Het lichaam van Ole

door Thomas Heerma van Voss

We gingen Oles lichaam de trap op tillen. Niemand vroeg het maar we begrepen dat we dat straks behoorden te doen. Schouders eronder. Het gewicht dragen dat de twee mannen van het mortuarium in hun eentje hooguit traag omhoog zouden krijgen. Tot dusverre hadden ze enkel bericht over het lichaam thuis ‘bezorgen’. Alsof ze een pakketje kwamen afgeven. Nu waren ze nog bezig in het mortuarium. Voor zover mogelijk bedekten ze de sporen van alle spoedoperaties, uit Oles lijf werden infusen verwijderd, een open wond moest gehecht.

Oles ouders zouden hun kind niet kunnen dragen. Ze waren iel, viel ons op nu we ze voor het eerst ontmoetten. Puntige bovenarmen, smalle jukbeenderen. Met hangende schouders zaten ze naast elkaar op de bank. Ole had dit huis aan ons weleens omschreven als ‘benauwd’ en ‘het totale niets’. Een keer, toen we bij onze eerste en tevens laatste ontmoeting voor drieëntachtig euro aan whisky dronken – Ole hield het bij water vanwege zijn buik – noemde hij dit ‘een stoffige gevangenis’. Nu we hier voor het eerst waren, vonden we die benaming nogal overdreven: weinig mis met dit huis, met zijn laminaatvloer en keurig afgewerkte plinten. Het was hooguit inwisselbaar. Maar ja, wij waren ook inwisselbare mensen.

Vanochtend waren we gebeld door een onbekende hese mannenstem. Hij vroeg of wij ‘die vrienden van Ole’ waren. Zo ja, konden we dan zo snel mogelijk naar hem toe komen? Pas na die vraag stelde de man zich voor als Oles vader. Alle drie hadden we nog nooit een volwassen man horen huilen.

Ook nu huilde Oles vader onophoudelijk. Hij zakte steeds verder weg in de bank. Oles moeder keek afwezig voor zich uit. Haar blik kon ik niet goed zien: de luxaflex waren dichtgedraaid, de kroonluchter aan het plafond verspreidde zuinig licht, en als insecten zoemden een paar familieleden om de ouders heen. Een kan thee ging van hand tot hand, terwijl Oles grootmoeder zich met een vreemde bezieling stortte op het uitdelen van melk en suikerklontjes. Wij dronken alle drie niets, roerloos bleven we tegen de halflege boekenkast geleund staan. Sommige familieleden kwamen zich voorstellen, of eigenlijk vroegen ze vooral wie we waren. ‘O ja, Oles vrienden.’ Uit hun reactie bleek keer op keer dat die twee laatste woorden niet bij elkaar pasten. ‘Het muziekforum, natuurlijk, ik heb erover gehoord. Gecondoleerd.’

We knikten en kaatsten alle rouw in aangelengde vorm terug: wat verschrikkelijk, zo jong, zo onrechtvaardig, zo náár. De voorspelbaarheid van onze opmerkingen stelde ons teleur. De armoedigheid van de taal. Maar afgaande op de gezichten om ons heen had niemand last van wat we zeiden, daarvoor waren we te onbelangrijk of de mensen te verdrietig. Links en rechts: witte, bedrukte gezichten. Magere lichamen. Maar niemand was zo mager als Ole was geweest.

Jarenlang kenden we elkaar uitsluitend via onze laptopschermen. Niet onder onze eigen namen, maar onder ferme aliassen – welke precies hoeft hier niet vermeld te worden, want onze profielen staan nog steeds online en we willen geen pottenkijkers. Die anonimiteit was voor ons vieren juist een van de belangrijkste redenen om ons op het forum in te schrijven. We wilden ongehinderd aandacht geven aan kalme, gevoelige muziek die niet paste bij puberjongens zoals wij. Muziek, ook, die in ons dagelijks leven werd genegeerd of met gefronste wenkbrauwen werd weggelachen. Vijftien waren we toen we begonnen met dagelijks berichten uitwisselen. Honderden, soms duizenden zinnetjes per dag. We deelden YouTube-linkjes van nieuwe muziek. Heb je de nieuwe Jóhann Jóhannsson al gehoord? Wat valt Hans Zimmer de laatste tijd tegen. Ken je het vroegste werk van Max Richter?

Andere gebruikers konden zich in het gesprek mengen, maar deden dat zelden – het forum leek aldoor te krimpen, tot er slechts vier actieve gebruikers over waren. Daar, fysiek gezien honderden kilometers van elkaar verwijderd, in een ongeziene online uithoek, stuurden we meer en meer privéberichten naar elkaar. Over soundtracks, over Varése Sarabande en andere al dan niet dubieuze labels, over welke componist was ingeschakeld voor welke nieuwe film, en na een tijdje ook over hoe onze dagen verliepen, wat we het irritantst vonden aan onze ouders (Ole schreef: ‘Ik deel niets met ze’, op de feitelijke toon die al ons contact kenmerkte). Regelmatig vroegen we elkaar waarom iedereen om ons heen zich zo stompzinnig gedroeg, zo oppervlakkig, zo belust op aandacht – en hoe moesten we ermee omgaan dat wijzelf nauwelijks interessanter waren? Boos worden? Schaterlachen? Zelfmoord plegen?

We kozen een andere optie: nog meer online berichtjes naar elkaar sturen. Eigenlijk voerden we één doorlopend gesprek dat soms werd onderbroken door hinderlijke verplichtingen, proefwerkweken, verjaardagen, bijbaantjes, onze ouders die riepen dat het eten op tafel stond. Aan liefde deden we nog niet.

Twee mannen stapten de woonkamer in. Ze waren kaal en droegen allebei een colbert en een stropdas. Op hun schouders tilden ze een grote ingepakte rol – een soort uitgescheurd laken waar vuilniszakken overheen waren geplakt, alles bij elkaar gehouden door tape. Zwijgend knikten de mannen iedereen in de kamer toe. Ik hoorde ze door hun neus ademen en lichtjes kreunen tijdens het sjouwen, misschien wel het enige toepasselijke geluid in deze situatie – gehavende stilte, ritselend plastic, gesnotter vanaf de bank. Ze liepen naar de keukentafel, legden het pakket ernaast neer, op de tegelvloer waar Ole gisteren nog boterhammen stond te smeren.

Er werd een brancard uitgeklapt en daarop tilden de mannen de ingepakte rol. Behendige vingers peuterden vervolgens het plastic los en scheurden de vuilniszakken open. Wie op dat moment langsfietste en door de luxaflex naar binnen tuurde, zag een keurig tafereel, net of in stilte een omvangrijk cadeau werd uitgepakt of een kunstwerk werd onthuld.

Ole droeg een luier, verder was hij naakt. Zijn buik leek nog meer ingevallen dan voorheen. Zijn nek zat vol kleine gaatjes: de huid leek door een nietmachine bewerkt. In Oles borstkas zaten inkepingen van alle ingrepen van het laatste jaar. De levertransplantatie, de verwijdering van de amandelen, de hartoperatie. Zijn huidskleur was doffer dan ik me kon herinneren, alle leven was eruit weggevloeid alsof hij niet vanochtend was overleden maar weken in de zon had liggen rotten. Zijn gezicht leek nu al een slordige imitatie van hoe het ooit was geweest. Omlaag krullende mondhoeken, wangen die hardhandig ingedrukt leken, aarzelend vlasbaardje.

‘We hebben zijn shirt opengeknipt voor de reanimatie,’ zei de dikste van de mannen. Hij had een piepstemmetje dat geenszins bij zijn plompe voorkomen paste. ‘Helaas, het richtte niks meer uit.’

Een ogenblik leek het of de man tegen ons sprak, maar toen zagen we tot wie hij zich richtte. Oles moeder – ineens stond ze naast ons. Ze keek alleen maar naar het lichaam van Ole, voor haar op die brancard. ‘Ach jongen toch,’ fluisterde ze. ‘Je hoeft geen pijn meer te hebben. Je bent thuis. Ja, heel goed, je hoeft niet meer bang te zijn, je bent weer thuis, je gaat zo lekker in je eigen bed liggen.’

En wij stonden daar maar. Onwennig heen en weer kijkend tussen haar en die brancard. Jarenlang had Ole alleen maar uit woorden bestaan. Nu was hij uitsluitend een lichaam, niets meer dan een verzameling botten, stilgevallen organen bijeengehouden door een beurse, levenloze huid.

Zullen we afspreken? Dat stuurde Ole een maand voor zijn overlijden aan ons allemaal tegelijk. Zo werd hij degene die ervoor zorgde dat we niet langer louter gezichtloze internetnamen voor elkaar bleven.

Niemand van ons had echt behoefte aan zo’n afspraak, het online pact was er al bijna twee jaar en volstond, maar we durfden niet te weigeren. Misschien was onze nieuwsgierigheid gewoonweg te groot. We kozen een bescheiden stad in het midden van het land, waar we een voor een uit een verschillende richting arriveerden. Van tevoren hadden we geen foto’s uitgewisseld en toch liepen we in die stationshal moeiteloos op elkaar af, wie weet herkenden we iets in elkaars blik. Het jeugdige. De schuwheid. Het kan ook ons dat onze pukkelige gezichten de gemene deler waren. Aantrekkelijk waren we geen van allen, dat zijn we trouwens nog steeds niet.

Ole verscheen als laatste. Hij was de kleinste en dunste van ons, en hij zwaaide alsof we elkaar hier dagelijks tegenkwamen – niets speciaals aan. Capuchon op, daaronder: dofgele wangen, bloeddoorlopen ogen, een ernstig getuit mondje. Was deze stille gestalte de jongen die online zo veel berichten deelde? Ik kon het me nauwelijks voorstellen. Zij aan zij liepen we door de stad, die niemand van ons kende. Smalle straten, fietsers die ons aan beide kanten inhaalden. We stonden meerdere keren stil – wachtend tot een ander het voortouw zou nemen, de weg zou wijzen. Uiteindelijk streken we neer in een afgelegen, donker café. Wat waren we in de ogen van de paar figuren aan de bar? Beginnende studenten? Toeristen? Merkten ze ons eigenlijk wel op?

We dronken whisky en praatten, al vielen offline meer stiltes dan online. Misschien waren we afgeleid door elkaars voorkomen, gezichtsuitdrukkingen, kleine geluidjes. Misschien maakte de setting elke opmerking beladen: we zaten voor het eerst niet meer achter ons scherm, dus nu moesten we sneller iets afwijkends of speciaals zeggen. Pas toen het gesprek op soundtracks kwam en iemand de vraag opwierp hoe het toch kon dat IJsland zo veel goede componisten voortbracht (de temperatuur? de ligging?), ontdooiden we. Niet veel later zei Ole met een plotse openhartigheid, alsof de dampen van onze whisky zich ook in zijn systeem nestelden: ‘Ik ben ziek. Al mijn hele leven. Ik heb niet lang meer.’

Later die avond vertelde hij over de kwaal, een mysterieus en ingewikkeld verhaal dat begon bij zijn nieren en overliep naar de rest van zijn gestel. Hij somde alle keren op dat hij geopereerd was. Omschreef de dagen waarop zijn huid geel of groen werd door fouten in zijn stofwisseling. ‘Bijna niemand heeft dit. In mijn dorp lacht iedereen me uit. Ik ben al twee keer van school gewisseld. Meestal ren ik zodra het kan naar mijn pc.’ Ole vertelde niet: hij deelde mede, op een feitelijke toon, alsof hij over iemand anders sprak. Zijn gebrek aan vrienden linkte hij direct aan zijn kwaal. Wij knikten, al waren wij kerngezond en hadden we ook geen van allen vrienden.

De zware man met het hoge stemmetje waste uitvoerig zijn handen. Zijn collega haalde een scheerapparaat tevoorschijn, boog zich over Oles lijf zoals een tandarts bij een patiënt en begon hem te scheren. Een tijdje was het gezoem het enige geluid in de kamer. Was het de bedoeling dat wij hierbij waren, waarom had de vader ons eigenlijk gebeld?

Ook vroegen we ons af hoeveel dode wangen al door dat apparaat waren beroerd, hoeveel verschillend dna zich tussen die mesjes had verzameld.

‘Ach jongen toch,’ fluisterde zijn moeder tegen het lichaam. ‘Daar lig je, je bent gewoon thuis.’

Oles nagels werden geknipt, eerst de handen, daarna de voeten, die groen leken en nauwelijks meebewogen toen de kale mannen ze optilden. De grootmoeder kwam opnieuw langs met melk en suiker, al had niemand nog thee. Oles moeder ging de kamer uit en kwam vrijwel direct weer terug. Ze stapte op ons af. ‘Een T-shirt. We zoeken een mooi T-shirt. Wat vond Ole mooi?’

De ontroerende onbeholpenheid van die vraag. We liepen twee steile trappen op, kwamen in een lege zolderkamer terecht. Geen posters aan de muur. Een rijtje soundtracks naast het bedlampje, minder dan wijzelf thuis hadden. Onder het bureau stond een desktopcomputer, een log, oud model. Daar rende Ole dus elke dag naartoe, het soort apparaat waar op koningsdag geen briefgeld aan te pas hoeft te komen – en hier vandaan had hij dus al die woorden naar ons gestuurd. Al die nietszeggende flarden, de wissewasjes, de openhartige oprispingen. Ging iemand dat apparaat ooit nog gebruiken?

Vier dagen geleden was Ole voor het laatst online geweest. Een miniem digitaal teken van leven. Dat hij zich ‘niet lekker’ voelde. Hoge koorts, een longontsteking. Volgens mij moet ik alweer langs het ziekenhuis. En na onze welgemeende maar loos klinkende ‘beterschap’ en ‘houd je taai’, vroeg hij zonder duidelijke aanleiding of we wel genoeg luisterden naar de meesterlijke soundtrack van Thin Red Line. Voor iemand kon reageren, was hij alweer offline. Wij spraken onderling ook niet verder; stilte heerste – plots leek er iets veranderd, iets wat al begonnen was sinds we elkaar hadden gezien, daar in dat donkere café. Alsof we toen een grens waren overgegaan waarna online contact niet meer toereikend bleek. Waggelend waren we die avond teruggelopen naar het station, zelfs Ole. Allemaal gingen we naar ons eigen spoor, verschillende treinen, verschillende richtingen en levens. Eerst drentelden we nog rond in de centrale stationshal, er werden vertragingen omgeroepen, toen ging Ole vlak voor ons staan, met dat lijf dat bij de eerste de beste windvlaag weg leek te kunnen waaien, keek ons alle drie afzonderlijk aan en zei: ‘Als ik er straks niet meer ben, doe dan alsjeblieft alsof jullie me goed kenden. Echt goed, bedoel ik. Mijn ouders hoeven niet te weten dat ik helemaal geen vrienden had.’

We kozen een T-shirt met het gezicht van Hans Zimmer. Het was potsierlijk, de close-up van dat blubberige gezicht en de scheiding op zijn kalende voorhoofd, maar zodra we het shirt vragend omhooghielden, zei Oles moeder: ‘Ja, dit vond hij héél mooi.’ Ze zuchtte. We waren ervan overtuigd dat ze ging huilen, maar ze bewaarde haar tranen voor als we weg waren. ‘Hij liep hier heel vaak in rond. Toch?’ Ons aarzelende geknik was genoeg om haar vraagteken weg te nemen. ‘We gaan iets leuks voor je uitzoeken, Ole.’ Met het shirt stapte ze naar beneden, waar de twee kale mannen het om zijn bovenlijf wurmden, heel langzaam, zijn armen leken bevroren takken. Weer keken we vanaf een paar meter afstand toe. Ik geloof dat ik nergens ooit zo lang en aarzelend naar heb gekeken als naar Oles lichaam op die grauwe namiddag.

Zou Ole ooit seks hebben gehad, ooit zelfs maar iemand hebben aangeraakt?

Zijn moeder vroeg ons zijn telefoon aan te zetten, ze wist niet hoe dat werkte. ‘Dat hoeft niet nu,’ snikte zijn vader vanaf de bank. ‘Jawel, jawel, dat is heel belangrijk,’ zei ze en ze drukte het toestel in onze handen. We moesten het opladen voor het enig teken van leven gaf. Wachtwoord: 0000. Hoewel het toestel al zeker twaalf uur uitstond, kwamen er geen nieuwe berichten binnen. In de browser werden na een paar klikken onze sterktewensen zichtbaar. Beterschap, houd je taai. Graag zouden we hieraan toevoegen dat we toen we die woorden stuurden echt ongerust waren geweest, dat we zo aan hem verknocht waren geraakt dat we op de een of andere half-intuïtieve manier begrepen wat er stond te gebeuren, maar we hadden geen idee gehad. Eerlijk gezegd vonden we Ole zodra het over zijn ziekte en de dood ging wel heel serieus. Ondanks al die ingrepen stierf zo’n jong iemand toch niet zomaar?

Opeens leek het vijf graden kouder in de woonkamer – we wreven onze armen warm, wilden dat de verwarming omhoog zou worden gedraaid en de luxaflex geopend werd, maar we durfden het geen van allen te vragen. Oles moeder vroeg of we op zijn Facebookpagina een bericht wilden plaatsen, ze wist niet hoe het werkte. ‘Mensen moeten weten dat hij er niet meer is,’ zei ze, maar toen leek ze zich te bedenken: welke mensen? Klasgenoten? Wie volgden hem online behalve wij? Wie hadden hem opgemerkt?

Het was zover. De kale mannen wasten hun handen opnieuw en bogen zich voor een laatste keer over Oles lijf. De ene tilde de koude onderbenen iets omhoog, terwijl het hoge piepstemmetje sokken om de tenen wurmde. Daarna werd Ole weer in een laken gewikkeld, een ander dan zojuist, op dit stonden krokodillenafdrukken – zijn moeder had hem zojuist uit een kast tevoorschijn getrokken. Met moeite kregen ze het laken van de brancard af. We begrepen dat we in beweging moesten komen, eindelijk, hiervoor waren we besteld, nu konden we Oles trouwste en echt goede vrienden spelen. We kwamen aangesneld en ondersteunden het laken. ‘Een lichaam is altijd zwaar,’ mompelde de dikste man. ‘Zelfs van dunne mensen.’

Langzaam, heel langzaam, tilden we hem zo naar boven. Krakende treden, trillende vingers. Uit onze monden ontsnapte onderdrukt gekreun. Voortdurend pauzeerden we uit angst dat we Ole zouden laten vallen, het laken mocht geen centimeter uit onze handen glippen of verschuiven. Oles moeder liep vlak achter ons aan, weer die steile trappen op. Door haar blik gingen we nog trager lopen. Zijn vader bleef op de bank achter en zei snikkend dat hij dit niet hoefde te zien. ‘Ole,’ zei zijn moeder zachtjes, ‘Ole, hoor je me? We gaan je naar je slaapkamer brengen. Je gaat terug naar bed, je wordt door je vrienden teruggebracht en je mag zo lang blijven liggen als je wilt.’

Dit was onze taak en we deden wat we behoorden te doen. Ongeschonden bereikten we de zolderkamer, de lege muren, het lege bed. De kale mannen vertelden hoe we Ole het beste konden neerleggen tot de koelinstallatie werd aangesloten. Twee kussens onder zijn schedel om onverhoeds kantelen tegen te gaan. De armen iets omhoog omdat zijn nagels en daarna zijn vingers anders zwart zouden kleuren.

Toen Ole lag zoals voorgeschreven en zijn moeder en de kale mannen weer naar beneden waren gelopen, bleven we een poosje staan. We waren zowel uitgeteld als klaarwakker en namen Oles lichaam nog een keer in ons op. De witte lippen, de huid die nu al verkleurde, de dichte ogen, het gezicht zonder enige expressie.

Beneden hoefden we niets meer te dragen of te doen, alleen losse snippers bereikten ons nog. De oma die maar bleef rondgaan met thee, melk en suiker, ook toen niemand nog wilde. De vader die opstond alsof hem iets te binnen schoot, zich naar buiten haastte en langdurig verdween. De kale mannen die hun handen voor een laatste keer wasten – hoe vaak deden ze dat in een week? De schalen patat en kroketten die aan het einde van de dag, voor de koelinstallatie arriveerde, werden opgediend en waar we met een ongepaste gulzigheid van aten. Rouw maakt hongerig. De familieleden die steeds levendiger anekdotes ophaalden waar wij drieën geen deel van uitmaakten. De tegenwoordige tijd die geleidelijk in de gesprekken sloop, alsof Ole ieder moment de kamer kon binnenstappen.

’s Avonds laat liepen we weg van Oles woning. Achteraf gezien hadden we eerder moeten vertrekken, zijn familieleden namen nauwelijks afscheid van ons en zelfs voor zogenaamd goede vrienden waren we te lang gebleven. Ook in dit station moesten we alle drie een andere kant op, naar een eigen trein, een eigen stad.

Online deelden we die nacht nog wel berichten, we klokten in zoals anderen in een fabriek, maar we schreven niets over wat we overdag hadden meegemaakt. De dagen erna stagneerde de berichtgeving. Ook toen Oles lichaam later die week in een oven werd geschoven – wij behoorden niet tot de besloten kring die daarvoor was uitgenodigd en wisselden er onderling geen woord over. Wat viel er ook nog over te zeggen?

Die stilte over Oles dood bleek besmettelijk. Op den duur spraken we elkaar ook over andere onderwerpen steeds minder. Er was geen frictie, we maakten elkaar geen verwijten, maar niemand nam het voortouw en we brachten bovendien minder tijd achter het scherm door. We werden verliefd, eindelijk, de wekker ging voortaan iedere ochtend om zeven uur, we speelden dat we onze banen belangrijk vonden, we raakten uitgekeken op soundtracks, we spaarden voor vakanties die we los van elkaar doorbrachten, we kregen één miskraam en twee gezonde kinderen, we scheidden ons afval, we waren nooit meer helemaal compleet.

Meer en meer voelde het alsof die hele geschiedenis met Ole nooit was gebeurd. Zijn ouders hebben we na die dag daar nooit meer gesproken. Dat huis hebben we nooit meer gezien. Wij in die woonkamer, wij met dat laken op die trap? Met een jongen die we eigenlijk niet kenden en die had gevraagd of wij echt goede vrienden wilden spelen? Steeds sterker lijkt het een gekke fantasie, een dagdroom zonder clou.

Nog één keer kwamen we met zijn drieën samen, precies twee na Oles dood, in diezelfde bescheiden stad in het midden van het land, in datzelfde donkere café. We deden ons best het gesprek dit keer wel vloeiend te laten verlopen en hadden het over Ole, over Hans Zimmer en over onze levens, maar toch leek het alsof we ergens op wachtten. Whisky werd er niet meer gedronken. Iemand stelde de vraag of we ooit nog aan Ole hadden gedacht als hij niet was overleden, maar gewoon nooit meer had ingelogd. Niemand gaf een stellig antwoord, we hakkelden alleen wat.

Samen liepen we terug naar het station. Vanaf mijn spoor kon ik zien hoe zij los van elkaar in hun trein stapten. Toen mijn trein arriveerde, bleef ik staan. Ik keek naar de rails, naar de schimmen van passagiers, mensen die vertrokken of aankwamen, allemaal bewegende en stilgevallen lichamen. Toen de trein weer in beweging kwam, verroerde ik me nog altijd niet. Ik vroeg me af of iemand mij zag. En of iemand het doorhad toen ik eindelijk weer in beweging kwam.