‘Luister, ik vertel je merkwaardige verhalen’

Embedded in Praag met Arnon Grunberg

door Johannes van der Sluis

Swimming in a glass of water

Too close to hear your words

“I as wine – you as rainwater”

“Listen I’ll tell you strange tales”

Michael March – Dancing on Ashes

Donderdagochtend op de helft van oktober wandel ik over het oude marktplein van Praag richting Hotel Central, waar een kamer voor me is geboekt door Michael March, de excentrieke directeur van het Prague Writers’ Festival. Arnon Grunberg is voor de vierde keer uitgenodigd voor het festival en ik heb gevraagd of ik hem embedded mag vergezellen. Dat is geen probleem liet hij weten per e-mail. Wel moet hij veel lezen op zijn kamer voor een bloemlezing over Auschwitz. Een beetje tragisch, maar mooi beeld: ik dwalend door Praag en Arnon lezend over Auschwitz op zijn hotelkamer.1

Aangekomen in Hotel Central blijkt er geen kamer geboekt, niet voor mij althans. March zou in de lobby zitten, hoor ik van Arnon, die gaat slapen na zijn vlucht uit New York. Ik loop rondjes door de lobby maar geen March te ontdekken; zijn kleine, licht verwarde gestalte zou me meteen zijn opgevallen. Telefonisch is hij niet bereikbaar. March is een dichter, van bellen houdt hij vermoedelijk niet, of het is een kwestie van ouderdom; ik ben ook voornemens na mijn zestigste te stoppen met bellen – misschien al na mijn vijftigste. De geïrriteerde receptioniste meldt dat Praag wel vijf Hotel Centrals telt. ‘Het is een art decohotel,’ zeg ik licht wanhopig, terwijl dit hotel ook art deco lijkt. Ik moet aan Kafka denken. Ze haalt een plattegrondje tevoorschijn. ‘Deze zal het wel zijn,’ zegt ze en ze zet een kruisje. Het is niet ver lopen.

Hotel Central aan de Hybernská is een art nouveaumonument. Later lees ik dat Karl Kraus er zijn boek Heine und die Folgen presenteerde, in het bijzijn van Kafka. Tijdens het communisme was het een theater waar anticommunistische stukken werden opgevoerd. Michael zit in de lobby samen met Raja, een energieke Libanees die al lang in Nederland woont. ‘Ik kom uit de kakbuurt van Amsterdam,’ zegt hij met een zeker genoegen. Zijn vrouw is een Tsjechische en Raja chauffeert voor het festival. Hij vertelt dat de vormgever uit Egypte geen visum kreeg, Michael heeft alle mogelijke connecties moeten aanwenden om de Egyptenaar in Praag te krijgen. Raja hoopt dat de Britten als de Brexit doorgaat ook visa moeten aanvragen, ‘dan weten ze hoe het voelt’.

Als Michael opstaat en wegloopt houdt hij zijn broek vast. ‘I need a new tailor,’ zegt hij in zijn chique, fluisterende Engels dat zowel Brits als New Yorks verraadt. Hij komt terug en overhandigt me zijn nieuwe bundel, Dancing on Ashes, dat in Griekenland is verschenen, en plaatst in karakteristiek, minuscuul handschrift een opdracht: ‘Asking the ashes to sink.’ Ik ben dol op zijn fijnzinnige, mysterieuze poëzie.

Op mijn kamer bel ik mijn vader. ‘Het is de Central aan de Hybernská,’ vertel ik hem. ‘Vier sterren,’ zegt hij direct. Ik voel me een beetje als een jonge koning. ‘Heb je wel een mooi overhemd bij je?’ vraagt mijn moeder als ik vertel dat we die avond gaan eten bij de burgemeester thuis. Ik werp een blik op mijn rugzak. Mezelf fatsoenlijk kleden is niet mijn sterkste punt. Gelukkig vermeldt de uitnodiging ‘semi-formal’ als dresscode, wat volgens mij betekent dat je ook in korte broek en hawaï-hemd kunt verschijnen. In mijn kinderlijke enthousiasme bel ik Arnon om te vragen of hij taart wil eten in het nabijgelegen Hotel Pariz, waar ik Michael vorige keer heb ontmoet en dat een rol speelt in Ik heb de koning van Engeland bediend van Bohumil Hrabal, Kundera noemde hem de ‘koning van de Praagse letteren’. Geen respons. Ik begin me een stalker te voelen. Dan appt Arnon dat hij wakker is maar moet werken. Ik denk aan Auschwitz.

‘I’m the last smoking American,’ zegt Michael Cunningham, de praatgrage schrijver van The Hours. Voor het hotel wachten we op een taxi naar de woning van de burgemeester. Arnon is me net ontglipt, hij was de laatste die de vorige taxi in kon duiken. ‘In Portugal was iedereen aan het roken,’ zegt Cunningham terwijl hij aan zijn sigaret zuigt, ‘echt iedereen, ook honden en katten.’ Daarna spreken we over het feit dat de sigaret goed gezelschap is voor de schrijver. ‘Elke zin een sigaret,’ beweert Cunningham. Larissa van de festivalorganisatie woont in Athene, in het centrum, en Cunningham zegt dat hij het liefst in het centrum verblijft. Even twijfel ik, het is te vroeg voor een faux pas, maar dan vraag ik toch of de schrijver niet eerder geïnteresseerd is in de outskirts. ‘Als schrijver leef ik in mijn eigen outskirts,’ antwoordt Cunningham.

In de auto kom ik te zitten naast Nancy Huston, die al sinds de jaren zeventig in Parijs woont, en haar geliefde, een Zwitserse schilder. Er is nog maar één boek van haar ‘vaag verkrijgbaar’ in het Tsjechisch. Hun katje genaamd Buck, vernoemd naar de Nobelprijswinnares Pearl Buck, is overleden. Ik kijk naar een foto. Een jonkie, zwart-wit. ‘Vanwege haar is die hele literatuur nu een grap voor ons,’ zegt ze. ‘Stom hè?’ Maar ik ontken: ‘Je hebt helemaal gelijk: literatuur is dood.’

In de woning van de burgemeester, vol met imposante kroonluchters, probeer ik Arnon op te sporen. Ik krijg echt de indruk dat hij me aan het ontlopen is. Hij neemt weer niet op. Er spreken wat politici. Het publiek wordt revelations toegewenst en de minister van Cultuur memoreert het bijna dertigjarige jubileum van het festival, dat ongeveer tegelijkertijd begon met de val van het communisme. Via boeken kon hij dromen van New York en Parijs. Dromen dankzij boeken, het lijkt net als deze woning een anachronisme.

Als ik me omdraai, terwijl de minister herinneringen ophaalt aan een ontmoeting met Umberto Eco in Bologna toen het reizen was toegestaan, kijkt Arnon me met een guitige blik aan. Ik nood hem aan mijn tafeltje. ‘Waar was je?’ vraag ik. ‘Ik moet je wel een beetje volgen, natuurlijk.’ Hij was in gesprek met Germaine Greer, de bekende feministe, die hij zaterdag zal interviewen. Dan spreekt Michael in zijn fluwelen Engels over het festivalthema ‘Beauty saves the world’. ‘Schoonheid spreekt voor zichzelf,’ zegt hij. Het thema, dat schoonheid de wereld redt, wordt toegeschreven aan Simone Weil, maar Nancy vertelt me later dat het uit De idioot van Dostojevski komt. Tot slot is er vioolspel, dat dermate mooi is dat we even gered lijken. Het spel is zo intens dat de violist ter afsluiting zijn instrument tegen de muren van de burgemeesterswoning kapot had moeten slaan. Maar je kunt niet alles hebben.

‘Wie is die meneer met die Aziatische dame eigenlijk?’ vraagt Arnon. ‘Die is enorm chagrijnig. Germaine Greer zei: “Waarom is hij niet gewoon thuisgebleven?”’ Een oude, zwijgende man legt Arnon een foto van hem voor en Arnon signeert. Vervolgens loopt de man weg. ‘Die man is er elk jaar,’ zegt hij lachend, ‘een soort Groundhog Day.’ Er is een buffet, maar Arnon vindt staand eten niets, dus we lopen via de Karelsbrug naar het restaurant van Hotel St. Augustine. Hij heeft een moeilijke zomer gehad. Ik vraag hem of hij niet een keer onverbloemd zijn emoties op papier wil zetten. ‘Ik heb meer met het onderkoelde,’ zegt hij. Ik merk op dat het er wel in zit. ‘Maar niemand ziet het,’ vult hij aan.

Tijdens het dessert vraag ik hem of hij van de mensheid houdt. ‘Ja,’ zegt hij, ‘ik geloof in vergeving’, maar de twijfel slaat zichtbaar toe. Uiteindelijk zegt hij: ‘We moeten van de mensheid houden zoals we van geiten houden.’ We nemen een Uber naar Café Slavia, in de hoop daar een pianist aan te treffen. In de Uber zegt Arnon: ‘Zolang ze me niet vermoorden geef ik altijd vijf sterren.’ Ik vraag welke associaties hij heeft met Praag. ‘Een bepaald soort zwaarte,’ zegt hij kijkend uit de ramen naar de Praagse nacht, ‘een intensiteit.’ Slavia is vrijwel leeg en de pianist, wiens dienst er helaas opzit, is met een stelletje aan het praten. We bestellen slivovitsj. Maar dan gaat het meisje spelen. Aarzelend, maar mooi. Ze is verlegen als we klappen. We bieden haar en haar vriend een glas wijn aan en dan gaat ze verder met Für Elise, zachtst gezegd niet zonder fouten, bijna lelijk, maar dit is wederom schoonheid, een schoonheid die misschien niet de wereld kan redden, maar wel twee mannen in een leeg café voor ten minste één avond.

De volgende morgen appt Arnon of ik wat voor hem kan printen. Even waan ik me terug in pakweg 2012 toen ik als secretaris voor hem werkte. Het voelt een beetje als twee bevriende exen, van wie de een plotseling om seks vraagt, waarna de ander toestaat, maar het is niet meer hetzelfde. Ik schrijf terug: ‘Tuurlijk, for old times’ sake.’2 We lunchen in Hotel Pariz en terwijl Arnon zijn aglio e olio eet – zijn favoriete gerecht – spreken we over ontheemding, dat dat misschien minder aan de orde is in New York, waar vrijwel niemand vandaan komt. In 1995 overwoog hij nog met zijn geliefde naar Napels of Genua te vertrekken. ‘Ik maak hotelkamers tot een thuis, vaste plekken in de stad,’ verklaart Arnon.

Wandelend door de Joodse wijk naar het museum voor toegepaste kunst merkt Arnon op: ‘In Amsterdam zijn ze aan het klagen maar ze zouden híer een kijkje moeten nemen.’ Oude auto’s rijden door de stad voor rondritten en we beelden ons in dat in zo’n open auto Heydrich moet zijn vermoord. Over de bierfietsen merkt Arnon op dat het ‘niet goed is, voor alle betrokkenen’.

Via de oude synagoge komen we bij het museum, er is een tentoonstelling over roofkunst uit de nazitijd. Als de caissière vraagt of we meer tentoonstellingen willen zien, zeg ik: ‘Nee, alleen de nazi-tentoonstelling.’ In de zaal staan de kunstvoorwerpen in kooien. ‘Het doet aan een kamp denken,’ zegt Arnon. Het is goed gedaan, vervreemdend. Zwijgend lopen we door de tentoonstelling van servies, schilderijen, klokken et cetera, voorzien van foto’s en namen van de Joodse eigenaren. Ik word getroffen door een gouache van een kind in het wit, het is van Eva Glauberova, een goedlachs meisje, in 1922 geboren, op haar twintigste naar Theresienstadt gebracht en een jaar later vermoord in Auschwitz. Later zie ik dat de gouache van haar vader is, Viktor Glauber, van Eva is het Boheemse glas met daarop Teplice. Ik vraag Arnon of hij iemand wil uitkiezen om ‘met zich mee te dragen’. Hij kiest Tomáš Hübscher, een naar het lijkt bedeesde jongen, van hem is de suikerzoete beker met daarop een echtpaartje. Als veertienjarige werd hij, vermoedelijk een paar transporten later dan Eva, naar Theresienstadt gebracht en ook hij werd vermoord in Auschwitz, op zestienjarige leeftijd. Later, als op het festival wordt gesproken over dat schoonheid geweld in zich draagt, zal ik denken aan het glas van Eva en de beker van Tomáš.

’s Avonds staan we in de lobby van het hotel. Germaine Greer is haar tas verloren. Ze vindt het naar eigen zeggen niet meer dan een ‘waste of time’. Arnon vraagt haar of ze in het panel zit. Ze bevestigt, ‘but what the fuck am I gonna say?’ Cunningham komt te laat de lobby binnenwandelen en draait zich om naar Larissa om een reprimande in ontvangst te nemen. De dichteres Patrizia Cavalli, Arnon zou haar morgen interviewen, is ziek thuisgebleven. ‘Jammer,’ zegt hij, ‘ik had me op haar verheugd.’ De chagrijnige man blijkt een vooraanstaande Franse filosoof, François Jullien.

We rijden naar het senaatsgebouw van de republiek van Tsjechië aan de Malá Strana, de kleine zijde, waar ook de Praagse Burcht is gelegen. Ik moet denken aan mijn vader, die niets mooier vindt dan in een taxi door Praag rijden. In de overweldigend mooie zaal van de senaat neemt Jaroslav Kubera, de voorzitter van de senaat, het woord en ze refereert aan de eerste elegie uit De elegieën van Duino van Rainer Maria Rilke, die in Praag is geboren: ‘Want het schone is niets dan het begin der verschrikking, dat wij net nog verdragen, en wij bewonderen het zo, omdat het onaangedaan nalaat ons te vernietigen.’3 Het sluit aan bij het motto van het panel. ‘The horror of the world hides behind its beauty’, waarover Greer, Cunningham en Jullien zich buigen. Helaas komt de discussie niet van de grond. Greer laat weten dat ze geen vrienden is met God, en de Franse filosoof is zo onduidelijk dat hij op een parodie van een Franse filosoof lijkt. Zijn sjaaltje en zelfingenomen uitstraling helpen hem niet. Raja, de Amsterdammer, zegt na de discussie: ‘Schoonheid is opium voor de ogen.’ Als ik Arnon vraag naar een definitie van schoonheid verwijst hij naar Freud door te stellen dat schoonheid datgene is wat ons verzoent met het gruwelijke.

’s Avonds laat drinken we nog wat in Hotel Pariz met Nancy en haar vriend, Guy, en daar vertelt Arnon dat negentig procent van de festivals zo verloopt: het gaat alle kanten op. Het gesprek komt op Romain Gary, over wie Nancy een boek heeft geschreven. Gary pleegde zelfmoord en liet een briefje na: ‘Ik heb me uitstekend vermaakt. Tot ziens en bedankt.’ Nancy vertelt dat hij weer populair is geworden. In Nederland is daar helaas weinig van te merken. Arnon wil weten hoe Nancy en Guy elkaar hebben ontmoet. ‘Hij schreef me een brief,’ zegt Nancy. ‘Dát is schoonheid!’ roep ik uit. Als we teruglopen naar ons hotel roep ik hetzelfde bij een jong hondje. Om overal schoonheid te zien is waanzin, of is dat gewoon enthousiasme?

Zaterdagochtend regel ik de printjes voor Arnon. De vorige avond zei Arnon dat schoonheid een verleiding in zich draagt. Ik denk aan de asceten, die in schoonheid een valstrik van de duivel zagen, en aan goedheid, dat gepaard zou gaan met het schone en ware. Later zal ik in Koptekst lezen: ‘Goedheid mag nastrevenswaardig zijn, erotiserend is zij zelden.’

Praag is de mooiste stad van Europa, tegenover de Zwarte Madonna aan de Celetná leun ik tegen een muur in het gouden zonlicht. hare krisjna’s komen zingend voorbij. Een meisje, dat te verlegen lijkt om mee te zingen, komt naar me toe en geeft me een chocolaatje in een plastic zakje. Mooi, maar even later gooi ik het in de prullenbak. Tijdens een kopje koffie in de Zwarte Madonna gaat een oogverblindende, jonge Spaanse aan het tafeltje tegenover me zitten. Ze kijkt me niet aan, maar dat ben ik gewend.

Vóór het hotel – ik rook een sigaartje – komt Maria Golia aangelopen, een sympathieke Amerikaanse schrijfster die al dertig jaar in Caïro woont, omdat Amerika te duur is. Ze zal zo dadelijk de Mexicaanse journaliste Alma Guillermoprieto interviewen, een dame met wie ik de dag ervoor wat vriendelijke woorden had uitgewisseld, dus ik ga mee. In de taxi ontvang ik een app van Arnon, hij nodigt me uit voor de lunch. Even heb ik de sensatie, aan Arnon ontsnappend, dat ik vreemdga.

Aangekomen tref ik Raja, Junot Díaz en diens vriendin aan de koffie. Junot, schrijver en docent aan MIT, spreekt over het go­thische, de schoonheid van de vergane glorie. Raja blijkt, tot ons aller verrassing, tweeënzeventig. Toen hij jong was kreeg hij een verhouding met een psychiater, die er vervolgens met haar eigen psychiater vandoor ging. Later onmoette hij in Praag zijn Tsjechische echtgenote. Raja heeft een weblog, Diary of a Frustrated Arab, met als nom de plume Sherlock Hummus. ‘Mijn dag begint om twaalf uur in het café,’ zegt Raja. Hij woont vlak bij een voormalige woning van Kafka. ‘Zet dát maar in je artikel,’ zegt hij tegen mij.

‘Ik schrijf over domme relaties en de neoliberale dictatuur,’ zegt Junot op het podium tegen de interviewer. Daarna verhaalt hij over de ‘anti-immigratiezeitgeist’ en dat die het regime van Trump zal overleven. Schoonheid ziet hij in de ‘ethiek van de solidariteit’ en compassie, alles wat de machthebbers niet mooi vinden, wat ze wíllen dat wij niet mooi vinden. Vervolgens leest hij een kort verhaal voor vol met scheldwoorden, wat deze bovenmenselijke zaal wat menselijker maakt. Vervolgens is het woord aan Alma, ze is naast journaliste – ze versloeg de oorlog in Nicaragua voor The Guardian – danseres en leest voor uit haar boek Dancing with Cuba. Ze memoreert Fidel Castro, die als jongeman ‘terribly good looking’ was en die Peru in 1970 te hulp kwam na een natuurramp door de Cubaanse bevolking op te roepen bloed te doneren. Er werd massaal gehoor gegeven aan die oproep. Ik denk aan verleiding en de ethiek van de solidariteit; het een hoeft het ander niet uit te sluiten.

‘Is die Franse filosoof er ook?’ vraagt Alma me buiten als ik haar heb gecomplimenteerd met haar lezing. ‘I cannot do it!’ roept ze uit. Ze zal naar binnen glippen nadat Jullien is geweest. Maar Julliens lezing is boeiend. Hij is naar China gegaan om naar eigen zeggen anders te leren denken, om de ruimte tussen twee culturen te ervaren. In China geldt een heel ander concept van schoonheid, voorwerpen die niet verleidelijk zijn kunnen eveneens als mooi worden ervaren. Een Chinees beoordeelt een schilderij ook niet, maar hij wil deelnemen, zichzelf transformeren. In China is ‘zouteloos’ (bland) niet een negatieve eigenschap, het is een smaak die zich nog niet heeft gemanifesteerd. Zo is een onaantrekkelijk schilderij niet onherroepelijk lelijk, want je kunt er bekend mee worden, het is ‘open voor alle mogelijkheden’. Dat lijkt van toepassing op Jullien, hij heeft me aangenaam verrast.

Tijdens het beantwoorden van vragen uit het publiek komt een prachtige vrouw binnen. Even verbeeld ik me dat ze mij groet.

Dan is Arnon aan de beurt. Hij beantwoordt vragen over De joodse messias en leest voor over zijn embedment in een verzorgingstehuis in Gent, waarvan hij de bewoners op prachtige wijze heeft vereeuwigd, een bewijs dat hij van de mensheid houdt. De schoonheid schuilt zelfs in het kwijl van een van de bewoners.

Bij het bier in een nabijgelegen hospoda spreekt Alma over haar bezoek aan Den Haag in de jaren zeventig. Ze zweert dat ze een ufo heeft gezien. Jullien komt ter sprake. Ik neem het voor hem op. ‘I boycot him,’ zegt Alma. ‘Hij groet helemaal niemand.’ Even komt de niet onplezierige gedachte in me op dat dit een schoolreisje is. Arnon moet voortijdig weg omdat hij Greer en Huston moet interviewen en ik maak een afspraak met Alma om haar de volgende dag de literaire cafés van Praag te laten zien.

Arnon begint het interview met de penis. Greer vertelt dat op Sicilië moeders de penis van hun kinderen in de mond namen om ze rustig te maken. Er wordt gesuggereerd dat orale seks de wereld kan redden. Huston deelt de fantasie dat alle penissen van haar sekspartners naast elkaar worden gelegd zodat ze dan de eigenaar zou moeten raden. Hoewel Arnon kundig de gesprekken leidt, is de schoonheid weer de grote afwezige. Is schoonheid dan zo afschrikwekkend?

Voor we Café Montmartre binnengaan, zegt Arnon tegen me: ‘Die Nancy Huston is vast een mannenverslindster geweest, denk je niet?’

Al wandelend op zondagochtend vertelt Alma dat ze de vorige avond met alle vrouwen is gaan drinken. Astrid Myers Rosset, de achtentachtigjarige weduwe van de legendarische underground-uitgever Barney Rosset, die onder anderen William Burroughs’ werk en Henry Millers Tropic of Cancer uitgaf, was ook van de partij – vrijdag, op weg naar de senaat over de keien, had ik haar nog een arm gegeven. Alma zegt dat toen de ober een glaasje wodka inschonk ze uitriep: ‘Are you gonna give me this? I need at least four of ’m.’ In Café Louvre aangekomen, waar aan het begin van de twintigste eeuw spiritistische lezingen werden gehouden, spreken we over Mexico en de aankomende Día de los Muertos. Dit jaar kon Alma niet naar Mexico, maar ze heeft haar schoonmaakster gevraagd een altaar te maken, Mexicanen geloven dat op die dag geliefde doden terugkomen voor een feest. Alma heeft bier laten klaarzetten. ‘That’s beautiful,’ zeg ik. Na mijn dood moeten de levenden ook bier voor me klaarzetten, Pilsner Urquell graag, anders kom ik niet.

In Café Slavia vertel ik Alma dat ik in Rotterdam-Zuid woon, waarover de rapper Jordy Dijkshoorn zegt dat het leuke aan Zuid is dat je rustig in je badjas naar buiten kan stappen. Alma vraagt of ik Pessoa ken, in het Portugal en Spanje van die tijd schijnen mannen ’s ochtends in badjas het café te hebben bezocht. Ik lach smakelijk om dat beeld.

Via Montmartre en De Gouden Tijger lopen we naar het Oude Stadsplein. Alma is gebiologeerd door de gouden Madonna op de Týnkerk. Het doet haar denken aan een Mexicaanse madonna. Ze vertelt een volksverhaal over een Mariaverschijning. Een arme Indiaan zag Maria en vertelde dat aan iedereen, maar hij werd uitgelachen. Maria zei: ‘Juanito, wees niet bedroefd, hier heb je rozen, laat die maar zien.’ Het is winter en dan bloeien geen rozen. Desondanks geloven de mensen hem niet en dan zegt Maria: ‘Ga nog maar een keer, ik zal hen wat laten zien.’ Als hij bij de mensen komt, dan verschijnt Maria uit zijn mantel. Een mooi verhaal, vind ik, maar Alma zegt dat het werd verspreid om de Indianen, die zich nog te veel aan het volksgeloof hielden, te bekeren tot het christendom. Ik denk aan het panel dat zich had moeten buigen over ‘the horror of the world hides behind its beauty’. In deze wereld strijden hemel en hel om elkaar, en maar al te vaak vermomt de verschrikking zich als schoonheid.

Claudio Magris, winnaar van de Kafka-prijs, hij beschouwt Triëst en Praag als homelands, schrijft in Het museum van oorlog: ‘Opnieuw heeft het burgerlijke, fascistoïde Triëst, een stad van collaborateurs uit roeping, zijn gezicht gewassen en zijn neus gepoederd.’

Afschminken, dat is de taak van de schrijver, niet in de laatste plaats zichzelf.


NOTEN


1 De bundel Bij ons in Auschwitz verscheen op 27 januari 2020 ter gelegenheid van de vijfenzeventigjarige bevrijding van Auschwitz.

2 Arnon schrijft me na lezing van deze reportage: ‘Wist niet dat ik een faux pas maakte door te vragen of jij die blaadjes kon uitprinten. Je suis désolé.’

3 Rainer Maria Rilke, De elegieën van Duino (IJzer 2018), ‘De eerste elegie’, p. 27.