All-inclusive

door Hedwig Selles

Vlot reed Karl onze auto de parkeerplaats op. De reis naar de meest westelijke zeehaven verliep voorspoedig, we hadden volgens mijn vriend zelfs tijd over om naar de rivier te kijken.

Naast de auto schudde ik de stijfheid uit mijn armen. De frisse lucht deed me goed. En ik zei: ‘Leuk.’ Intussen keek ik om me en probeerde ik alles in mijn blikveld te vangen. Er stonden nauwelijks auto’s op de parkeerplaats. Verder zag en hoorde ik niemand. Alleen Karl, die al boven op de kruin van de dijk naar mij stond te roepen, want ik maakte geen aanstalten om de dijk te beklimmen. Tegen de zon in fixeerde ik hem. Lang en pezig, bezien tegen de achtergrond leek hij in een duistere koker gevat.

‘Zwanen hier, ze willen jou ook zien!’ Zijn stem werd door de wind naar mij gedragen.

‘Ze willen jou ook zien,’ echode het na. ‘En de auto dan?’ riep ik op mijn beurt. Die vraag sloeg nergens op. Het was een nette parkeerplaats voor nette mensen.

Een paar tellen later stond Karl ongeduldig naast mij. Hij pakte mijn hand, ‘Kom Queenie!’, en trok me voor zijn doen ruw de dijk op. Zwanen zag ik niet, en de gedrevenheid waarmee het water tegen de basaltblokken klotste, maakte me nerveus. Ik liet zijn hand los en daalde snel af naar de auto. Karl tekende geen protest aan. Waarschijnlijk wist hij dat ik moe was. Van de rare piep in mijn oren wist hij niets. Van mijn verlangen naar verlossing had hij nog nooit gehoord. Omdat ik gewoon, zoals altijd, licht vermoeid voor de klas stond en misschien alleen wat minder goed sliep door de ontelbare vergaderingen.

‘We kunnen hier wel wat eten,’ zei Karl opeens. Ik schrok wakker. Blijkbaar was ik op het warme gras ingedut. ‘Ik ben zeker in slaap gevallen,’ mompelde ik. Met mijn ogen nog gesloten probeerde ik overeind te komen. Een golf van misselijkheid. Mijn maag trok zich samen. Blijven liggen, dacht ik, en met veel moeite hield ik mijn ontbijt binnen.

‘Karl, waar liggen de crackers?’ fluisterde ik. De droge biscuits die we speciaal hiervoor hadden meegenomen, lagen ergens in de auto.

‘In de kofferbak,’ zei Karl, die op de voorstoel plaatsnam. Hij moet de sleutel in het contact hebben gestoken, want opeens hoorde ik klassieke muziek.

‘Dit is Mozart die klinkt als een spreeuw, kwetter, kwetter, kwetter,’ concludeerde Karl, ‘maar ik zoek zwanenmuziek.’ Hij begon te fluiten. Het beeld van zijn getuite lippen ontroerde me. Net als de scheve manier waarop hij zijn wenkbrauwen omhoogtrok voorafgaand aan een nies. Tegelijkertijd kende ik het roofdier in hem, de fanatieke koorleider die joeg op sopranen, niet alleen vanwege hun sprakeloos hoge noten. De meeste sopranen aanbaden Karl en verloren zo hun waardigheid. Ik behield mijn waardigheid wat ik ook zong of wat ik ook droeg. Gesterkt door die gedachte stond ik op en liep ik naar de kofferbak.