Het is zover

door Maarten ’t Hart

‘Had ik toch,’ zei mijn vader tijdens de avondboterham, ‘vandaag weer zo’n rare snoeshaan op ’t graf die mij zei: “Tuinman, ik wil er eerstdaags een punt achter zetten, maar voor ik er werk van maak, zou ik graag even poolshoogte nemen waar ik dan kom te liggen.”’

‘Dat hangt ervan af wat ’t worden gaat, eersteklas eigen graf, tweedeklas eigen graf of huurgraf, derdeklas huurgraf. ‘

‘Maakt dat dan wat uit?’

‘Ja, als je kiest voor een prijzig eersteklas eigen graf kom je daar bij het rododendronparkje te liggen. Kees je voor tweedeklas eigen graf dan ietsje goedkoper bij de kapel, en tweedeklas huurgraf nog wat goedkoper bij ’t baarhuisje. En wordt het derdeklas huurgraf dan voor een flinke grijpstuiver bij de spoorsloot. Het is maar net wat je familie d’r aan wil besteden of wat je zelf opzij hebt gelegd voor je laatste tocht.’

‘Ik wou ’t toch zo goedkoop mogelijk houden.’

‘Dan wordt ’t een derdeklas huurgraf.’

‘En waar kom ik dan te liggen?’

‘We lopen d’r even heen, want erg nauwkeurig kan ik ’t niet aanduiden, ’t hangt er maar net van af wanneer je jezelf van kant maakt. Doe je ’t vandaag nog dan kom je hier bij ’t lijkenhuisje terecht, kijk, d’r ligt een luik, want vanmiddag wordt vrouw Gerdes begraven, en da’s de laatste van de drie om ’t graf vol te maken, en bij ’t volgende klantje voor de derdeklas, graaf ik hiernaast weer een nieuw graf waar d’r weer drie in komen te liggen, nou, en zo schuift het op richting spoor.’

‘Dus over een tijdje lig je pal langs de spoorlijn als je derdeklas wordt begraven.’

‘De spijker op de kop.’

‘Mooi plekje, zo pal aan ’t spoor. Hoelang zou ’t nog duren voor u daar aan de slag gaat?’

‘Dat hangt er natuurlijk maar net van af hoeveel derdeklas begrafenissen ik de komende tijd heb.’

‘Is er dan helemaal geen peil op te trekken?’

‘Zeker wel, ik heb gemiddeld één dooie per twee weken voor de derdeklas.’

‘Dus wanneer ben je dan aan het begraven pal aan ’t spoor?’

‘Over een week of zes, zeven, denk ik, tenzij ’t erg warm wordt, dan sterven d’r meer oudjes.’

‘Dus ik moet er over een week of zes werk van maken.’

‘Ik kan je wel een seintje geven als ’t zover is, kleine moeite.’

‘Dat zou ik erg prijs stellen.’

‘Ja, maar op voorwaarde dat je je niet verzuipt – da’s zo erg, een lijk dat in ’t water heeft liggen rotten. Dat ziet er zo vreselijk uit. En spring alsjeblieft ook niet van die torenflat in de Sluispolder. Dan moeten ze beneden de brokken bij elkaar schrapen, da’s ook vreselijk.’

‘Wat raadt u me dan aan?’

‘Een flinke zooi sterke slaappillen.’

‘Kom d’r maar eens aan.’

‘Hoe wou je ’t dan doen?’

‘Verhangen, dacht ik.’

‘Och man, doe dat nou niet, dat luistert zo nauw, als je touw lang genoeg is en je valt mooi rechtstandig omlaag, breek je meteen je nek, da’s niet slecht, maar meestal hang je nog een tijdje te spartelen en dan heb je ’t Spaans benauwd, dan wil je d’r dolgraag alsnog van afzien. Vrouw Kazenbroot heb d’r eigen verhangen in ’t trapgat van d’r huisje in de Sandelijnstraat. Daar kun je nou nog de kapot geschopte traptreden zien. Eén hele trede heeft ze compleet naar de Filistijnen gebeukt. Nee, niet doen, neem pillen, da’s al met al ’t beste. En denk niet, ik kom aan ’t spoor te liggen, dus ik spring voor de trein, want wat je dan krijgt… een slagerswinkel na een aardbeving. Da’s echt nog erger dan van een torenflat springen.’

‘Nog even wat anders, tuinman, als je in die derdeklas begraven wordt, lig je dus met twee wildvreemden in ’t zelfde graf, da’s toch niet zo prettig.’

‘Daar merk je toch niks meer van?’

‘Dat zegt u nou, maar dat weet u toch ook niet zeker, ik begrijp dat je met z’n drieën in één zo’n graf terechtkomt, dus je kunt onderop liggen of in ’t midden of boven.’

‘Kijk nou toch, op school was je vast goed in breuken.’

‘Ja, daar kon ik wel mee uit de voeten, maar da’s nou niet zo belangrijk op dit moment, wat ik maar zeggen wil: je kunt dus in ’t midden komen te liggen met boven en onder een vrouw.’

‘Dat kan, zou je dat willen dan?’

‘Ja, dat lijkt me top, maar ja, hoe dat nou voor mekaar te krijgen?’

‘Dat heb je niet in de hand, da’s een kwestie van pech of geluk.’

‘Nou ja, als u me nou een seintje geeft als u begraaft pal aan ’t spoor en d’r een vrouw onderop ligt, dan kom ik als volgende klant meteen daarboven en is d’r een kans dat boven mij weer een vrouw wordt begraven.’

‘Dat kan, maar dan moet je d’r wel echt razendsnel werk van maken als ik een seintje geef, anders is iemand je d’r toch nog voor. Je hebt nog een week of zes om genoeg pillen bij mekaar te schrapen, dus aan de slag zou ik zeggen.’

Zeven weken later – het was inmiddels lente, en de merels zongen ’s morgens vroeg de longen uit hun zwarte lijfjes – was het zover, mijn vader begroef langs het spoor.

‘Het wordt tijd,’ zei hij op zo’n mooie voorjaarsavond met van dat donkere strijklicht langs de hemel, ‘om die vent uit de Arie Krijgsmanstraat een seintje te geven.’ Hij rolde een zware Van Nelle, keek me aan, zei: ‘Ik heb er geen pest zin in daar nou nog heen te stappen, d’r was een liggende zerk die d’r bij de eersteklas af moest, Ai van Leeuwen is me komen helpen want alleen kon ik het niet af, en nou ben ik hondsmoe – nee, daar nog heen, da’s net eventjes te veel van het goede.’ Waarop hij mij, terwijl hij zorgvuldig z’n Mascotte van een likje speeksel voorzag, strak aankeek.

Vervolgens deponeerde hij zijn sjekkie in z’n linkermondhoek en zei zacht: ‘Zou jij eventjes naar de Arie Krijgsmanstraat willen lopen, en ’m willen zeggen: het is zover. D’r hoeft niks bij, hij zal ’t meteen begrijpen, denk ik, en als hij zo stom is om het niet te begrijpen verdient hij ook niet om boven Jannetje Pasterkamp te liggen, dan zoekt hij het verder zelf maar uit. Hij woont op nummer drieëntwintig rood.’

‘Maar…’ zei ik.

‘Niks te maren,’ zei mijn vader, ‘doe me nou een lol en ren op een drafje naar ’t Hoofd, is dat nou zo erg? Hondsmoe ben ik thuisgekomen, moet ik dan zelf… kom nou, zo’n klein klusje, heb je dat dan niet voor je vader over?’

‘Ja, maar… maar…’ stamelde ik.

‘Ik snap wel dat ’t een beetje begrotelijk voor je is, maar als die man nou zelf… Ik heb hem toegezegd: ik geef je een seintje, en daarmee was hij reuze in zijn schik, dus als je daar nog even heen draaft, doe je mij en hem een groot plezier, heus, is dat nou zo erg… “het is zover”, drie woordjes maar.’

‘Als hij mij ziet weet hij niet wie hij voor zich heeft… en dat ik de zoon…’

‘Als je zegt: het is zover, snapt hij meteen wat je bedoelt, en als hij nog navraagt, ben je d’r eentje van Pau ’t Hart, dan knik je. Maar dat vraagt hij niet, “het is zover” volstaat. Ga nou maar, het is een rotklusje, ik weet het, maar ik ben hondsmoe, echt waar, en of hij ’t nou van mij hoort of van jou, maakt immers niks uit. Hij moet het toch weten, ik heb het ’m beloofd.’

Dus toen ging ik, terwijl het voelde alsof ik op weg was naar een schavot, de deur uit. En het was zo’n mooie voorjaarsavond, met zo’n wonderlijk blauwe avondhemel. En de merels zaten op de antennes en zongen alsof ze oefenden voor een concours. En ik hoorde ook roodborstjes en hier en daar zelfs een koolmees, al is dat dan geen avondzanger. En de zanglijsters hadden er ook nog schik in om hun toonherhalingen te laten schallen. En her en der zag je al vrouwen die er fleurig bijliepen, vooral op de lange Fenacoliuslaan.

Als ik aan die lenteschemering terugdenk, lijkt het wel alsof er in mijn hele leven nooit een luisterrijker voorjaarsavond is geweest dan toen op die gedenkwaardige dinsdag negentien april van het jaar negentienzestig. Nooit ook een avond die zo in mijn geheugen gegrift staat, met nog zoveel mensen op straat en zoveel geheimzinnig strooilicht, overal vandaan, en met brandende lampen in huiskamers.

Was ik boos? Was ik bang? Voelde ik me bezwaard? Ik wist het niet, ik wist alleen maar dat mij een opdracht was gegeven die boven mijn macht lag en dat de hele wereld, al die merels, die zanglijsters, die roodborstjes en de voorbijgangers, het met mij eens waren: dit kun je niet vragen van een jongen van vijftien jaar. Maar ja, van mijn vader zelf wel? Wie maakte er nu zo’n soort afspraak? Dat sloeg toch nergens op? Maar als er dan al zo’n verbijsterende afspraak werd gemaakt, waarom werd uitgerekend ik dan eropuit gestuurd om die man een seintje te geven?

Ter hoogte van het Wijde Slop kwam ik Ria Krouwel tegen, een meisje dat ik al sinds de kleuterschool bewonderde. Ze glimlachte zowaar naar me, ofschoon ze inmiddels omging met kerels op Puch-bromfietsen, en dus geen oog meer had voor jongens van haar eigen leeftijd.

‘Lekker weertje, hè,’ riep ze me gul toe.

‘Nou en of,’ zei ik.

‘Waarom kijk je dan zo sip?’

‘Kijk ik sip?’

‘Ja, als je een hond was, sleepten je oren over straat.’

Ze was al voorbij voor ik iets terug kon zeggen, en ik keek om, en zij keek om, en we lachten naar elkaar en het was net of ik toen pas, op dat moment, echt besefte hoe ongelofelijk aantrekkelijk ze was met haar lange zwarte haar en haar donkere ogen. En ik vroeg mij af of ik, als ik begraven zou worden, liever boven of liever onder haar zou liggen. En als zij onder zou liggen, wie dan boven? Ans Groeneveld? Tineke Cordia? Het was zo’n volstrekt absurde vraagstelling dat ze me opfleurde en bezighield tot ik de spoorbomen bereikte. Die daalden. Gelukkig, wachten, even respijt. Vanuit de duisternis kwamen twee lichten aansnellen en met een daverend lawaai denderde de boottrein voorbij, en zo snel was hij alweer verdwenen dat het leek alsof hij nog komen moest. Maar vanuit de richting Hoek van Holland naderde op het andere spoor de stoptrein naar Rotterdam. Toen ook die gepasseerd was, werden de bomen weer opengedraaid, en kon ik het Hoofd betreden. Waar was die Arie Krijgsman­straat ook weer? Bij de Hendrik Schoonbroodstraat? Langs de spoorlijn liep ik in de richting van de Belgische buurt. Het leek, nu ik op het Hoofd verkeerde, alsof de avondhemel opeens donkerder was geworden. De merels zongen hier ook minder uitbundig. De zeelucht ademde door de straten, en her en der werden in de huiskamers de gordijnen gesloten.

Uiteindelijk stond ik dan toch voor nummer drieëntwintig rood, ik belde aan, en ergens boven aan een trap trok iemand aan een touw en een meisjesstem riep: ‘Wie is daar?’

Totaal uit het veld geslagen stond ik daar. Zo’n liefelijk stemmetje als van prinses Priegeltje uit Paulus de Boskabouter, had ik totaal niet verwacht. En wat moest ik daar nu toch op antwoorden?

Het meisje daalde een paar treden de trap af, kwam tevoorschijn bij de bocht van de trap, keek mij aan, riep toen naar iemand op de overloop: ‘Het is een jongen.’ Het was een meisje met lang, lichtblond haar. Haar in van die golfjes. Ik had haar al vaak op straat gezien, en al vaak naar haar omgekeken. Zulke meisjes, ‘dellen’ waren het volgens mijn moeder, mocht je natuurlijk niet begeren. Maar niets leek me leuker dan met zo’n meisje een keer in de schemer naar de Maaskant te gaan.

Ze bleef bevallig half in de bocht van de trap staan. Achter haar klonk een wat zwaardere stem: ‘Vraag die knul of ’t er een van Pau ’t Hart is.’

‘Ben jij d’r een van Pau ’t Hart?’ vroeg het meisje.

‘Ja,’ zei ik naar omhoog.

‘Zeg hem,’ zei de man die ik niet zien kon, ‘dat ik begrijp waar hij voor komt, en dat hij tegen z’n vader moet zeggen dat ik ’t al met al ver beneden z’n waardigheid vind om z’n zoon d’r opuit te sturen met zo’n boodschap.’

Het meisje herhaalde zijn woorden niet, vroeg alleen maar: ‘Hoorde je wat m’n vader zei?’

‘Ja,’ zei ik, en ik wilde eraan toevoegen: mijn vader had heus zelf wel willen komen, maar hij heeft vandaag een liggende steen van een graf gelicht en was zodoende doodmoe en daarom… Maar het meisje daalde de trap af, zei ‘Dag, dag’ en sloot de voordeur.

Was die man uit de Arie Krijgsmanstraat beledigd? Gekwetst? Zoveel was zeker, in de dagen die volgden stierf de een na de ander. Het graf met Jannetje Pasterkamp onderin, was al lang vol, en het volgende eveneens, en mijn vader boog alweer van het spoor af, maar op de gemeentesecretarie verscheen alsmaar geen briefje waarop de naam prijkte van de man uit de Arie Krijgsmanstraat. Mijn vader werd wantrouwig en vroeg me op een dag: ‘Zeg eens eerlijk, ben je d’r wel langs geweest? Of heb je, omdat je dacht, hier wil ik niks mee te maken hebben, alleen maar een ommetje gemaakt naar ’t Hoofd zonder afstekertje naar die Arie Krijgsmanstraat?’

‘Ik ben d’r geweest,’ zei ik verontwaardigd, ‘z’n dochter trok de deur open, want ze wonen in een bovenhuis, en die heb ik ’t gezegd en haar vader stond erachter op de overloop. Ik kon hem niet zien, maar hij heeft wel gehoord wat ik zei.’

‘En zei hij wat terug?’

‘Hij zei tegen z’n dochter: zeg maar tegen die knul… zeg maar tegen die knul…’

Mijn stem stokte, ik hapte naar adem, mijn vader werd nijdig, zei: ‘Kom op, voor de draad ermee, wat wou die vent z’n dochter jou laten zeggen?’

‘Dat hij het beneden je waardigheid vond dat je mij d’r opuit had gestuurd om hem dat seintje te geven.’

‘Hoor eens, ik was totaal afgepeigerd, ik kon geen stap meer zetten, ik had amper adem om naar huis te fietsen… beneden mijn waardigheid, wat bedoelt hij daar in vredesnaam mee, waardigheid, wat heb dat nou met dat seintje van doende? Had ik ’t ’m dan per post moeten laten weten? Of je moeder eropuit moeten sturen? Nou, die was onderweg naar ’t Hoofd geheid verdwaald. Wat krijgen we nou? Dus ik had jou, als ik ’t goed begrijp, d’r niet opuit moeten sturen om het hem te zeggen. En daarom is hij z’n afspraak niet nagekomen? Nou, dan had hij wel een verrekt klein zetje nodig om hem op andere gedachten te brengen. Maar je zal zien: binnenkort staat d’r hier op de schoorsteenmantel een briefje met z’n naam erop. Hebben zulke gasten ’t eenmaal in hun hoofd gezet om zich van kant te maken, dan doen ze ’t vroeg of laat… beneden mijn waardigheid, zo’n woord, waar haalt hij het vandaan… waardigheid… waardigheid… je zou toch denken dat iemand die in de Arie Krijgsmanstraat woont zo’n woord niet eens op school heeft gehad… waar haalt hij het vandaan… laat hij aan z’n eigen waardigheid denken… Alsof ’t niet beneden de waardigheid van elk mens is om zich van kant te maken… want daar begint het in dit geval toch mee… en dan zou ik… dan had ik jou d’r niet opuit mogen sturen om hem het beloofde seintje te geven.’

Een paar weken later zei mijn vader, toen we in de huiskamer zaten te wachten op het moment dat mijn moeder ons zou sommeren om aan tafel te komen: ‘Sta ik daar in dat sigarenwinkeltje bij het spoor op m’n beurt te wachten, komt opeens die vent uit de Arie Krijgsmanstraat binnen. Dus ik spuw hem meteen op z’n vestje, ik zeg: waarom ben jij je afspraak niet nagekomen? Fluistert hij: “Omdat ik geen flauw idee heb hoe ik ’t moet aanpakken. Verdrinken en springen was je op tegen, en verhangen, dat luistert zo nauw, zei je, nou, wat mot je dan? Je had ’t over pillen. Nou, da’s makkelijk gezegd: pillen, daar is niet aan te komen, echt niet.” “Nou, ik geloof niet,” zei ik tegen hem, “dat je ’t serieus hebt overwogen, maar ’t is stom van je want je had mooi boven Jannetje Pasterkamp gelegen, en onder Fietje Gulp. En pal op ’t spoor. Nee, man, je hebt een unieke kans voorbij laten gaan, die komt nooit meer terug. Maar ja, smoesjes en uitvluchten, ik weet niet hoe ik ’t moet doen, ach man, als je ophoudt met eten en drinken ben je in een mum van tijd hartstikke dood, dus waar zeur je nou over. Ik had je eerlijk gezegd toch wat hoger ingeschat, je valt me bar tegen.” “Nou jij mij ook,” zei hij, “wie stuurt er nou een kind opuit om mij het beloofde seintje te geven?” “Ach man,” zei ik, “ik had die dag met steenhouwer Ai van Leeuwen samen een liggende zerk verplaatst, ik was aan het eind van m’n Latijn, ik kon m’n ene been niet meer voor het andere krijgen, dus heb ik toen m’n zoon gestuurd, tsjonge, en daar val je nog steeds over, daarom lig je nou niet tussen Jannetje Pasterkamp en Fietje Gulp met niks meer dan een smal slootje tussen jou en het spoor in. Genoeg lui die d’r een moord voor zouden doen om daar te mogen liggen, maar jij versmaadt het, gelukkig maar, want jij verdient het ook helemaal niet om daar zo vorstelijk vlak bij het spoor te mogen wachten op de jongste dag.”’