voordat er geleidelijk weer rumoer opborrelde.

Ik liet haar foto’s zien van een vrouw die ik had ontmoet, in een andere stad, waar beton, staal en glas de optelling van hun individuele lelijkheid mysterieus wisten te verheffen tot een collectieve schoonheid. Vanuit haar huis hadden we uitzicht gehad over de jungle van torens en de torens van bomen in de jungle.

‘Ze is mooi,’ zei ze. Ik kon dat beamen. Ik moest haar niet vergeten te bellen, zei ze.

Na een uur of twee verkasten we. Ze neuriede ‘Stay With Me’ van Miki Matsubara terwijl ze de smalle trap op liep naar een volgende kroeg met vijf zitplaatsen.

Tot mijn grote verbazing bleek ze mijn Japanse woordgrapjes op prijs te kunnen stellen. Ze lachte niet zozeer als dat ze als een flitsend mes haar voortanden even ontblootte in een peinzende grijns die me de indruk gaf dat haar lach alleen te horen was voor wie een koptelefoonstekkertje in haar oren stak om te luisteren naar de geluiden in haar hoofd.

Ik nam toch nog maar een halve liter.

Voor mijn ogen begon ze weer stroken lucht te pellen, ze leken vastgeknoopt aan haar wimpers, en naarmate mijn glas zich meer en meer vulde met lucht verschenen steeds duidelijker paarsroze randen aan de luchtstroken, die hun kleur als een echo achterlieten op de amberkleurige flessen, posters van vissers, de platen in de platenkast en al wat nog meer voor mijn ogen passeerde. Ze stak haar tong uit. Pas toen realiseerde ik me dat ze bij de barvrouw ‘Stay With Me’ van Miki Matsubara had aangevraagd.

Ze stond op van haar kruk, sloeg haar glas thee achterover – dat nog schroeiend heet moest zijn – en begon te dansen met hoekige, onhandige bewegingen en gebeten onderlip.

‘Sta op!’ riep ze. Ik stond op en danste met haar mee. Vanaf toen keek ze me niet meer aan, ze leek mijn blik te vermijden. De barvrouw moest lachen en draaide het volume een flinke scheut omhoog. Twee mannen in pak kwamen binnen, bekeken ons met geamuseerd gefronste wenkbrauwen en maakten weer rechtsomkeert.

Ze maakte van de kroeg een karaokebar. Het ene na het andere nummer vroeg ze aan, nummers die ik niet kende maar die dezelfde glans als ‘Stay With Me’ van Miki Matsubara hadden, en ze zong ze met alle mogelijke overgave die haar wat croutonachtige stem kon opbrengen. Na drie nummers hield ik het voor gezien en ging ik dit alles met mijn glas bier op de kruk zitten aanschouwen.

Aan het eind van een lange uithaal vulde de kroeg zich met het witte dons van de stilte. De barvrouw vertelde ons glimlachend dat ze ging sluiten. Het was al vier uur.

We liepen naar buiten. De straten waren leeg. Ze leek niet moe van de performance die ze het afgelopen uur gegeven had. Om ons heen klonken de zeegolven van verkeer over onzichtbare wegen.

Ze gaf me een stootje tegen mijn schouder.

‘Dat je hier nog bent.’

‘Ik vermaak me wel.’

‘Vertel eens iets.’

‘Oké.’

Ik vertelde haar over de moeder en de verveelde puberzoon, die ik ver in het zuiden van het land in de trein had gadegeslagen. Bij iedere halte keek de moeder uit het raam. Terwijl de trein de kust, de bergen en de bossen aan elkaar vlocht, had de puberzoon enkel aandacht voor zijn telefoon. De moeder was ook bezig met de hare, maar naar het leek om hun route te bevestigen, bezienswaardigheden op te zoeken, de weg van het uiteindelijke station naar hun hotel uit te stippelen, en in dit alles probeerde ze haar zoon te betrekken. Maar die had enkel aandacht voor zijn virtuele wereld, niet voor de reis van Aoshima naar Shibushi, waarop zijn moeder zich zo leek te hebben verheugd; misschien omdat ze weinig tijd met haar zoon doorbracht, omdat hij meer bij zijn vader was; of omdat ze sinds zijn overlijden geen geld meer had gehad voor leuke uitstapjes; of misschien omdat ze gewoon had gehoopt dat een paar dagen alleen op reis met haar zoon, zonder jongere broertjes en zusjes, hem uit zijn norse schulp zouden halen en wat van de warmte terug zouden brengen die hij twee jaar eerder nog constant toonde in de vorm van zoenen voor vertrek naar school en bij het naar bed gaan.

Maar ze liet zich niet uit het veld slaan. Haar puberzoon gunde haar geen blik waardig, maar ze bleef hem kalmpjes mededelingen geven over het vervolg van de reis en gunde hem blikken op haar telefoonscherm, waarop ongetwijfeld foto’s waren te zien van de schoonheden of lokale lekkernijen die ze nog voor hen (voor hem) in petto had.

En wonder boven wonder wist ze zijn blik los te weken van zijn scherm en hem te verleiden tot een blik op het hare, en eenmaal verleid tot die sprong uit zijn virtuele wereld, ontdekte hij niet alleen de schoonheid van het alsmaar veranderende landschap, de grillige kustlijnen en de vogels herbergende bossen op de bergen en de kersenbomen met hun eerste roze bloesems langs de stroom in het dal onder het spoor, maar ook de van goede bedoelingen haast uit elkaar knallende ogen van zijn moeder, en hoewel een glimlach nog te veel gevraagd was, begon hij wel mee te denken aan het verhaal dat ze samen aan het schrijven waren, wat een reis als deze per slot van rekening uiteindelijk was.

Mijn verhaal spon zich uit mijn herinnering terwijl wij die nacht zelf een verhaal aan het schrijven waren, dat ons inmiddels had doen belanden op de betonnen treden van een trappenhuis in een parkeergebouw.

‘Wat een ondankbaar mannetje, die jongen,’ zei ze. ‘Wat hebben ze uiteindelijk gedaan?’

‘Ze hebben een geweldige tijd gehad.’

‘Was jij mee dan?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Had je moeten doen.’

Ze ging me voor de trap op. Boven troffen we een metalen deur met een staaf als grendel. Ze worstelde er een beetje mee en ik bood aan haar te helpen, maar ze wuifde me weg. Toen lukte het haar om de deur te openen.

Even later zaten we op de dakrand. Ik keek naar beneden om mezelf te plagen met het gevoel van een beginnende val. Ze had haar mobiel gepakt en was een nummer aan het opzetten.

‘‘Stay With Me’?’

‘Die hebben we vaak genoeg gehoord.’ De muziek begon. Het was ‘Plastic Love’ van Mariya Takeuchi. We dansten voor zover een zittende positie op een dakrand dat toeliet, met schuddende schouders en wiebelende benen, boven het verkeer en onder dezelfde onooglijke wolken als overdag, die het lef hadden zich ook te vertonen voor het licht van de wassende maan. Ik keek naar haar ogen om te controleren of ze het licht in stroken met haar ogen meetrok, maar dat deed ze niet.

‘Is dat echt waar,’ vroeg ik, ‘van die Noord-Koreaanse spion?’

‘Het is echt gebeurd. Het was natuurlijk geen spion. Hij was gewoon een Zuid-Koreaanse student die zich een beetje raar kleedde. Maar mijn huisbaas wilde het niet geloven.’

‘Heb je niet geprotesteerd?’

‘Ja, maar dan zette hij zijn muziek gewoon harder.’

‘Miki Matsubara?’

‘Onder anderen.’

‘Daar valt niet tegenop te onderhandelen.’

‘Precies.’ Ze wiegde mee op de muziek. ‘Nou, nu is het wachten op de zon.’

Dat deden we. Op straat verschenen wagens met grote borstels die het vuil in rondjes lieten draaien, eindeloze rondjes waar dingen blijkbaar in verdwenen. Wellicht lag het aan mijn aangeschoten toestand dat ik er niet genoeg van kreeg om naar de wagens te kijken, naar hoe ze als ijverige robots de herinneringen aan de nacht wegmoffelden in de putjes, nog voordat de stadsbewoners ze op weg naar hun werk konden zien liggen of ruiken. Maar toen ik naast me keek, zag ik dat mijn vriendin de theedrinkster ook gebiologeerd de dansende kleurenborstels zat te bekijken. De muziek speelde door en na verloop van tijd kwam als een onvermijdelijkheid ‘Stay With Me’ van Miki Matsubara weer voorbij.

‘De zon is al op!’ riep ze. Ik keek op en verdomd, het zonlicht spiekte al over een van de lagere gebouwen heen.

‘Maar nog niet achter die toren,’ zei ik en ik wees lukraak een hoog kantoorgebouw aan, bekroond met rode neonletters die een naam spelden die meteen deed denken aan technologie, de toekomst.

We wachtten tot de zon achter de toren omhoogkwam. Inmiddels kleurde de zon de lucht aan de flanken al als een mojito sunrise. De eerste zonnestraal schoot door een raam op de bovenste verdieping. Ik keek naast me en zag dat ze met haar wimpers het licht in stroken naar zich toetrok. Toen ze haar ogen verder opensperde bolden de stroken op, tot ze als lange slingers tussen het dak van het gebouw en haar ogen hingen. De wind kreeg er vat op. En terwijl Miki Matsubara voor de zoveelste keer aan iemand vroeg of hij of zij niet bij haar wilde blijven, begonnen de stroken te dansen in de lucht, met trage ronde bewegingen als een springtouw, allemaal vanuit haar ogen, terwijl de zon steeds verder boven onze eigen verkozen horizon verrees – tot de stroken oplosten in het licht; zoals de nacht oplost in de ochtend, alsof hij nooit echt heeft bestaan.

‘Het was gezellig,’ zei ze. ‘Ik ga ervandoor.’

‘Waar ga je heen?’ vroeg ik.

‘Ergens slapen. Ik bel wel een vriendin. Jij moet je koffer inpakken, denk ik.’

‘Helemaal juist.’

Zonder iets te zeggen liepen we de trap af naar beneden.

‘Ik ga naar Ebisu,’ zei ze bij het metrostation.

‘Ik de andere kant op, naar Mejiro.’

‘Oké. Tot ziens dan maar.’

Ik gaf haar een hand. ‘Succes met alles.’

Ze salueerde en liep weg.

Een paar uur later was ik in de lucht. Toen ik mijn telefoon pakte om hem op vliegtuigstand te zetten, zag ik in de zwarte weerspiegeling van het scherm mijn gezicht. Onder mijn ogen zat de schmink van slapeloze nachten. Door het raampje scheen de zon naar binnen en onder mij veranderde de grijze stad in een grote grijze amoebe, tot de wolken brutaal het uitzicht overnamen.

Ik schoof het plastic raamscherm naar beneden, sloot mijn ogen en viel eindelijk in slaap.