Vandaag ben ik Superman

door Renske van den Broek

Al een halfuur zwerf ik door een doolhof van gevelbekleding, dakisolatie en ondefinieerbaar gereedschap op zoek naar een simpele pot verf. Je kunt natuurlijk niet met lege handen aankomen op de bruiloft van je verwekker. Vos wilde per se dat ik mee zou gaan. ‘Je verdwijnt niet door te doen alsof je niet bestaat, Bern,’ zei ze.

Vanochtend belde ik haar om te vragen of ze me hier wilde ophalen. ‘De Praxis?’ Ze vroeg het wel drie keer. Begrijpelijk, ik ben de laatste persoon op aarde die vrijwillig voet zet in dit voorportaal van de hel, dat voelen zelfs de Praxismedewerkers feilloos aan, want ze loeren onophoudelijk naar me vanaf hun minivorkheftruckjes om te voorkomen dat ik een kruiskopschroevendraaier of plastic plakhakenset onder mijn jas steek. Ik voel me een gedetineerde die mag luchten. Mijn uiterlijk helpt niet: opstaande kraag, spiegelglazenzonnebril en zo mager dat je me moeiteloos tussen de multiplexplaten kunt schuiven. Zweet prikt in mijn nek. Konden we maar fastforwarden naar het einde van de dag, of beter nog, het cassettebandje omdraaien, misschien is de B-kant wel te pruimen.

Wanneer heb ik hem voor het laatst gezien, de man uit wiens zaad ik ben ontsproten? Maanden, misschien wel een jaar geleden, wachtend voor hetzelfde stoplicht. Hij groette me alsof ik een vage kennis was. ‘Kinderen zijn niets verschuldigd aan hun ouders, ouders alles aan hun kinderen.’ Dat was vroeger zijn stokpaardje. Maar nadat ik op mijn zestiende wegliep, bestond ik niet meer voor hem. Dat hij zelf zonder enige uitleg het gezin in de steek liet, daar mocht niemand het over hebben.

Met haar fiets tussen haar benen staat Vos ongeduldig te wachten wanneer ik hijgend en puffend door de schuifdeuren naar buiten wankel. Ze lijkt wel dertig in die jurk.

‘Schiet nou op, Bern! Anders missen we de ceremonie.’

Fuck de ceremonie.’ Hijgend laat ik de emmer op de grond zakken.

‘Heel leuk, spring nou maar achterop!’

‘Makkelijker gezegd.’ Het ijzeren hengsel snijdt in mijn handpalm. Welke randdebiel heeft dit martelwerktuig ontworpen?

‘Moet die verf per se mee?’

‘Vandaag valt of staat met de verf.’

Wantrouwend kijkt ze me aan.

‘Dit is ons cadeau!’

Zuchtend laat ze haar hoofd tussen haar schouders vallen.

‘Een schone lei voor onze verwekker. Nieuwe ronde, nieuwe kansen.’

‘Denk je echt dat hij daar de humor van inziet?’

‘Ik mag het hopen, dat spul kostte een godsvermogen.’

Ze stapt op haar fiets. ‘Nou, ga zitten.’

‘We hebben toch nog wel even tijd voor een kleine versnapering?’ Uit mijn binnenzak tover ik een blowtje.

‘We kunnen daar niet stoned aankomen, gek.’

Maar ik heb de fik er al in gestoken.

‘Lulhannes…’ Ze kijkt me aan door de wolk hasjrook. Niemand kan zo goed lachen en boos kijken tegelijkertijd. Hoofdschuddend pakt ze de blow aan.

De receptie is in een zaaltje met badkamertegels op de vloer en tapijt op de muren. Zo’n plek waar op doordeweekse dagen wordt geknutseld door gehandicapten. Dat de meeste gasten liever buiten op de stoep staan met hun prosecco dan in dat bedompte hol, interesseert hem niet: dit is zijn dag.

Met de emmer tussen mijn benen posteer ik me aan een statafel in de hoek. Aan het plafond hangt een discobal, in de hoeken van de zaal staan statieven met gekleurde lampen zoals op een schoolfeest. Verderop laat Vos zich in haar wangen knijpen door een fossiel dat gezien haar paardenkop een zus is van onze verwekker. Vos speelt de rol van betrokken dochter knap. Zelfs ik geloof haar bijna. Ik zwaai naar het fossiel. Ze draagt een jurk met groene glimmende pailletjes, dat belooft wat als die discobal straks aangaat.

‘Goeie outfit, tantetje!’

Nerveus schiet ze weg tussen de bruiloftsgasten.

‘Je maakt haar bang,’ grinnikt Vos.

Ik steek mijn handen in de lucht. ‘Zeg me welke misdaad ik heb begaan! Ik gaf haar alleen een compliment.’

Ze geeft me een beuk. ‘Yeah, right.’

Onze verwekker paradeert met het aanhangsel door de zaal. Vos vindt het kinderachtig dat ik haar zo noem, maar ze is een accessoire waar hij binnen afzienbare tijd genoeg van krijgt, ook al heeft de huwelijkse verbintenis ze vooralsnog met elkaar verkleefd.

Opeens staan ze voor onze neus.

‘Is ze niet prachtig?’ vraagt onze verwekker grijnzend. Zorgvuldig vermijdt hij mijn blik.

Vos redt me. Ze pakt de handen van het aanhangsel en drukt een kus op haar wang. ‘Gefeliciteerd. Wat zie je er prachtig uit!’

‘O Vos, dank je wel.’ Met de punt van haar zakdoek dept ze een onzichtbare traan.

‘Echt een plaatje!’

Welke zeventienjarige zegt nu zoiets? Het aanhangsel ziet eruit alsof een kleuter de styling heeft gedaan maar Vos kijkt zo plechtig dat ik bang ben dat ze het meent. Plotseling kan ik wel janken, niet om die bruiloft, maar om haar, dat ze speciaal voor deze dag een jurk heeft aangetrokken en dat ze zo haar best doet om het kaartenhuis overeind te houden.

‘Jij moet Bern zijn,’ zegt het aanhangsel.

‘In één keer goed.’

‘Wat leuk om je eindelijk te ontmoeten.’

‘Ja.’ Ik kan niet anders dan haar uitgestoken hand schudden. Verwachtingsvol staart ze me aan. ‘Hoe voelt dat nou, Charlotte, getrouwd zijn met mijn vader?’

Vos geeft me een por.

‘Doe niet alsof je dom bent,’ bijt de verwekker me toe.

‘Ik heet Chantal.’ Ze glimlacht verontschuldigend, alsof ze liever Charlotte had geheten.

‘O.’ Niemand zegt iets. ‘Het is gewoon… de vorige heette Charlotte, vandaar.’

‘Dat weet ik.’ Ze blijft maar glimlachen.

Natuurlijk weet ze dat. De verwekker kijkt alsof hij mijn hoofd ter plekke wil scheiden van mijn romp. Arme meid, zij kan het ook niet helpen. Jezus, waarom hou ik haar hand nog steeds vast? Ik laat los en stamel een felicitatie. De verwekker sleept haar mee.

‘Geef me een nekschot, nu,’ zeg ik.

‘Ze nam het anders best goed op.’

‘Zij wel ja.’

Vos lacht. Niet half maar voluit. Ineens is ze weer zeventien. ‘Papa is een narcist. Jij ontregelt hem, daar kunnen narcisten niet tegen. Hij heeft geen idee wat hij met je aan moet.’

‘Dat is geheel wederzijds.’

‘Geef het een kans.’ Ze grist twee glazen van een passerend dienblad. Prosecco voor zichzelf, prik voor mij. Ze weet dat ik uit principe geen alcohol drink.

Ik pak het glas aan. ‘Mijn bloedeigen zuster dwingt me om deze martelpraktijken te ondergaan,’ zucht ik.

Vos geeft me een kus. ‘Bern van Zetten, het ergste heb je gehad. Proost.’

Uit mijn binnenzak haal ik het envelopje voor noodgevallen, roer een sleutelpuntje speed door mijn Fanta en giet de inhoud in één teug naar binnen. ‘Proost.’

Ze kijkt naar me zoals die keer dat ze de snijwonden zag en ik maar niet aan haar verstand kreeg gepeuterd dat het juist een poging tot leven was.

‘Moet dat echt nu?’

‘Dat moet juist nu.’ Voor de zekerheid wil ik nog een sleutelpuntje rechtstreeks in mijn neusgat scheppen, maar ze geeft me een stomp.

‘Je had beloofd dat je niets zou nemen.’

‘Op een dag als vandaag moet ik Superman zijn.’

Schichtig kijkt ze om zich heen.

‘Geen zorgen, ze letten alleen op zichzelf.’

Ze duwt me richting de toiletten. ‘Als je zo nodig moet, dan op de wc, Superman.’

Scherp als een samoeraizwaard kom ik het zaaltje weer binnen op het moment dat de verwekker en het aanhangsel een joekel van een bruidstaart aansnijden. Samen pakken ze het mes, samen snijden ze door de dikke laag smurrie met marsepeinen tierelantijnen, samen grijnzen ze naar de camera’s.

‘Is dit het moment voor speeches?’

‘Bern, serieus. Je gaat toch niets zeggen?’

‘Help me eens even.’ Tegen de wand staat een eikenhouten tafel met hapjes erop. Dat lijkt me een prima podium.

Achterdochtig kijkt ze me aan.

‘Help nou even, dat ding is loodzwaar.’

‘Ik weet niet wat je van plan bent en ik wil het niet weten ook.’ Ze draait zich om en verdwijnt tussen de gasten.

Krijsend schuren de poten over de tegelvloer wanneer ik de tafel naar het midden van de zaal sleep. Vrouwen slaken kreetjes en duwen hun handen tegen hun oren. Soepel als een panter spring ik op mijn podium. De schalen met hapjes schuif ik met mijn voet van tafel. Lekker geluidje, dat gekletter. God, wat hou ik van dat snijdende wakkere suizen. Ik heb de oren van een bloedhond, de ogen van een adelaar. Elk kuchje, iedere blik: niets ontgaat me.

‘Lief bruidspaar!’ Mijn stem galmt als door een megafoon. Stilte valt over het gezelschap. Chantal glimlacht. Zie je wel, zij begrijpt me. Ik geef haar een knipoog. ‘Jullie hebben ongetwijfeld betere dingen te doen dan luisteren naar ellenlange speeches van aan lagerwal geraakte zonen, dus ik hou het kort.’ De verwekker kucht. Een enkeling grinnikt.

Ik til de emmer aan het hengsel omhoog en toon hem aan het publiek. Jezus wat is dat ding zwaar. Het is maar goed dat ik Superman ben. ‘Dit is het cadeau van de telgen uit het eerste nest.’ Mijn ogen dwalen over de zee van vleespetten en met haarlak gestutte kapsels. Vos staat tegen de deurpost van de ingang geleund met één vinger waarschuwend in de lucht. Ik geef haar een luchtkus, zet de emmer neer en spreid mijn armen. Ik zou vaker moeten speechen. ‘Standaard wit, exact tien liter! Wat een atypisch cadeau hoor ik u denken, maar u wist vast niet dat onze vader een begenadigd schilder is.’

Chantal knijpt even in zijn arm en fluistert hem iets toe. ‘Hij durft te experimenteren, schroomt niet oude doeken over te schilderen met nieuwe frisse kleuren, wanneer de verveling toeslaat.’

Vos heeft haar handen voor haar gezicht geslagen. Ik zou haar willen zeggen dat alles goedkomt, ook al is dat gelul, het leven is een steenpuist die langzaam opzwelt tot de druk ondraaglijk wordt en hij openbarst, en dat geeft slechts tijdelijk verlichting, goed komt het nooit.

‘Daarom, papa…’ Wanneer heb ik hem voor het laatst zo genoemd? Bekt lekker. Wat een goed woord eigenlijk. ‘Papa, papsie, pappels, pap. Daarom dit cadeau!’ Op mijn hurken frunnik ik het plastic lipje los en pel de deksel eraf. Ik moet me beheersen om mijn lippen niet aan de emmer te zetten en de yoghurtachtige substantie naar binnen te slobberen. ‘Want het verleden is een doek met afgebladderde verfresten. Goed voor in de kliko, of beter nog, om overheen te schilderen. Recyclen maar! Dit cadeau komt daarbij goed van pas, omdat jouw nieuwe meesterwerk natuurlijk het beste tot haar recht komt op een maagdelijk wit doek.’

Het vergt een bovenmenselijke krachtinspanning om de emmer tot boven mijn hoofd te tillen. Ik kantel hem langzaam, mijn spieren trillen als een strakgespannen boog. Met de eerste kledder op mijn kruin zuigen mijn longen zich vol lucht. In koude stroompjes loopt de verf over mijn borst en rug, ze beneemt me de adem zoals de nieuwjaarsduik die we ooit hebben gemaakt – papa, mama, Vos en ik. Het sneeuwde, we droegen alleen zwemkleren en mutsen. Op tafel ontstaat een witte plas, verf druipt op de tegelvloer. Tien liter, volgens het opschrift goed voor zeventig vierkante meter. De emmer en ik worden steeds lichter, op het laatst wegen we zo weinig dat we bijna opstijgen. Ademloos kijkt het publiek hoe ik de verf tot de laatste druppel over mezelf heen giet en daarna de emmer met een boog op de grond gooi. Hij stuitert een paar keer en blijft liggen tussen de prikkertjes met kaas en augurk.

‘Tadaaa!’ Als een bezetene pompt mijn hart bloed door mijn aderen, die tot maximumbreedte zijn opgerekt – komt die ruis uit de speakers? – en zo de kolkende wildwaterrivier vrij baan geven. ‘Ruik je dat?’ Als een fijnproever wuif ik de verflucht mijn neus in. ‘De geur van een nieuw begin.’

‘Waarom ben jij hier godverdomme!’ Hij brult het zo hard dat de ramen trillen in hun sponningen. Langzaam rijst hij op uit zijn stoel. ‘Ben je alleen hierheen gekomen om mij een beetje voor schut te zetten?’ Een crescendo van geroezemoes. ‘Ga iemand anders leven verzieken!’ Hij zakt in elkaar op zijn stoel, alle kleur is weggetrokken uit zijn gezicht. Chantal frunnikt aan de roosjes op haar suikertaartenjurk. Ze glimlacht niet meer. Traag klim ik van de tafel. Ik draag een duikpak van verf. Moeizaam waggel ik naar het bruidspaar.

‘Ga nu maar,’ zegt Chantal zachtjes. Ze ziet er moe uit.

De zaal deint op en neer. Monden gaan open en dicht. Hoe moest je ook alweer ademhalen? Tijd om te gaan. Waar is hier de uitgang? Ik ga als een mot op het licht af. Bij de deur draai ik me om, witte voetstappen op de bruine tegelvloer. Bern was here.

Buiten stort het zonlicht met bakken uit de hemel, ordinair gewoon. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Verf kleeft in mijn wimpers. Vos leunt tegen een muur, ze rookt een sigaret. Mascara zit in vegen over haar wangen. Roken, natuurlijk. Altijd een uitkomst. Ik vis een pakje uit mijn kontzak met nog één min of meer ongeschonden sigaret.

‘Hoe vond je mijn verdwijntruc? Ik geloof niet dat hij hem snapte.’

Ze schiet haar peuk weg en loopt op me af tot haar gezicht vlak bij het mijne is. ‘Ik laat jou twee minuten alleen op de wc en je jaagt zo veel speed door je neus dat je besluit een emmer verf over je kop te gieten.’

‘Ik deed het ook voor jou.’

Vos kruist haar armen. ‘Voor mij?’

‘Hoe heten die bomen langs het fietspad naar onze school ook alweer?’

‘Populieren?’

‘Ja. Jij bent een populier. Jij buigt mee met alle windrichtingen, zelfs als het stormt. Je stam buigt en piept en kraakt, maar je blijft overeind. Ik wil alleen maar zeggen: soms mag je best een beetje weerstand bieden.’

Mijn neus kraakt. De geur van bloed vermengt zich met de chemische verflucht. Geschrokken staart Vos naar haar hand, haar knokkels wit van de verf. Met een snik loopt ze terug naar binnen.

Op straat ben ik een attractie. Voorbijgangers verrekken hun nek om me zo lang mogelijk na te kunnen kijken. Hoelang zou het duren tot de verf is gedroogd? Ik zal blijven lopen, steeds langzamer, tot mijn schild volledig is uitgehard. Mensen zullen blijven staan. Nieuwsgierig zullen ze me bekijken, een muntje voor mijn voeten werpen. Ze zullen niet zien dat een weekdier gevangenzit in het pantser dat me omhult.